De ideologische struikelsteen
tussen
Socialisme en (de) Internationale Taal
Op 20 oktober 2001 organiseerde de Gentse Esperanto-groep La Progreso een internationale studiedag met als thema Esperanto en ideologieën. Volgende sprekers kwamen aan bod: Detlev Blanke (Duitse Bondsrepubliek), Renato Corsetti (Italië), François Degoul (Frankrijk) en Alberto Fernández (België). Hier volgt een vertaling van de voordracht van deze laatstgenoemde spreker.
*
Eerst een kleine anekdote.
Vlak na WO-2 (ergens in 1947 – ik was toen 17 jaar) ontdekte ik toevallig het bestaan van Esperanto en begon ik meteen deze taal in snel tempo te leren. De idee van een internationale taal was voor mij iets grandioos. In dezelfde periode werd ik lid van de Socialistische Jeugd, hier in Gent. Op zekere dag ontmoette ik één van de nationale leiders van deze beweging, een schrandere man met goede reputatie. Hij vertelde mij iets over een toekomstige internationale bijeenkomst van socialistische jongeren waarop ik naïef-enthoesiast reageerde met "Wat een mooie gelegenheid om daar Esperanto te propageren!"
Wat was zijn antwoord? Eerst schoot hij in een luide lach. Daarna keek hij mij heel ernstig aan en zei vermanend: "Esperanto is uit den boze!"
Ik verstomde, als door de bliksem getroffen. Ik snapte er niets meer van: hoe kon een taal voor internationale communicatie, een taal om kontakten tussen de volkeren te vergemakkelijken, een taal in staat het cultureel peil van de arbeidersklasse te verbeteren, een taal om chauvinisme te bestrijden – hoe kon zo’n taal voor een intelligente socialist ‘uit den boze ‘ zijn?
Vreemdsoortig onbegrip
In de daaropvolgende jaren, toen ik de esperanto-beweging wat beter leerde kennen en vooral toen ikzelf aktief was bij de ‘arbeiders-esperantisten’, heb ik vaak aan deze anekdote teruggedacht en concludeerde dat die man wellicht totaal misleid was door rommelige ‘informatie’ vanwege sommige esperanto-zeloten of gewoon slachtoffer was van taaie vooroordelen. Of was hij enkel sceptisch en aanzag hij het Esperanto als een naïeve utopie? Maar ik merkte ook dat hij niet de enige was onder de leiders en verantwoordelijken in de socialistische beweging om geen interesse te tonen voor het streven van de ‘arbeiders-esperantisten’ en onbegrip te tonen betreffende Esperanto in het algemeen. Dit lijkt wel vreemd want er bestaan meerdere gemeenschappelijke kenmerken tussen, enerzijds, de basis-ideologie van het socialisme en, anderzijds, het principe van een internationale taal en haar betekenis voor het arbeiders-esperantisme. Ziehier enkele van deze gemeenschappelijlke trekken:
∙ in beide leven er internationalistische ideeën i.v.m. de eenheid van de arbeiders in de wereld
∙ socialisme is nauw verbonden met een wetenschappelijke ordening van de maatschappij, en Esperanto, als geplande taal, sluit goed aan bij dit concept
∙ een gemeenschappelijke internationale taal, zoals het Esperanto, ondergraaft enigszins de nationale identiteit, dus het chauvinisme dat een voedingsbodem is voor militarisme en kapitalisme – twee vijanden van het socialisme
∙ het praktisch gebruiken van Esperanto is een belangrijke opvoedende factor voor de arbeiders, dus voor hun emancipatie, hetgeen het socialisme eveneens nastreeft.1
Conclusie: de ideologie van het socialisme toont principieel een ruime mate van overeenstemming met het democratisch karakter van Esperanto. Vanwaar komt dan het onbegrip tussen beiden? Waaar loopt het fundamenteel mis?
Moeten we de schuld zoeken bij de vaak voorkomende foutieve informatie uit esperanto-middens zelf? Of bij de even talrijke vooroordelen, bij misprijzen of scepticisme van ‘de buitenwereld’? Beide factoren spelen hier onmiskenbaar een rol, maar in dit geval schort er nog iets anders, iets fundamenteels – namelijk, er ontbreekt in de algemene marxistische ideologie een goedkeurend standpunt tegenover de idee van een Internationale Taal.² Met andere woorden, de officiële doctrine van de belangrijkste theoretici van het marxisme is geenszins gunstig voor het concept van een Internationale Taal in het algemeen noch voor de concrete verwezenlijking ervan in de taal Esperanto. Ik geef toe dit pas sedert een tiental jaar te beseffen en er de consequenties van te begrijpen.
Laten we dit heel bondig van nabij bekijken.
Eerder tegen, nauwelijks vóór
Eerst dienen we toch te weten dat ten tijde van het zogenaamde ‘utopisch socialisme’ de idee van een ‘wereldtaal’ of van een ‘universele taal’ wèl deel uitmaakte van de wazige concepten voor een toekomstige socialistische maatschappij. Een belangrijke figuur uit die periode was de politieke filosoof en beroemde Franse anarchist Pierre Joseph Proudhon (1809 – 1864) die zelfs wat fantaseerde over een langue universelle.³
Een tijdgenoot van Proudhon was Karl Marx (1818 – 1883), de voornaamste figuur van het ‘wetenschappelijk socialisme’, het ‘marxisme’. Marx was niet enkel filosoof maar ook een radicale economist en revolutionaire leider, met duidelijke, grondig gefundeerde denkbeelden over de evolutie van de maatschappij. Het moet ons dus niet verbazen dat hij de fantasieën van Proudhon scherp bekritiseerde en zelfs de spot dreef met dienss diletante pogingen i.v.m. zijn langue universelle.4 In het omvangrijke oeuvre van Marx is nauwelijks iets te vinden betreffende de wenselijkheid van een gemeenschappelijke internationale taal, zelfs niet als eventueel communicatie-middel tussen de arbeiders-bewegingen van meerdere landen 5 die, vanaf 1864, probeerden internationaal samen te werken binnen de ‘Internationale Arbeiders-vereniging’ die historici thans ‘Eerste Internationale’ noemen (omdat er later nog een Tweede, Derde en zelfs een Vierde Internationale volgden).
Proudhon en Marx leefden in een tijdperk vóór het verschijnen van een praktisch bruikbare internationale taal, zoals het Esperanto. Dat is niet het geval voor de marxistisch geïnspireerde ideologen die ik nu heel bondig zal bespreken.
Lenin (schuilnaam van Vladimir Ilich Oeljanov) (1870 – 1924), stichter van de Bolsjewistische Partij, van de Sovjetunie en van de Derde Internationale, was niet enkel een bekwame en succesvolle revolutionaire leider, maar leverde tevens een belangrijke bijdrage de theorie van het socialisme, het zogenaamde ‘leninisme’. Hoe was de houding vzn Lenin ten aanzien van de idee ‘internationale taal’ in het algemeen en van het Esperanto in het bijzonder? In sommige middens beweert men dat Lenin het concept van een Internationale Taal positief inschatte, zelfs dat hij wat Esperanto kende … maar dit is hoogstwaarschijnlijk pure fantasie. Men kent in feite geen enkel document waarin Lenin zich ondubbelzinnig vóór of tegen het principe van een Internationale Taal uitspreekt. We kunnen zelfs afleiden dat hij er tégen was want, toen in 1918 de burgemeester van Stockholm hem vroeg of de sovjetregering bereid zou zijn om een internationale conventie te steunen voor het onderwijs op school van een ‘wereldtaal’ (in dit geval ging het om Esperanto), antwoordde Lenin heel laconiek "We hebben reeds drie wereldtalen en het Russisch zal de vierde zijn!" 7 (De drie ‘wereldtalen’ waren toen het Engels, Frans, Duits of Spaans.)
Ik moet nochtans een belangrijk concept in de ideeënwereld van Lenin toelichten, namelijk zijn principe van gelijke rechten, qua taal en cultuur, voor alle deelstaten en volkeren in de onmetelijke Sovjetunie. Geen privileges voor eender welke taal of natie.8 Dit was een politiek standpunt dat het bestaan legitimeerde van een progressieve beweging van arbeiders-esperantisten in de jonge Sovjetunie. Deze sfeer van tolerantie en gelijkwaardigheid inzake taal en cultuur verklaart grotendeels de opmerkelijke bloei van de esperanto-beweging aldaar, in de jaren ′20 en begin de jaren ′30.
Gevaarlijke taal
Na het overlijden van Lenin in 1924 kwam de leiding van de Sovjetunie in handen van Stalin (schuilnaam van Jozef Djugasvili) (1879 – 1953). Zoals we weten, was Stalin een dictatoriale staatshoofd van de Sovjetunie en oppermachtig leider van het communisme in de wereld gedurende bijna 30 jaar. Op bevel van Stalin vond in de jaren 1937-38 de zogenaamde ‘Grote Zuivering’ plaats in de Sovjetunie, met honderdduizenden, misschien miljoenen slachtoffers naargelang de bron. In deze tragedie kwam ook nagenoeg de volledige esperanto-beweging om.
Maar waarom werden de esperantisten geëlimineerd? Het antwoord is wel complexer et meer genuanceerd dan wat ik nu zal schetsen.9 De ‘Grote Zuivering’ had tot doel om Satlin absolute macht te geven over alle structuren van de staat. Dit hield in dat de Communistische Partij een zeer streng monopolie moest hebben over alle informatie-kanalen. Esperantisten, met hun vele buitenlandse kontakten, waren bij machte het monopolie te ondermijnen. Zij waren dus een potentieel gevaar en dienden daarom geliquideerd te worden. Maar er was toen nog een andere reden om de esperantisten uit te schakelen. Aanvang de jaren ′30 werd in de Sovjetunie een zeer sterk, centraal staatsgezag geïntroduceerd, met het Russisch als officiële taal voor het ganse land. Dus, het principe (voorheen door Lenin ingevoerd) van gelijke rechten voor alle talen in een scialistische staat, was niet meer toepasselijk. In zo’n sfeer van Russisch chauvinisme kwam de ideologische basis van de esperanto-beweging in de Sovjetunie in een erg wankele positie terecht en werd elke actie voor Esperanto verdacht. Bovendien werd plots het traditionele internationalisme van de sovjet-esperantisten even verdacht toen , in die periode, men in de Sovjetunie besloot de revolutie niet naar andere landen te exporteren maar eerst het socialisme in de Sovjetunie zelf te realiseren.
Het kan wel vreemd lijken dat Stalin, in zijn theoretische bijdrage tot het marxisme, ook uitspraken deed over het talen-probleem in de toekomstige, mondiale socialistische samenleving. We kunnen zijn standpunt als volgt resumeren:10
∙ Vóór 1930 beweerde Stalin dat, in het komende tijdperk van het commuinisme, de nationale talen zouden samensmelten in een gemeenschappelijke taal, in ‘iets nieuws’. Dit was conform met de zienswijze van de belangrijkste linguïstische school in de toenmalige Sovjetunie – en relatief gunstig voor de idee van een geplande internationale taal.
∙ In 1950 was hij meer imperialistisch geïnspireerd en verklaarde dat, wanneer twee talen elkaar kruisen, één ervan als winnaar opdoemt, haar grammatica en basiswoordenschat behoudt terwijl de andere taal stilaan verdwijnt. In zo’n gedachtengoed is er natuurlijk geen plaats meer voor de idee van een gemeenschappelijke internationale taal.
Dit over Stalin. Nu volgen twee andere, zeer invloedrijke marxisten.
Intellectueel misprijzen
Vóór de eerste wereldoorlog was Karl Kautsky (1854 – 1938) de voornaamste theoreticus van de Duitse sociaaldemocraten. Hij populariseerde in ruime kring het marxistisch ideeëngoed maar stond toch erg sceptisch tegenover de bolsjewistische revolutie in de Sovjetunie. Kautsky, als eerste, plaatste het probleem van een’wereldtaal’ in de marxistische theorie.11 Hij deed dit toevallig in 1887, het jaar waarin L.L.Zamenhof (de auteur van het Esperanto) zijn project voor een internationale taal (Lingvo Internacia) publiceerde.Wat vertelde Kautsky toen? In wezen verliet hij het denkbeeld van een supranationale, universele taal – die immers een erfenis van het utopisch socialisme was – en terzelfdertijd sloot hij de mogelijkheid uit, dat taalkundige eenheid door een ‘kunstmatige taal’ zou kunnen worden bereikt. Verder poneerde hij dat de verdwijning van kleine talen het onvermijdelijk resultaat is van economische vooruitgang. Met deze orthodokse marxistische visie toont Kautsky onbegrip voor de verzuchtingen van kleine naties. Kautsky was zeer invloedrijk en we kunnen zijn standpunt aanzien als de grondslag voor de doorgaans negatieve houding van marxisten tegenover de vraag van een neutrale internationale taal.
Dertig jaar later, in 1918, hernam de Italiaan Antonio Gramsci (1891 – 1938) de thesis van Kautsky over maar bekritiseerde thans het Esperanto, dat hij bovendien streng veroordeelde.12 Gramsci was een vrij originele en veelzijdige marxistisch theoreticus met internationale faam en één der stichters van de Italiaanse Communistische Partij. Hij was de mening toegedaan dat een ‘ernstig’ marxist zich niet aan Esperanto hoefde te interesseren, want – ik moet hier nogal drastisch resumeren – Esperanto is voortijdig, niet deugend en zelfs onnodig:
∙ Voortijdig, omdat Esperanto stamt uit de utopieën van het verleden en tot doel heeft reeds nu het probleem van de veeltaligheid op te lossen, hetgeen in feite een utopische sprong is naar een zeer verre toekomst
∙ Niet deugend, omdat Esperanto volkomen kunstmatig is, dus ‘mechanisch van aard’, zonder historische traditie, zonder literatuur, niet in staat fijne nuances weer te geven en dus gedoemd om te mislukken
∙ Onnodig, omdat Gramsci in de toekomst een bestaande taal als ‘winnaar’ ziet en in de huidige tijd weigert aan Esperanto zelfs een tijdelijke ‘helpende rol’ toe te bedelen; onnodig, bovendien, omdat Gramsci - net als Kautsky – de belangen en verzuchtingen van kleine naties verwaarloost en, niet gehinderd door intellectueel elitisme, zefs van mening is dat de onderste lagen van de bevolking geen internationale kontakten nodig hebben.
We kunnen dit vluchtig overzicht samenvatten met de vaststelling dat de leidende marxistische theoretici geenszins de idee van een ‘voortijdige’ Internationale Taal gunstig gezind waren, ook niet het reeds bestaande ‘kunstmatige’ Esperanto. Deze fundamenteel negatieve houding van de hoogste marxistische autoriteiten was vanzelfsprekend een zware handicap voor de verbreiding van het Esperanto in arbeiderskringen. Nochtans, in de lagere niveaus van de arbeidersbeweging was dit afwijzen van Esperanto niet algemeen en, wanneer het zich toch voordeed, was het vaak eerder uit pragmatische dan uit principiële overwegingen. Er waren ook zeer positieve stemmen, zelfs van befaamde leiders. Ik zal hier twee voorbeelden geven waar vóór- en tegenstanders zich publiekelijk confronteerden.
Openlijke tegenstand
In 1907 greep in Stutgart een Internationaal Socialistisch Congres plaats. Twee Franse socialisten – één ervan was de befaamde redenaar Jean Jaurès – deden een voorstel om het Esperanrto te gebruiken in de officiële documenten van het Internationaal Socialistisch Bureau in Brussel. Dit relatief bescheiden voorstel werd verworpen, vooral wegens zeer fel verzet van een Duitse sociaal-democraat. Deze onverwachte tegenslag werd door sociaal-democraten in de esperanto-beweging niet goed verteerd en enkelen onder hen - waaronder de esperanto-pionier en latere Zwitsers diplomaat Edmond Privat – protesteerden met een open brief waarin zij het contrast hekelden tussen het principieel internationalisme van socialisten en hun concrete werkwijze. Dit protest bracht geen verandering.
Een tweede voorbeeld, eveneens uit 1907, heeft betrekking op het eerste Internationaal Anarchistisch Congres dat plaats vond in Amsterdam. 15 Onder de leidende figuren van de deelnemers bevond zich de Belgische anarchist Emile Chapelier (1870 - …). Chapelier was tevens een actieve esperantist o.a. als medewerker bij het sociaal tijdschrift Internacia Socia Revuo en ook als auteur van meerdere studies over de relatie tussen anarchisme en de Internationale Taal. Voor het Congres had Chapelier een uitvoerig rapport opgesteld over de essentie, het nut en de perspectieven van Esperanto. Wegens geknoei met de dagorde werd hem echter belet zijn rapport naar voren te brengen. Chapelier volhardde en, met de steun van de Italiaanse anarchistische veteraan Errico Malatesta, diende hij een congres-resolutie in om de anarchisten (althans de meest actieve) niet enkel aan te sporen Esperanto te leren, maar om bovendien te eisen dat de Anarchistische Internationale het Esperanto als werktaal zou gebruiken. Deze resolutie werd afgewezen. Het Congres toonde zich meer pragmatisch dan idealistisch en nam een andere resolutie aan die ‘alle kameraden oproept om minstens één levende taal te leren’.
En nochtans, ondanks het gebrek aan ideologische steun vanuit het marxistisch ideeëngoed, begon reeds vroeg in de 20-ste eeuw het Esperanto zich aarzelend in arbeidersmiddens te verspreiden. Ontwikkelde, ideologisch bewuste werkers voelden intuïtief aan dat een Internationale Taal onvermijdelijk deel uitmaakt van een toekomstige socialistische maatschappij. Zij begrepen eveneens dat het praktisch aanwenden van Esperanto een meer praktische inhoud zou geven aan de internationalistische betrachtingen van de arbeidersbeweging. Voor hen was de strijdleuze ‘Proletariërs aller landen, verenigt U!’ geen lege slogan, maar een waarlijk na te streven doel.
Internationaal enthousiasme …
De eerste groeperingen van ‘arbeiders-esperantisten’ waren zeer strijdlustig. Het volstaat, om dit te constateren, bijvoorbeeld het programma te lezen van Internacia Asocio Paco-Libereco […Vrede-Vrijheid]. Dit was de allereerste proletarische internationale esperanto-beweging, gesticht in 1906. Ziehier haar programma:
∙ Strijden, via publicaties, tegen Leger en Militarisme, Kapitalisme, Alcoholisme, tegen dogma’s en vooroordelen die verbetering van het sociaal leven in de weg staan
∙ De internationale taal Esperanto propageren bij vrijdenkers, internationalisten, socialisten en anarchisten
∙ Onder esperantisten het ideeëngoed propageren van anti-militarisme, socialisme en anarchisme.16
Deze revolutionaire ijver werd nog ambitieuser in 1910, toen dezelfde vereniging, onder de nieuwe naam Liberiga Stelo [Bevrijdende Ster] als volgt haar programma aanpaste:
‘strijden tegen Alcoholisme’ werd vervangen door ‘strijden tegen Religie’ (wat zeker niet gemakkelijker is …) en het bescheiden ‘verbetering van het sociaal leven’ werd vervangen door het radicale ‘omverwerpen van de kapitalistische maatschappij’.17
Men zou thans kunnen glimlachen met de strijdvaardige pathos van dit programma, maar we mogen niet vergeten dat toendertijd zo’n denkwereld vrij normaal was in de arbeidersklasse, die grotendeels nog in bittere armoede leefde.
… en fundamentele concepten
Zoals we zien, werd de internationale taal Esperanto hier begrepen als instrument om een sociaal ideaal te verwezenlijken. Dit werd zeer klaar en sober verwoord door de Tsjechoslovaakse arbeiders-esperantisten binnen de Laborista Esperantista Asocio. In 1912 definieerde het tijdschrift Kulturo van deze vereniging aldus haar basisprincipes:
∙ Eerst zijn we socialist, pas daarna esperantist
∙ Ons voornaamste doel is het praktische gebruik van Esperanto ten dienste van het internationaal socialisme
∙ De politieke en culturele overtuiging van een esperantist kan niet een onbelangrijke privé-aangelegenheid zijn, maar het ware esperantisme, de rijpere gedachte, kan slechts onderdeel zijn van de denkwereld van ieder vooruitstrevend mens, anti- klerikaal, anti-militaristisch en socialistisch
∙ Voor ons is de internationale taal een middel om onze idealen te verwezenlijken, geen doel 18
Deze principe-verklaring benadrukt iets heel belangrijks, namelijk dat een Internationale Taal een essentieel deel is van een vooruitstrevend wereldconcept, dat een Internationale Taal niet tot bloei kan komen in éénder welke wereldorde.
Deze concepten over de rol en betekenis van de Internationale Taal borrelden op in diverse arbeidersgroepen vóór de eerste wereldoorlog. Zij waren een bron van ideeën voor de groei en verbreiding, tussen beide wereldoorlogen in, van een sterke beweging van arbeiders-esperantisten, naast de zogenaamde ‘neutrale’ esperanto-beweging. In diezelfde periode kende SAT, Sennacieca Asocio Tutmonda [Wereldwijde Natie-loze Vereniging (van arbeiders-esperantisten)] niet enkel haar hoogtepunt maar beleefde ook zeer zware, interne ideologische conflicten tussen haar verschillende politieke fracties. Dit leidde tot schismatische internationale organisaties van, opeenvolgend, anarchisten, communisten en socialisten. Maar deze zeer boeiende periode hoort niet in mijn voordracht, ook niet de tragische evenementen van de brutale onderdrukking van het arbeiders-esperantisme in nazi-Duitsland of de cynische likwidatie ervan in de Sovjetunie onder Stalin. Eveneens kan ik het hier niet hebben over de ideologische neergang van de beweging en haar bijna-verdwijning na de tweede wereldoorlog.
Twee pertinente ideeën
Uit die tumultueuze periode tussen beide wereldoorlogen wil ik toch twee interessante ideeën naar voren brengen. Zij kunnen als mijn conclusie gelden.
De eerste is een uitspraak van de Franse schrijver en revolutionair Henri Barbusse (1873 – 1935). In 1922 verscheen bij SAT de brochure For la Neŭtralismon! [Weg met de neutraliteit!], geschreven door Eugène Lanti – de oprichter van SAT – om het bestaan te rechtvaardigen van een aparte esperanto-beweging voor arbeiders, los van de ‘neutrale’ beweging. Op de voorpagina van deze brochure staat volgend citaat van Barbusse:
" De burgerlijke en mondaine esperantisten zullen meer en meer stomverbaasd zijn en opgeschrikt worden door alles wat uit deze talisman kan te voorschijn komen: een instrument dat aan ieder mens de kans biedt zich met anderen verstaanbaar te maken."19
Barbusse zelf was geen esperantist, wel een sympathisant, maar – als we eventjes zijn bombastische toon vergeten – hij begreep heel duidelijk dat een volledig, wereldwijd gebruik van een neutrale internationale taal zeer diepgaande gevolgen zou hebben, niet enkel op internationaal niveau, maar tevens binnen de sociale maatschappij zelf.Gevolgen waarvan een niet-sociaal geëngageerde esperantist nauwelijks van bewust is. Gevolgen die rechtstreeks een conservatief wereldbeeld bedreigen. Zullen de thans dominerende talen nog dezelfde privileges genieten? Zal hun economische en culturele druk op de rest van de wereld niet gevoelig verzwakken? Bovendien, chauvinisme en extreem nationalisme, gaan zij hun meest scherpe kanten niet verliezen? En, als steeds meer lagen van de bevolking over een praktisch bruikbaar internationaal communicatie-middel zullen beschikken, zal dit niet een stap vooruit zijn naar meer democratie? En het cultureel elitisme van sommige intellectuele kringen, zal het niet wat eroderen? En …? Stop: een internationale taal, zoals Esperanto, is geen onschuldige hobby! Zij kan ons wereldbeeld grondig beïnvloeden. Dit hadden, bijvoorbeeld, de nazi′s goed begrepen toen zij, in 1936, het Esperanto officieel verboden met het argument dat ‘een gemengde taal tegenstrijdig is met de grondslagen van het nazisme′.20
Met andere woorden: een Internationale Taal is een ideologisch zeer geladen begrip, in haar diepste binnenste is ze helemaal niet neutraal! Nochtans dienen we te beseffen, dat deze ideologische achtergrond relatief is en afhangt van de rol die men aan de Internationale Taal wil toevertrouwen, zowel thans als in de toekomst. Hoe meer ambitieus deze rol, des te zwaarder de ideologische componente zal doorwegen – en des te heviger de weerstand van buitenaf zal toenemen.
De tweede idee die ik aangekondigd heb is ietwat complementair aan de eerste. Het is een uitspraak, begin de jaren ′30, van de Oostenrijker Franz Jonas (1899 – 1074). In die tijd was Jonas de bijzonderste leider van de goed georganiseerde arbeiders-esperantisten in Oostenrijk. Hij had een sterke persoonlijkheid, was politiek actief en werd na de tweede wereldoorlog socialistische burgemeester van Wenen en later, van 1965 tot 1974, zelfs president van Oostenrijk. In 1933, wanneer de overkoepelende SAT een ideologische crisis doormaakte wegens het vertrek van de orthodoxe communisten, was Jonas de mening toegedaan dat de aanwezigheid van socialisten binnen SAT niet meer zinvol was en besloot hij een eigen organisatie op te richten, namelijk de Internacio de Socialistaj Esperantistoj (ISE). Met deze organisatie hoopte hij beter invloed te kunnen verwerven bij de Tweede Internationale (van socialisten) voor steun aan en gebruik van Esperanto.21 Ziehier de kerngedachte van zijn redenering:
‘Socialisme heeft beslist een Internationale Taal nodig, want socialisme kan enkel internationaal gerealiserd worden’.22
De overtuiging van Jonas, dat socialisme slechts internationaal verwezenlijkt kan worden, is m.i. volkomen terecht, maar dit valt buiten ons onderwerp. Zijn gevolgtrekking, dat internationaal socialisme beslist een Internationale Taal nodig heeft, is heel logisch, want zonder zo’n gemeenschappelijke taal zou dergelijke internationale orde noodgedwongen culturele discriminatie inhouden, dus volkeren die niet gelijkgerechtigd zijn, dus redenen voor chauvinisme – en dit alles is geen socialisme. Een Internationale Taal is essentieel voor een meer democratische basis in internationale contacten. Trouwens, eender welk progressief concept voor een wereld die rechtvaardigheid nastreeft voor iedereen, is nauwelijks te realiseren indien het geen positief standpunt inneemt voor de idee van een Internationale Taal. Beide concepten zijn aan elkaar gebonden. Zij hebben zich wederzijds nodig.
Alberto Fernández
De ideologie









