De Homeland –Security staat neemt als binnenlandse vijand ook de vakbondsactivisten en de ontevreden werknemers in het vizier.
Michel Chossudovski
De Homeland –Security staat neemt als binnenlandse vijand ook de vakbondsactivisten en de ontevreden werknemers in het vizier.
De verdediging van het binnenland is een integraal bestanddeel van de "preventieve oorlogsdoctrine" die de Amerikanen van hun regering als een deel van een omvangrijke nationale veiligheidsdoctrine gepresenteerd krijgen. Deze strategie omvat zowel militaire acties in het buitenland alsook operaties in de Verenigde Staten zelf die zowel tegen de vreemdelingen in de VS als tegen de eigen binnenlandse vijanden gericht zijn .
Bij Michael Chertoff, de huidige minister voor Homeland Security (DHS), klinkt dat als volgt: "Terwijl de ene strategie de sleutel betekent voor onze verdediging tegen buitenlandse aanvallen, hebben we ook een ander diepgaand binnenlands veiligheidssysteem nodig als een belangrijk strategisch onderdeel van het geheel. Terwijl we terroristen in het buitenland vervolgen, werken we gelijktijdig in het binnenland aan een strategie om de infiltratie van terroristen te verhinderen, om onze bevolking en onze steden te beschermen en te kunnen reageren wanneer een aanslag zich voordoet. Dat is onze strategie - meervoudige barrières tegen terroristische aanslagen."ン
Hierdoor beperkt zich het begrip "vijand" niet meer tot buitenlandse islamitische terroristen en schurkenstaten, zoals het in de verklaring onmiddellijk na 11 september 2001 nog heette. Het begrip "vijand"� omvat nu ook terroristische bedreigingen die uitgaan van binnenlandse samenzweerders binnen de Verenigde Staten. In een bericht van het Homeland Security Council (HSC) van juli 2004 onder de titel "Planningsscenario"� wordt in detail beschreven, hoe de Bush-administratie zich in het geval van een terroristische aanval door de zogenoemde universele tegenstrever (Universal Adversary – UA) voorbereidt. Deze scenario's omschrijven de daders als een abstracte eenheid die in concrete simulaties wordt gebruikt. Wanneer men nauwkeurig toekijkt, dan is deze universele tegenstrever niet meer zo imaginair. Volgende categorieën van binnenlandse samenzweerders worden hier aangekruist: buitenlandse islamitische terroristen, locale inheemse radicale groepen (Burgerrechtgroepen), tegenstrevers die door schurkenstaten en instabiele landen gesteund worden, ontevreden werknemers en vakbondsorganisaties.
Zo worden bij deze scenario's radicale groepen, ontevreden werknemers en hun organisaties over dezelfde kam geschoren als met de buitenlandse terroristen. Het gevolg is dat de antiterreur wetgeving zoals de "Patriot Act" ook tegen deze potentiële tegenstrevers gebruikt kan worden. Zelfs indien deze universele tegenstanders "imaginair"ン zijn, mogen we niet uit het oog verliezen dat de gesimuleerde scenario's een generale repetitie zijn voor noodsituaties om alle vormen van politiek en sociaal verzet in de Verenigde Staten onder handen te nemen.
Code-Red-Alarm
De planningscenario's dekken het ganse spectrum van potentiële bedreigingen af, zoals een nucleaire explosie (met een klein geïmproviseerde 10 kiloton bom), alsook aanvallen met anthrax of biowapens, het inzetten van chemische wapens en radioactieve emissies door een radioactieve aërosol. Wat aan deze draaiboeken voor de ondergang van de wereld zo ontmaskerend werkt is het feit dat ze vrijwel niets te maken hebben met het soort wapens dat ondergedoken opererende terroristen in een stedelijke omgeving gebruiken.
Ze grijpen integendeel terug op wapensystemen van het Amerikaans wapenarsenaal. De aangehaalde nucleaire wapens lijken goed op de bestaande tactische kernwapens van de VS, zoals de " mininuke "die een springkracht van 10 kiloton hebben. Dat het US-Homeland Security uitgaat van de voorstelling van een atoomaanval door binnenlandse radicale groepen of door buitenlandse terroristen, grenst aan het absurde. Ook het aanvalsscenario met zenuwgas beschrijft in een wrede ironische wijze het type van aanval met mosterdgas zoals dat gebeurde in de Iraakse stad Falluja in 2004 en 2005.
De mogelijkheid van een noodsituatie, teweeggebracht door een " Code-Red-Alarm " wordt sinds 11 september 2001 altijd maar weer aangekondigd met de bedoeling de publieke opinie voor te bereiden op het invoeren van het oorlogsrecht. Niettemin is de Amerikaanse publieke opinie er zich tot op heden niet van bewust dat een " Red-Code-Alarm " voorwaarden zal scheppen die het normaal functioneren van een burgerlijke regering buiten spel zullen zetten.
Volgens het Federal Emergency Management Agency ( FEMA) zou een dergelijke alarmsituatie er onder andere toe leiden dat ambtenaren worden opgeëist of dat regeringsdepartementen opnieuw worden ingedeeld om aan de eisen van een kritieke noodsituatie te beantwoorden; dat speciaal hiervoor getrainde teams of middelen worden gemobiliseerd, dat openbare instellingen worden gesloten omdat ze in het kader van de veiligheid niet dwingend noodzakelijk zijn.
Door Code Red wordt het burgerlijk bestuur verregaand uitgeschakeld, het openbaar leven wordt gedeeltelijk aan de militaire jurisdictie onderworpen en regeringsbureaus, winkels, scholen, openbare diensten alsook het transportwezen worden grotendeels lamgelegd. Gelijktijdig wordt een "Continuity of Governement Council (CGC), geleid door Senatoren en leden van het Congres, in werking gesteld voor de verdere uitoefening van het regeringsbeleid indien een terroristische aanval tot de dood leiden van de president.
De Code Red zal de vrijheden van de burgers buiten spel zetten, zoals het recht op samenkomst en het recht om te protesteren tegen de beslissing van de regering. Het oorlogsrecht en de noodtoestand zullen uitgeroepen worden. Zoals een document van de nationale Veiligheidsraad opgesteld in 2005 in verband met dit noodscenario beschrijft kunnen binnelandse "radicale groepen"ン en "vakbondsmilitanten"ン opgepakt worden. In dit scenario hebben de bestuursorganen het recht op mediacensuur. Zonder twijfel zullen ze de alternatieve media op internet blokkeren.
Burgers-korps
Bij een Code-Red-Alarm, wordt niet alleen het burgerlijke " Homeland Emergency Response System " in werking gesteld, maar ook het ganse apparaat van het "Ready.Gov." van het ministerie voor Homeland Security, het BIG-Brother-burgerkorps alsook "USAonWatch"ン en het Neighbourhood Watch die afhankelijk zijn van het ministerie van justitie.
Neighbourhood Watch is ook sedert 11 september 2001 belast om overal in de Verenigde Staten verdachte activiteiten in de buurten te identificeren en te melden. Dat programma is tegelijkertijd een deel van het "Terrorism Awareness Education"�, waarmee de oprichting van burgerkorpsen wordt gepromoot om "het kwaad en het afgrijzen van de terreuraanvallen van 11 september 2001 met het engagement voor het goede te bestrijden"�. Die burgerkorpsen, volgens het Amerikaanse ministerie van justitie, zullen helpen "bij het coördineren van de vrijwillige activiteiten die onze gemeentes en steden meer veilig en weerbaar zullen maken. (...) We verzoeken onze steden en gemeenten in het ganse land een burgerkorpsraad op te richten die de vrijwillige organisaties, hulpdiensten, politie, scholen, hospitalen en kerken rond de tafel brengen.
Het is vanzelfsprekend, dat deze maatregelen sedert 2001 door antiterroristische oefeningen getraind werden. Kort na de invasie van Irak (maart 2003) hield het departement voor binnenlandse veiligheid een grote oefening onder de code naam "Top Officials Exercise 2 ( TOPOFF 2). Deze oefening baseerde zich op een Code-Red-Alarm met een gesimuleerde terroristische aanval. Het was de grootste en omvangrijkste Homeland-security oefening die ooit in de VS werd doorgevoerd.
Met deze oefening – een gesimuleerde aanval met massavernietigingswapens op Seattle (Washington) en Chicago (Illinois)- wou men de reacties van lokale besturen en overheidsorganen evalueren. Het scenario beschreef een aanval van een fictieve buitenlandse terroristische groep die een fictieve Radiological Dispersal Device (RDD), een vuile bom, in de metro van Seatle tot ontploffing bracht. Twee jaar later, in april 2005, hield het binnenlands veiligheidsministerie nog een grotere oefening antiterreur oefening "TOPOFF 3"� waaraan 10.000 ambtenaren van 275 regeringsinstellingen en privé-organisaties moesten aan deelnemen. Deze "drill"� en "full scale"� oefeningen moeten Amerika conditioneren dat een werkelijke bioterroristische aanslag zich werkelijk kan voordoen. Bij deze "TOPOFF 3"� oefening ging het scenario ervan uit dat men te doen had met een universele tegenstrever, dit wil zeggen zowel buitenlandse terroristen als binnenlandse samenzweerders.
Antiterreur consensus
Het motief voor de bovenbeschreven antiterroristische "drill"ン is niet alleen bedoeld voor de verdediging van de Verenigde Staten tegen islamitische terroristen. Veleer wil men onder de leidinggevende ambtenaren van de federale staat en de locale overheden alsook binnen de economische wereld en de openbare instellingen de consensus verankeren: De vijand buiten bestaat - De bedreiging is reëel! Daarom moeten de machtshebbers op sleutelposities gesensibiliseerd worden. De gesimuleerde scenario's, de verschillende types samenzweerders en dodelijke wapens die men zich tijdens deze driloefeningen voorstelt, moeten binnen de nomenclatura het gespreksthema worden. De binnenlandse samenzweerders, waaronder zoals reeds gezegd de binnenlandse "radicale groepen"ン en "de ontevreden werknemers"ン behoren, werden hierbij zo beschreven alsof ze in het bezit zijn van massavernietigingswapens. Tijdens deze "drill"ン oefeningen werden precieze datagegevens gesimuleerd, om potentiële samenzweerders te identificeren. Hierdoor ontstaat een model van de werkelijkheid waar de personen met beslissingsbevoegdheid naar refereren. Deze fictieve realiteiten doordringen het bewustzijn van personen in sleutelposities, beïnvloeden de houding van regeringsambtenaren en bouwen hun "kennis" op basis van fictie in plaats van realiteit..
Onmiddellijk na 11 september 2001' richtte de Bush-regering het " Total Information Awareness Program ( TIAP ), zijn Big-Brother gegevensbank, op. De opdracht luidt "zoveel mogelijk informatie als mogelijk over iedereen op een centrale plaats verzamelen, zodat de regering zeer vlug inzage kan krijgen. Deze dossiers over personen moeten gegevens verstrekken over hun opleiding en beroepsactiviteit, over hun ziektebeeld, gebruik van kredietkaarten en bankverrichtingen, reizen en het gebruik van internet, e-mail, telefoon- en fax. Dit project werd van bij de aanvang uitgewerkt door een man die reeds een strafregister bezat: Admiraal John Pointdexter, ex-raadgever voor de nationale veiligheid onder Reagan, en die wegens zijn rol in de Iran-contra-affaire door het gerecht werd veroordeeld. Pointdexter moest aftreden en het TIAP werd officieel afgevoerd maar de inspanningen om al deze informatie in een BIG-Brother databank op te slaan werden niet opgegeven. Verschillende overheidsorganen zoals Homeland Security, CIA en FBI hebben, hun eigen databanken die zeer functioneel zijn. Sedert 2004 verlangt de "National Intelligence Reform Act " dat een gecentraliseerd netwerk voor informatie-uitwisseling opgebouwd wordt, zodat alle gegevens op een plaats beschikbaar zouden zijn. Zo worden de diverse informatiebronnen van douane, financiën en andere regeringsdiensten onder een dak gebracht.
Daarbij komt nog dat de militarisering van de civiele instellingen niet alleen overwogen wordt, maar ook op diverse tv-kanalen als "de verdediging van de Amerikaanse democratie"ン wordt opgevoerd. Wat een "Code-Red-Alarm" in werkelijkheid betekent wordt niet ter sprake gebracht. Door desinformatie wordt de Amerikaanse staatsburger stap voor stap voor het ondenkbare klaar gestoomd.
Vertaald en bewerkt: Antoine Uytterhaeghe
Bron: Freitag nr 13 31 maart 2006
Michel Chossudovski is professor in de Wetenschappen in Ottawa
Dit artikel staat ook in het tijdschrift Vrede van mei 2006.
Vrede om de globalisering beter te begrijpen.