10 jaar na de crisis is het tijd voor democratische controle

10 jaar na de crisis is het tijd voor democratische controle

Het is alweer 10 jaar geleden dat banken massaal gered werden van hun eigen roekeloosheid. Hoewel we als burger en belastingbetaler het gedereguleerd financieel systeem overeind hielden, hebben we als samenleving nog altijd maar weinig controle over onze banken.

We hebben de investeringen van banken nochtans nodig. Niet alleen om de economie stabiel te maken, maar ook om de ongelijkheid aan te pakken en de dringend noodzakelijke transitie naar een klimaatvriendelijke economie te realiseren. Het ontbreekt daarvoor niet alleen aan goede regels, maar ook aan meer maatschappelijke controle over banken.

10 jaar geleden was de val van de Amerikaanse bank Lehman Brothers de eerste domino die omviel in een financiële storm die banken in de VS en Europa omver zou blazen. “2008 is de ergste financiële crisis die dit systeem ooit gekend heeft”, dat zijn de woorden van het toenmalig hoofd van de Amerikaanse centrale bank, Ben Bernanke. In België, net als in heel wat andere landen, moesten alle beursgenoteerde grootbanken, Fortis, Dexia, KBC en ook de verzekeringsgroep Ethias, gered worden van een faillissement met tientallen miljarden euro belastinggeld. De Nationale Banken stelden duizenden miljarden kortetermijn-kredieten ter beschikking om het financieel systeem overeind te houden.

Regulering?

In de nasleep van die reddingsoperatie beloofden beleidsmakers dat ze dit nooit meer zouden laten gebeuren en banken terug onder controle zouden brengen. De voorbije 10 jaar zijn er nieuwe regels gekomen, maar een groot deel van de problemen die aan de basis van de crisis lagen, bestaan nog steeds. Banken zijn nog altijd te groot om failliet te kunnen laten gaan, zeker op internationaal niveau. Banken moeten nu wel een beetje meer eigen vermogen (het geld van de aandeelhouders) bijhouden, waardoor ze beter in staat zouden moeten zijn om verliezen te incasseren. Ze mogen echter nog altijd zelf bepalen hoe risicovol hun activiteiten zijn. Banken zijn ook nog steeds voor een groot deel afhankelijk van volatiele kortetermijn-financiering op de markt. Er kwam een bankenunie die grote financiële instituties onder Europees toezicht plaatst, en een kader creëert om ze geordend failliet te kunnen laten gaan. In theorie zou een bank zichzelf nu moeten redden in geval van faillissement. Maar de regels zijn op een onrechtvaardige manier opgesteld. Wanneer een bank in de problemen komt en het eigen vermogen niet voldoende is om de verliezen te incasseren, kunnen ook de schuldeisers (obligatiehouders) mee verliezen slikken. Het probleem hierbij is dat professionele, zeer rijke beleggers en gewone mensen over dezelfde kam gescheerd worden. In Italië zijn in de laatste jaren heel wat mensen aan wie obligaties van banken verkocht werden als “een zeer veilige belegging”, geruïneerd toen banken in de problemen kwamen. Bovendien zijn er uitzonderingen voorzien. Zo moeten tegenpartijen van speculatieve beleggingen van de bank (derivaten) de verliezen van de bank niet mee dragen als dit een systemisch risico inhoudt. Maar het systemisch risico is nu net het probleem dat deze regels zogezegd zouden moeten oplossen. Daarbovenop omvat het Europees fonds dat er tegen 2023 moet zijn om banken te redden en dat door de banken zelf gefinancierd moet worden, slechts 50 miljard euro. Dit terwijl er in de EU 1600 miljard euro naar de redding van de banken gegaan is in de nasleep van de crisis. Kortom: de nieuwe regels werken alleen maar als er geen echt grote bank in de problemen komt.

Recent wees een Europese stresstest uit dat een aantal Europese banken in geval van een stevige economische dip opnieuw in de problemen zouden komen. BNP Paribas, de grootste bank in ons land, is daar één van. Bovendien zijn beleidsmakers de laatste jaren ook weer gaan dereguleren. De EU promoot nu terug het herverpakken en doorverkopen van leningen. Het is echter deze praktijk die van arme Amerikanen die hun huislening niet konden terugbetalen een systemisch risico maakte. Vlak na de crisis werd de praktijk van het doorverkopen van leningen onaantrekkelijk voor banken, maar vandaag doen ook banken in België het opnieuw.

Financialisering

Het bankenmodel dat in 2008 instortte, is gered en overeind gebleven. Het bestaat uit zeer grote banken die op korte termijnwinst uit zijn, speculatieve activiteiten uitvoeren en onvoldoende reserves hebben om de risico’s die ze aangaan, te dragen. Er is een reden waarom dit model standgehouden heeft. Eenmaal gered heeft de bankenlobby de beleidsmakers met succes overhaald om niet té hard in te grijpen. Het argument was dat het economisch herstel in de kiem gesmoord zou worden indien men de banken te streng zou reguleren. Dat het diezelfde banken waren die aan de oorzaak lagen van de economische malaise, werd genegeerd.

Een bijkomende aanwijzing dat we niet op onze twee oren kunnen slapen, kwam er toen de Nationale Bank van België (NBB) in juni 2018 meldde dat banken in ons land veel derivaten bezitten en dat noch het management van die banken, noch de centrale bank zelf een goed zicht heeft op de risico’s die daaraan vasthangen. Het gaat hierbij meestal om contracten die Belgische banken aangaan met beleggers, vaak andere banken en financiële instellingen, waarbij de Belgische banken gecompenseerd worden als de intresten stijgen. Als de intrest omlaag gaat, moeten de Belgische banken de tegenpartij betalen. Het is een verzekering, maar ook een gok. En de banken hebben fout gegokt want de rentes zijn gezakt tot historisch lage dieptes.

Een van de negatieve gevolgen van de financiële crisis in België, is dat we weinig controle hebben over onze banken. Door Fortis vlak na de redding aan BNP Paribas te verkopen, zijn de twee grootste banken in België nu in buitenlandse handen. Maar de crash van 2008 heeft ook gevolgen gehad tot ver buiten de bankensector. Crisisbestrijding is op een erg ondemocratische en selectieve manier gebeurd. Als de financiële markten panikeerden, waren de beleidsmakers alert. Als het welzijn van de burgers in gedrang kwam, was het antwoord dat we boven onze stand leefden.

De crisis en de recessie die erop volgde, hebben tot een verhoging van de overheidsschulden geleid die nog steeds merkbaar is. De burger mocht daarop een tweede keer voor de crisis betalen via besparingen op de sociale zekerheid, de gezondheidszorg, enzovoort, terwijl de regeringen het verhogen van de staatsinkomsten via de bestrijding van de fiscale fraude als onmogelijk beschouwden.

De aanpak van de Eurocrisis heeft verschillende landen tegen elkaar opgezet en het geloof in Europese en internationale samenwerking aangetast. Landen als Griekenland, Portugal en Ierland konden niet meer lenen op de financiële markten en kregen Europese noodkredieten. Men stelde de zaken voor alsof deze noodleningen, betaald met Europees belastinggeld, een vorm van solidariteit waren, terwijl meer dan 90% van de noodkredieten aan Griekenland naar vooral Franse, Duitse, Nederlandse en ook Belgische banken ging. BNP Paribas, ING en Deutsche Bank waren enkele van de belangrijkste ontvangers van de Europese ‘solidariteit’ met de Grieken.

De leningen en besparingen die opgelegd werden aan Griekenland en de andere staten die door de Europese Centrale Bank (ECB), de Europese Commissie en het Internationaal Muntfonds (IMF) ‘gered’ werden, hebben deze landen zwaar verarmd. In Griekenland heeft deze aanpak de economie gekelderd (-25% in de periode 2010-2015) en de staatsschulden verhoogd in plaats van verlaagd. In Portugal laat een progressieve regering echter zien dat het terugdraaien van de besparingsmaatregelen, sociale en economische vruchten afwerpt.

Ten slotte heeft de aanpak van de crisis niet toegelaten de bedreiging van de Eurozone tegen te gaan, omdat werd nagelaten de banken voldoende stabiel en veilig te maken, en er geen collectieve oplossingen gezocht werden voor de overheidsschulden in de muntunie. Om de val van de Euro te voorkomen, gaf de ECB gratis krediet aan banken en kocht ze de schulden van Europese overheden op teneinde de ondraaglijke woekerintresten die sommige landen moesten betalen, te verlagen. Later begon de ECB ook schulden van grote bedrijven op te kopen om extra geld in de slabakkende Europese economie te pompen. In totaal kocht ze voor meer dan 2000 miljard euro obligaties op van investeerders op financiële markten. De vraag is of hiermee op lange termijn ook zinvolle economische activiteiten gestimuleerd worden.

De stortvloed aan goedkoop krediet heeft bedrijven aangezet tot megafusies (en dus tot monopolisering) en tot het lenen van geld om hun eigen aandelen op te kopen en zo kunstmatig hun beurswaarde op te krikken. De ECB gaf in een recente studie zelf toe dat haar beleid mogelijk nieuwe vormen van financiële instabiliteit genereert. Concrete voorbeelden hiervan zijn dicht bij huis te vinden. Inbev, de brouwerijketen met hoofdzetel in Leuven, is door monsterovernames de grootste brouwer ter wereld geworden. In 2015 vielen de inkomsten tegen, maar het bedrijf kocht voor 1 miljard dollar aan eigen aandelen op, waardoor de koers op de beurs kunstmatig de hoogte inging en het dividend voor de aandeelhouders met 50% steeg. Grote multinationals zijn niet langer voornamelijk bezig met hun productieve activiteiten, maar maken een groot deel van hun winst met financiële transacties. Deze evolutie heet 'gefinancialiseerd kapitalisme' en komt er uiteindelijk op neer dat de aandeelhouders een steeds groter deel van de geproduceerde rijkdom weggraaien van de werknemers. We zijn doorgaans gewend om ongelijkheid aan oneerlijke belastingen te koppelen, maar dat is maar het topje van de ijsberg. Om ervoor te zorgen dat een groter deel van de geproduceerde rijkdom naar de werknemers gaat die ze produceren, hebben de werknemers ook meer controle nodig over de bedrijven waarin ze werken.

Alternatief?

Als we de erfenis van 10 jaar crisisbestrijding bekijken, zien we een economie waarin spaargeld weinig gebruikt wordt om te investeren in echte economische activiteiten of in maatschappelijke infrastructuur zoals scholen, ziekenhuizen, enzovoort. Het resultaat van het magere economische herstel dat er de laatste jaren is geweest, is dan ook erg ongelijk verdeeld. De inmenging van de overheid in de economie om de crisis te lijf te gaan, was nochtans de grootste overheidsinterventie ooit buiten oorlogstijd. Ook 10 jaar na de crisis spelen overheden en nationale banken nog een centrale rol in de economie, maar ze beperken zich voornamelijk tot het compenseren van de instabiliteit die de markt zelf genereert. Ondertussen komt de opbrengst niet terecht op de plaatsen waar de samenleving er het meest nood aan heeft.

De laatste 10 jaren hadden ook heel anders kunnen verlopen. De duizenden miljarden die uitgegeven en gecreëerd zijn, hadden gebruikt kunnen worden om maatschappelijke noden aan te pakken, om een langetermijn-investeringsplan ter bestrijding van de klimaatopwarming op te stellen en om de ongelijkheid aan te pakken. Banken en hun macht om geld te creëren, zijn een veel te belangrijk economisch instrument om aan bankiers en hun aandeelhouders over te laten. Zo veel en zo snel mogelijk geld verdienen, is een luxe die de wereld zich in de 21ste eeuw niet meer kan veroorloven. Zowel schuldeisers als schuldenaars hebben verantwoordelijkheden en rechten. Investeringen moeten we als een gemeenschappelijk goed beschouwen. Waar we vandaag in investeren, bepaalt namelijk hoe de economie en de samenleving er morgen zullen uitzien. En als de steun van burgers nodig is om het financieel systeem overeind te houden, dan is het ook maar normaal dat we er democratische controle over hebben.

Waar beter te beginnen dan bij Belfius? Deze bank werd in 1860 opgericht onder de naam Gemeentekrediet, met als doel de gemeenten aan betaalbaar krediet te helpen. De bank speelde een belangrijke rol in de heropbouw na WOI. In de jaren 1940 konden ook burgers klant worden bij de bank. Toen er in de jaren 1990 een privatiseringsgolf door de bankensector in België en Europa waaide, sprong het Gemeentekrediet mee op de kar. Via de overname van Belgische (zoals BACOB, de coöperatieve bank van de christelijke arbeidersbeweging) en buitenlandse banken (in o.a Frankrijk, de VS, Italië, Israël en Turkije) en via een beursintroductie werd het Gemeentekrediet, dat voortaan als Dexia door het leven ging, een grootbank die wou meespelen op de internationale markten. Dexia ging erg roekeloos te werk en toen het vertrouwen op de financiële markten wegebde tijdens de bankencrisis van 2008, moest de bank een eerste maal aan het overheidsinfuus. Omdat ze daarop de vlucht vooruit koos in plaats van te stabiliseren en de risico’s af te bouwen, ging ze in 2011 opnieuw failliet. Amper 15 jaar na de privatisering was het nationaliseren van de resterende, meest gezonde Belgische activiteiten van de bank, de enige optie die overbleef. Het resultaat is vandaag de Belfius-bank. De ongezonde activiteiten werden in een ‘bad bank’ geparkeerd (Dexia Holding) en hebben een waarborg van de Franse, Luxemburgse en Belgische overheden, die voor ons land vandaag 36 miljard euro bedraagt.

Maar terug naar Belfius. Na enkele jaren begon de bank opnieuw winst te maken en de overheid, die voor 100% eigenaar is, kondigde aan dat het Belfius opnieuw op de beurs wilde brengen. Voorafgaand aan deze beslissing vond er geen enkel debat plaats. Belfius in een logica van kortetermijnwinsten duwen door een verkoop, zelfs al is die maar gedeeltelijk, zal nochtans een belangrijke impact hebben op de Belgische maatschappij en haar economie. Tot nu toe is de regering er echter nog niet in geslaagd om de beursgang van Belfius te lanceren (o.a. door het ARCO-schandaal).

Het uitstel van de introductie op de beurs van Belfius is hoe dan ook een geweldige opportuniteit voor de samenleving en we moeten ze met beide handen aangrijpen. In plaats van te privatiseren, kunnen we Belfius beter democratiseren. We moeten de bank een expliciet mandaat geven om lokale overheden en publieke voorzieningen zoals scholen, ziekenhuizen, rusthuizen, enzovoort, aan gunstige voorwaarden te financieren en om volop in te zetten op de investering in de transitie naar een sociaal rechtvaardige en milieuvriendelijke economie. Om ervoor te zorgen dat de bank haar mandaat naleeft, is het belangrijk dat er controlemechanismen komen die klanten, personeel en andere belanghebbenden in staat stellen hierop toe te zien.

Om daarvoor op te komen hebben we met 30 organisaties het platform 'Belfius is van ons' opgericht. Je kan zelf actie ondernemen door je gemeenteraad aan te sporen een resolutie aan te nemen om Belfius publiek te houden.

Meer info op www.belfiusisvanons.be, www.fairfin.be

steun ons

© 2019 vrede vzw - website by