De taalkundige eigenschappen van de Internationale Taal kunnen wij pas goed begrijpen en beoordelen als wij van haar bestaansreden uitgaan. Deze is ambitieus: het Esperanto is een geplande taal om, overal in de wereld, door iedereen en in alle domeinen, als internationaal communicatie-middel aangewend te worden. De auteur van de oorspronkelijk genoemde Lingvo internacia, de Poolse oogarts L.L.Zamenhof (1859-1917) was hierbij bezield door humanistische en pacifistische motieven en zag in zijn taal een neutraal fundament dat hij onontbeerlijk achtte om de volkeren nader tot elkaar te brengen. Deze vaag-utopische gedachtengang wist Zamenhof heel praktisch te koppelen aan een democratisch geïnspireerde taal-politiek om zijn project tot een bruikbare, levende taal uit te bouwen.
Pragmatische principes
Volgende factoren hebben daarbij een wezenlijke rol gespeeld:
* Zamenhof bedoelde het Esperanto als tweede taal voor iedereen, na de moedertaal. Aldus opgevat behouden alle etnische talen hun culturele eigenheid en fungeert de internationale taal als een niet-discriminerend, gemeenschappelijk communicatie-middel.
* Esperanto richt zich tot een zo ruim mogelijk publiek, van de ‘gewone man’ tot de wetenschapper en de intellectueel, binnen alle volkeren. Eenvoud en regelmaat in de basisstructuur zijn bijgevolg onontbeerlijk om de taal goed toegankelijk te maken.
* Toen Zamenhof in 1887 zijn Lingvo internacia publiceerde, beperkte hij deze tot een kern, een ‘skelet’ met een minimale grammatica, enkele modelteksten en een basiswoordenschat. De verdere verrijking en ontplooiïng van de taal werd aan de creatieve praktijk van de internationale Esperanto-gemeenschap overgelaten.
* Zamenhof was er zich van bewust dat zijn taal niet perfect kon zijn en dat uitsluitend het praktische gebruik de nodige nuancering en verfijning kon brengen. Hij heeft dan ook intensief vertaald uit de wereldliteratuur, hetgeen tot een eerste stabiliteit in stijl en taalgebruik heeft geleid. Zijn voorbeeld kende ruimschoots navolging en heeft een reeds aanzienlijke Esperanto-literatuur voortgebracht, met zowel originele als vertaalde werken in vele genres.
* Om het Esperanto tegen uiteenvallen te behoeden heeft Zamenhof in 1905 de kern van zijn taal in een onaantastbaar fundament ondergebracht. Esperanto mag in alle mogelijke richtingen evolueren maar moet daarbij scrupuleus het Fundamento respecteren. Deze strenge richtlijn komt aldus in de plaats van de eeuwenoude traditie waarop de etnische talen steunen.
Het relatief succes, op beperkte schaal, van het Esperanto is te zoeken in een harmonisch taalkundige structuur met een gezond evenwicht tussen vaak tegengestelde vereisten. Wij zien dat hierna op het vlak van de uitspraak, de woordvorming, de grammatica en het evolutief vermogen van de taal.
Fonetisme versus etymologie
Esperanto is een volkomen fonetische taal: men spreekt uit zoals het geschreven staat, steeds met de (hoofd)klemtoon op de voorlaatste klinker. Bij correcte uitspraak is de taal bijzonder klankrijk en duidelijk verstaanbaar, zelfs als storende akoestische ruis optreedt. Integraal fonetisme vergemakkelijkt uiteraard een goede uitspraak en is onontbeerlijk voor een taal die door sprekers van zeer uiteenlopende taalgebieden gebruikt moet kunnen worden. In de beginjaren van het esperantisme waren internationale kontakten nog schaars en was de uitspraak vaak beïnvloed door de respectievelijke etnische talen van de sprekers. Het steeds toenemend aantal internationale bijeenkomsten, congressen, seminaries, culturele en toeristische evenementen heeft sindsdien een veel grotere uniformiteit in de uitspraak gebracht. Daarenboven is bij Esperanto-sprekers een vrij sterk norm-besef aanwezig : hun drang om rechtstreeks met anderstaligen te communiceren vereist fonetische klaarheid en eenheid omwille van de efficiëntie.
Esperanto ontleent een groot deel van zijn basiswoordenschat aan de moderne cultuurtalen. Het is geen klakkeloos overnemen van volledige woorden maar een zorgvuldige selectie van woordstammen (morfemen), soms lichtjes omgevormd en steeds aangepast aan de fonetische spellingsregels van het Esperanto. Voor sommige westerse intellectuelen is dat een ontoelaatbare ‘verminking’. Men vergeet daarbij dat meerdere etnische talen eveneens fonetisme nastreven (b.v. in het Spaans ‘fútbol’ en ‘mitin’ voor de Engelse termen ‘football’ en ‘meeting’). Overigens, voor de grote massa en alle niet-westerse volkeren is etymologische getrouwheid volkomen irrelevant. Etymologische overwegingen moeten in een internationale taal wijken voor belangrijke factoren zoals bondigheid, uitspreekbaarheid, semantische en fonetische differentiatie van de morfemen. En bovendien worden spellingperikelen vermeden.
Autonome woordvorming
Zowat 75% van de woordstammen in Esperanto komt uit Romaanse, 20% uit Germaanse, 5% uit Slavische en andere talen. Daar deze diverse taalgroepen zich wederzijds beïnvloeden is de praktische herkenbaarheid van Esperanto-stammen ca. 80% voor sprekers van Romaanse, 63% van Germaanse en 27% van Slavische talen.
Deze cijfers zijn enigszins misleidend omdat zij uitsluitend betrekking hebben op de (naakte) woordstammen. Onafhankelijk van de brontaal onderwerpt het Esperanto elke stam aan vaste regels voor de woordvorming, afleidingen en samenstellingen. Zo geldt steeds:
stam + o = zelfstandig naamwoord vb. am/o (liefde)
stam + a = bijvoeglijk naamwoord am/a (liefdevol(le))
stam + e = bijwoord am/e (liefdevol)
stam + i = werkwoord (infinitief) am/i (beminnen)
Het resulterend woord moert wel zinvol zijn, op zich of in de context waarin het voorkomt. Deze eenvoudige regel is bijzonder welkom voor het geheugen, verleent de taal een grote soepelheid en is in de praktijk heel productief gebleken.
Net als in veel andere talen zijn er ook in het Esperanto voor- en achtervoegsels (affixen) die, gehecht aan een bepaald woord, dit een aanverwante betekenis geven. Het verschil zit hierin dat in Esperanto de affixen heel consequent gebruikt mogen worden, in principe met eender welke stam, als de nieuwe constructie op semantisch vlak maar logisch is.
Enkele voorbeelden:
amik/o, amik/et/o, mal/amik/o, … (viend, vriendje, vijand, …)
rid/i, rid/et/i, mal/rid/i, … (lachen, glimlachen, sip kijken, …)
bel/a, bel/et/a, mal/bel/a, … (mooi, aardig, lelijk, …)
waarin mal het tegengestelde beduidt en et zowel dient om verkleinwoorden te vormen als om eender welk begrip te verzachten of te beperken. Er zijn zo’n 40-tal affixen plus een groeiend aantal pseudoaffixen.
Een belangrijk linguïstisch kenmerk van Esperanto is dat alle stammen, affixen en grammaticale elementen strikt onveranderlijk zijn. Verbuiging, zo kenmerkend voor de westerse talen, is er niet. In dat opzicht leunt Esperanto aan bij de ‘isolerende’ taalgroep, waarin ook belangrijke Aziatische talen thuishoren o.a. het Chinees. Het woordvormingsmechanisme in Esperanto stimuleert creativiteit en experiment en wordt doorgaans ruimer aangewend door esperantisten van niet-westerse herkomst.
Regelmaat en duidelijkheid
De hoofdstructuur van de grammatica in Esperanto is gekenmerkt door eenvoud en regelmaat. Geen ingewikkelde vervoeging van het werkwoord, geen talloze meervoudsvormen, geen grammaticaal geslacht. En vooral geen uitzonderingen op de regels. Zo worden de enkelvoudige tijden van alle werkwoorden (en alle personen) gevormd door stam + as, is, os (tegenwoordige, verleden, toekomende tijd). Het meervoud ontstaat steeds door toevoeging van –j : bela birdeto, belaj birdetoj. Waarom het moeilijk maken als eenvoudig ook kan?
Een regel die in de begintijd van het Esperanto veel kritiek te verduren kreeg is de verplichte grammaticale aanduiding [-n] van de accusatief (li kisas knabinon = hij kust een meisje, lin kisas knabino = een meisje kust hem). De plaats ontbreekt hier om het te verduidelijken, maar de accusatief in een internationale taal is onontbeerlijk voor de duidelijkheid. Bovendien laat hij toe de woordorde in de Esperanto-zin zeer vrij te houden, zonder aan klaarheid in te boeten. Zo’n grote vrijheid in de zinsbouw is niet enkel waardevol voor proza en poëzie om de nadruk te kunnen verleggen, ritme en rijm te beïnvloeden en stijleffecten te creëren maar komt ook tegemoet aan het feit dat esperantisten allerlei moedertalen vertegenwoordigen waarin de gebruikelijke woordorde nogal kan verschillen.
Grammaticale regels zonder uitzonderingen, soepele woordvorming en fonetische spelling laten toe heel vlug in de basistaal door te dringen en deze in een vroeg stadium praktisch te beheersen. De heldere structuur van het Esperanto bevordert niet enkel het taalinzicht van de leerling maar ook het aanleren van andere talen, zoals herhaaldelijk uit pedagogische experimenten is gebleken.
Evenwichtige evolutie
Sceptici hebben vaak beweerd dat het Esperanto uiteindelijk in dialecten zou uiteenvallen. Na meer dan 100 jaar praktijk is er niets van te merken en daar zijn redenen voor. Dialecten in etnische talen zijn ontstaan in historische tijden van nagenoeg algemene ongeletterdheid en geografische afzondering van aanverwante bevolkingsgroepen. Pas later kwam een grammatica, dus een norm, waarop een gemeenschappelijke variant tot ‘nationale’ etnische taal kon uitgroeien. In Esperanto was de basisgrammatica er meteen en werd, vrij vroeg, de kern van de taal in het onaantastbare Fundamento ondergebracht, juist omwille van de stabiliteit. Bovendien gedijt de plantaal in een eeuw van intense internationale communicatie, hetgeen haar samenhang versterkt en dialectisering voorkomt.
Wat is er dan wèl in het Esperanto veranderd, na een eeuw praktische aanwending?
Wij hebben het reeds gehad over de uitspraak, die uniformer is geworden. De basisgrammatica, verankerd in het Fundamento is uiteraard ongewijzigd gebleven maar de algemene grammatica’s in leerboeken zijn veel uitvoeriger geworden om het juiste taalgebruik in al zijn nuances te registreren en een fraseologie voor te schrijven die internationaal aanvaardbaar is, los van al te specifieke invloeden die de vele moedertalen ongewild uitoefenen. Vooral in de literatuur is een voortdurende verrijking van typische Esperanto-zegswijzen waar te nemen.
De woordenschat is gevoelig toegenomen : in het eerste leerboek (1887) waren er amper 904 basismorfemen (stammen en affixen), het gezaghebbend verklarend woordenboek Plena Ilustrita Vortaro registreert er thans ca. 16.000 waarmee, naar schatting, 10 maal meer begrippen gevormd kunnen worden, los van talloze ‘occasionalismen’. Slechts een deel van deze morfemen is ‘officieel’, d.w.z. gesanctioneerd door de Akademio de Esperanto, de rest komt uit het geregeld gebruik in de literatuur of in tijdschriften van culturele, wetenschappelijke of maatschappelijlke aard.
Het sterk agglutinerend vermogen van de woordvorming leidt soms tot samenstellingen die te lang of te gekunsteld zijn, te weinig gevoelswaarde hebben of onnauwkeurig zijn. Vooral in proza en poëzie is daarop gereageerd en is er een stroming ontstaan om heel vrij gebruik te maken van neologismen, zelfs ‘onnodige’ die meestal bondiger of kernachtiger zijn dan de samenstellingen (bv. hid/a i.p.v. mal/bel/a). De praktijk leert dat dergelijke parallele vormen best kunnen samengaan en vaak tot synoniemen evolueren, met licht verschillende semantische inhoud.
Tot besluit: Esperanto is uitgegroeid tot een opmerkelijlk linguïstisch fenomeen en verdient meer sociale en wetenschappelijke aandacht dan totnogtoe het geval is. Maar dat is een ander verhaal.
Alberto Fernández
Nota
Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd in het speciaal nummer Dossier – Talen van De Geus van Gent (1996).
De Structuur van Esperanto











