Amerikaanse militaire contractanten camoufleren humanitaire en financiële kosten
F-35A Lightning II van Lockheed Martin op de luchthaven Turku (Finland), Wikimedia Commons

Amerikaanse militaire contractanten camoufleren humanitaire en financiële kosten

Voor zijn buitenlandse militaire avonturen rekent de VS voor veel taken op dure private contractanten. De studie van Heidi Peltier toont aan in welke mate (nvdr).

De praktijk om taken uit te besteden aan particuliere militaire bedrijven werd aan het Amerikaanse volk verkocht als een manier om de kosten van militaire operaties te drukken, maar het resultaat is tegenovergesteld. Uit mijn onderzoek blijkt dat het gebruik van particuliere militaire bedrijven -of wat ik de Camo-economie noem omdat ze de humanitaire en financiële kosten camoufleert- tot hogere kosten leidt voor de Amerikaanse belastingbetalers. De praktijk verstoort ook arbeidsmarkten en draagt bij tot een stijgende ongelijkheid binnen de VS aangezien militaire bedrijven enorme winsten boeken die hen in staat stellen om hun werknemers, en zeker hun topmanagers, veel meer te betalen dan hun tegenhangers in de openbare sector.

Monopolies

In 2019 ging er 370 miljard dollar -meer dan de helft van het budget van het Amerikaans Ministerie van Defensie- naar contractanten. Terwijl vaak naar deze praktijk verwezen wordt als ‘privatisering’, vind ik dit een onjuiste beschrijving omdat de militaire contractanten openbare doeleinden dienen en gebruik maken van openbare middelen, terwijl ze buitensporige winsten boeken op de rug van belastingbetalers en doorgaans niet onderworpen worden aan de concurrentiedruk van de private markten. Veel contractanten opereren als monopolies in plaats van concurrerende bedrijven. Vorig jaar werd 45% van de contracten uitgeschreven door het Ministerie van Defensie geclassificeerd als ‘niet openstaand voor concurrentie’. En zelfs onder de contracten die wel openstaan voor concurrentie, gaat het vaak om ‘kost-type’-contracten, wat betekent dat het bedrijf alle aannemelijke uitgaven terugbetaald krijgt en bijgevolg geen enkele motivatie heeft om de kost te drukken zoals bedrijven zouden doen die geen monopolie hebben en moeten concurreren. Bovendien hebben militaire bedrijven zoals Lockheed Martin voor zichzelf monopolies gecreëerd door aan het Ministerie van Defensie wapensystemen (zoals het F-35 gevechtsvliegtuig) en ander materieel te verkopen gekoppeld aan levenslange servicecontracten die bepalen dat uitsluitend Lockheed Martin het materieel mag onderhouden. Militaire contractanten gedragen zich bijgevolg meer als commerciële monopolies dan als competitieve private bedrijven. Het is door gebruik te maken van hun monopolies dat ze in staat zijn om buitensporige winsten te boeken. In 2018 kon Lockheed Martin Corporation 8 miljard dollar winst opstrijken. Ongeveer 85% van de omzet bestond uit overheidscontracten.

Sociaal-economisch en politiek

De enorme winsten stellen particuliere militaire bedrijven in staat om werknemers relatief hoge lonen uit te betalen, wat dan weer bijdraagt tot de groeiende sociale ongelijkheid in het land. Terwijl het gemiddeld jaarloon in de VS -voor alle beroepen- in 2019 zo’n 53.000 dollar bedroeg, kwam het gemiddeld loon bij Lockheed Martin op 115.000 dollar, meer dan het dubbele. Het gemiddeld loon bij KBR, een contractant die verschillende militaire diensten levert in het Midden-Oosten, was 104.000 dollar in 2019, bijna het dubbele van het nationale gemiddelde. De bedrijfsdirecteur (CEO) van Lockheed kreeg als basissalaris bijna 2 miljoen dollar in 2019, een pak boven het nationaal gemiddeld loon voor CEO’s dat toen 193.000 dollar bedroeg. Als daar aandelenopties en andere compensaties bijgeteld worden, schieten de inkomsten van de CEO van Lockheed de hoogte in tot meer dan 24 miljoen dollar.

De Camo-economie heeft oorlogen politiek aantrekkelijker gemaakt door verschillende kosten te camoufleren. Er zijn nu meer private soldaten of huurlingen actief in de regio die onder de verantwoordelijkheid van het Centraal Commando (CENTCOM) valt (waaronder Irak en Afghanistan), dan officiële troepen. Concreet gaat het over 53.000 contractanten tegenover 35.000 VS-soldaten. Sinds 2011 vielen er ongeveer 8000 dodelijke slachtoffers onder de private soldaten tegenover 7000 troepen. Deze contractanten krijgen geen publieke erkenning, noch de eer verbonden aan het dienen in het buitenland die soldaten in de VS te beurt valt, hoewel ze vaak geconfronteerd worden met grotere risico’s.

De Camo-economie is politiek nuttig omdat het Witte Huis kan beweren dat het aantal troepen in het buitenland afneemt, terwijl de Amerikaanse aanwezigheid in het buitenland tegelijk opgedreven wordt door meer te rekenen op militaire contractanten.

Duur

De financiële kosten van het uitschrijven van contracten met particuliere militaire bedrijven zijn ondoorzichtig. Een aantal cijfers zijn gekend, maar we weten zeer weinig details over waar de Amerikaanse belastingdollars precies naartoe gaan eenmaal ze uitbetaald zijn aan de contractanten. We weten wel dat het uitschrijven van contracten duurder is, omdat de contractanten weinig prikkels hebben om de kosten te verlagen. Bovendien worden winsten ingebouwd in de contracten die ze sluiten. Omdat contractanten hun taken verder uitbesteden aan sub-contractanten die eveneens winsten inbouwen in hun contracten, kunnen er meerdere lagen van gegarandeerde winsten ontstaan tussen de sub-contractoren die het werk uitvoeren en het Ministerie van Defensie die de hoofdcontractant betaalt. Voeg aan de excessieve winsten verspilling, fraude en misbruik toe en de kosten voor de regering stijgen zienderogen.

Besluit

Het zal niet gemakkelijk zijn om de Camo-economie te hervormen. Bedrijven zoals Lockheed Martin, Northrop Grumman en Raytheon spendeerden vorig jaar elk ongeveer 13 miljoen dollar aan lobbying. Naast de hoge winsten en de aanzienlijke salarissen, zorgen ook politieke connecties ervoor dat de Camo-economie verankerd blijft en verder kan groeien. Maar hervormingen zijn mogelijk. Het reduceren van het militair budget is een essentiële eerste stap. Het ‘Institute for Policy Studies’ heeft via het ‘National Priorities Project’ verschillende manieren uitgewerkt om dit uit te voeren. Daarna moet het deel van het militair budget dat doorgesluisd wordt naar particuliere militaire bedrijven verminderd worden en moeten bepaalde diensten terug door de overheid geleverd worden, waaronder de activiteiten op en nabij het slagveld. Ten derde moet het uitbestedingsproces zelf hervormd worden, zodat meer contracten echt concurrentieel zijn en moeten er stimulansen gecreëerd worden om de kosten te verlagen.

Heidi Peltier is coördinator van ‘20 Years of War’, een ‘Costs of War’-initiatiefvan het ‘Pardee Center for the Study of the Longer-Range Future’ aan de Universiteit van Boston. Ze is ook bestuurslid van ‘Institute for Policy Studies’.

Dit artikel werd overgenomen van Inequality.org onder een Creative Commons Attribution Licence.

steun ons

© 2020 vrede vzw - website by