Artikel
Marie Jeanne Vanmol
Printvriendelijke versie
Anti-terrorisme en burgerrechten in Frankrijk
Foto: Alex Proimos

Anti-terrorisme en burgerrechten in Frankrijk

De huidige ontwikkelingen in de anti-terrorisme wetgeving zetten stevige druk op het precaire evenwicht tussen de instellingen die enerzijds de veiligheid en anderzijds de rechten van de burgers moeten garanderen. Dat bewijst de intentie van de Franse president Hollande om de huidige 'état d'urgence' (noodtoestand), afgekondigd in de nasleep van de november-aanslagen in Parijs, nogmaals te verlengen tot 26 mei 2016.

Officiële uitzonderingssituaties in het geval van een bedreiging van de staat en/of zijn burgers (zoals de noodtoestand, de staat van beleg of de toekenning van uitzonderingsbevoegdheden aan de president) wegen altijd zwaar op de fundamentele vrijheden en de burgerrechten. De geschiedenis van uitzonderingssituaties in Frankrijk bevestigt dat.

Staat van beleg & Artikel 16

Voor de afkondiging van een 'état de siège' of 'staat van beleg' -een specifiek omlijnde uitzonderingssituatie die vergaande civiele bevoegdheden overdraagt aan het leger- bestaat er in Frankrijk al sinds 1849 een wettelijk kader. Het juridisch regime voor de staat van beleg werd in 1852 voor het eerst constitutioneel vastgelegd in de toenmalige Franse grondwet. (In 1871 werd de staat van beleg bijvoorbeeld ingezet om de Commune van Parijs te verslaan). De huidige wettelijke vorm van de staat van beleg werd gecreëerd door de 'Code de la Défence' van 1878. De Grondwet van 1958, die vandaag nog altijd van kracht is, legt de bepalingen rond een staat van beleg vast in zijn artikel 36.

Artikel 16 van de Franse grondwet stelt de president van de republiek in staat om zichzelf “uitzonderlijke bevoegdheden” toe te kennen wanneer er sprake is van “een onmiddellijke en ernstige bedreiging voor de instituties van de republiek, de onafhankelijkheid van de natie, de integriteit van het territorium of de uitvoering van de internationale engagementen”. In de Franse geschiedenis werd artikel 16 nog maar eenmaal toegepast, tijdens de 'putsch van de generaals' in 1961, een poging tot staatsgreep van een aantal Franse generaals in Algerije. Alle bevoegdheden werden van eind april tot eind september dat jaar toegekend aan de Franse president De Gaulle. Het gebrek aan controle en aan limitering in de tijd van de uitzonderingsbevoegdheden maakt van artikel 16 een controversieel onderdeel van de grondwet.

Noodtoestand

De noodtoestand is een specifieke uitzonderingssituatie in geval van een dreigend gevaar, die juridisch minder ver gaat wat het overhevelen van bevoegdheden en het inperken van fundamentele vrijheden betreft, dan de enige constitutioneel vastgelegde uitzonderingssituaties, nl. de staat van beleg of de toekenning van uitzonderingsbevoegdheden aan de president. Na de aanslagen van 13 november kondigde president Francois Hollande de noodtoestand af over het hele Franse grondgebied. Op 19 november 2015 liet hij het parlement deze noodtoestand met drie maanden verlengen en in februari 2016 kondigde hij zijn intentie aan om die nogmaals te laten verlengen tot eind mei.

Met een wetsvoorstel ingediend op 21 november 2015 wil hij bovendien het register van constitutionele uitzonderingen op de democratische regels uitbreiden door 'de noodtoestand' in de grondwet te laten opnemen. “Maar de huidige Franse grondwet”, zegt professor Gilbert Achcar in Le Monde, “zag in 1958 te midden van een noodsituatie het levenslicht en codificeert reeds uitgebreide uitzonderingsmaatregelen in geval van speciale bevoegdheden voor de president (art. 16) of een staat van beleg (art. 36)”. Deze grondwet kwam namelijk tot stand op het hoogtepunt van de koloniale oorlog tegen Algerije. De nieuwe constitutie had toen tot doel een einde te brengen aan de instabiliteit van de regering en aan het risico van een staatsgreep. Ze grijpt dus expliciet terug naar een sterke uitvoerende macht met verregaande veiligheidsbevoegdheden in geval van een uitzonderingssituatie.

Oorsprong noodtoestand

Op 1 november 1954 introduceerde het Front de Libération Nationale (FNL, de Algerijnse Onafhankelijkheidsbeweging) zich voor het eerst aan de wereld via een serie aanslagen op verschillende plaatsen in Algerije, dat toen onder Frans koloniaal bestuur stond. Het was het begin van de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog (1954-1962). Als reactie op de golf van aanslagen creëerde de Franse staat op 3 april 1955 de wet op de noodtoestand, die via een stemming in het parlement ook onmiddellijk voor 6 maanden afgekondigd werd over het ganse grondgebied van Algerije. De Franse autoriteiten riepen de noodtoestand in het leven om te vermijden dat ze een staat van beleg (état de siège) zouden moeten afkondigen. Dat zou immers betekenen dat de Franse overheid haar bevoegdheden moest overhevelen aan de militairen. “De noodtoestand”, zegt de wet, “mag over een deel of over het ganse Franse grondgebied uitgeroepen worden, alsook in de overzeese gebieden in geval van gebeurtenissen die door hun aard of ernst een bedreiging vormen voor de publieke ruimte”. De wet op de noodtoestand werd sinds 1955 verschillende keren geamendeerd. De verordening van april 1960 voorziet de afkondiging van de noodtoestand via een decreet van de ministerraad in plaats van het parlement, en beperkt de duur ervan tot 12 dagen. De noodtoestand moet daarna wel verlengd worden door het Frans parlement. In 1985 (toen ook alle verwijzingen naar Algerije er werden uitgehaald) en het meest recent op 20 november 2015 werd de wet op de noodtoestand nogmaals geactualiseerd.

Onder de noodtoestand ingevoerd tijdens de oorlog in Algerije werden verschrikkelijke gewelddaden gepleegd door het Franse militaire veiligheidsapparaat.

Tijdens de oorlog in Algerije werd de noodtoestand verschillende malen ingevoerd en verlengd. Onder deze uitzonderingssituatie werden verschrikkelijke en bloedige gewelddaden gepleegd door het Franse militaire veiligheidsapparaat. In 1957 maakte de toenmalige Franse minister van Binnenlandse Zaken binnen het wettelijk kader van de noodtoestand gebruik van het recht op collectieve administratieve opsluiting om 14.000 Algerijnen die ervan verdacht werden tot het FNL te behoren, in diverse militaire interneringskampen op te sluiten. In Larzac (Dordogne), een domein van 30km² groot, werden 4000 Algerijnen in erbarmelijke omstandigheden van hun vrijheid beroofd en zonder rechtsbijstand aan hun lot overgelaten. Het Rode Kruis klaagde in 1960 de mensonterende toestand aan.

Op 17 oktober 1961, in volle Algerijnse oorlog, demonstreerden in Parijs 30.000 betogers vreedzaam voor de onafhankelijkheid van Algerije en ter ondersteuning van het FLN. De politie, met aan het hoofd Maurice Papon, reageerde met zware repressie. Tientallen Algerijnse deelnemers werden vermoord en in de Seine gedumpt. Het is nog altijd onduidelijk hoeveel mensen omkwamen die dag. Pas in 1998, na 37 jaar van ontkenning, erkende de Franse regering dat er 40 dodelijke slachtoffers vielen ten gevolge van politiegeweld op 17 oktober 1961. Schattingen hebben het echter over 70 tot 200 doden.

Lois Scélérates

Net zoals de wet op de noodtoestand geen grondwettelijk bepaalde uitzonderingssituatie is, zijn er in de loop van de recente Franse geschiedenis heel wat gewone wetten ingevoerd die het hoofd moe(s)ten bieden aan 'bedreigingen voor de veiligheid van de natie'. Deze wetten en/of de uitvoering ervan overschreden vaak de grenzen van de grondwettelijke bescherming van de burgerrechten. In 1893-1894 werden bijvoorbeeld de ‘Lois Scélérates’ (letterlijk vertaald: schurkenwetten) gestemd na een reeks anarchistische aanslagen op het Franse territorium. De drie 'Lois Scélérates' moesten de strijd tegen de anarchisten gemakkelijker maken en decreteerden onder meer preventieve arrestaties, de gelijkschakeling van de leden van anarchistische groepen en hun sympathisanten, en een verbod op alle anarchistische publicaties. De wetten zorgden voor een ware heksenjacht en een golf van arrestaties. Net zoals in het verleden gebeurd is in uitzonderingssituaties, worden ook in het kielzog van de in november 2015 uitgeroepen noodtoestand, burgerrechten geschonden in Frankrijk.

Oorlog tegen terreur

Na de recente aanslagen in Parijs verklaarde president Francois Hollande de “oorlog aan het terrorisme”, zoals de Amerikaanse president George W. Bush hem dat voordeed na 9/11. Na de aanslag op het satirische weekblad Charlie Hebdo in januari 2015 werd in het Frans parlement al een reeks antiterroristische wetten gestemd, o.a. de wet van juli 2015 die een legaal kader biedt aan verschillende bewakings- en afluistertechnieken die tot dan toe verboden waren. De wet werd fel bekritiseerd door de verdedigers van de burgerlijke vrijheden. De Amerikanen leefden in het kader van de oorlog tegen terreur meer dan 10 jaar onder de Patriot Act, die de geheime diensten van de VS in staat stelde om alle telefonische- en internetdata van Amerikaanse staatsburgers en buitenlanders te controleren en te gebruiken. Deze burgerrechten-minachtende wet ging van kracht in oktober 2001 onder Bush. In mei 2011 ondertekende president Barack Obama een vierjarige verlenging van de drie belangrijkste bepalingen van de Patriot Act. Wegens een gebrek aan steun in het Congres vervielen onderdelen van de Patriot Act op 1 juni 2015, maar de goedkeuring van de USA Freedom Act op 2 juni 2015 verzekerde dat de verlopen onderdelen toch opnieuw opgevist werden en van kracht zijn tot 2019. Een federale rechtbank oordeelde wel dat de beruchte sectie 215 van de originele Patriot Act -over de massale verzameling van telefoongegevens door de inlichtingendiensten- een inbreuk was op de grondwet. Deze praktijk werd dus enigszins aan banden gelegd. De telefoonproviders moeten nu zelf alle gegevens bijhouden en de inlichtingendiensten kunnen in het kader van een onderzoek gegevens verkrijgen over geviseerde individuen mits de toestemming van een federale rechtbank. De massale controle van burgers in de VS blijft dus wel van toepassing. In het buitenland blijft de uitzonderingstoestand die de Amerikanen ten behoeve van hun oorlog tegen terreur gecreëerd hebben onverminderd gelden, met o.a. langdurige opsluitingen van verdachten zonder enig proces (zoals in Guantanamo) en buitengerechtelijke executies via drones – een praktijk die het Pentagon verheft tot “de moorddadigste der seriemoordenaars” volgens professor Achcar.

Plan Vigipirate

In 1978, na een reeks terroristische aanslagen in Europa, voerde de toenmalige Franse president Valérie Giscard d’Estaing het plan Vigipirate in, het nationale veiligheidsalarmsysteem. Het is een instrument in de strijd tegen het terrorisme gebaseerd op waakzaamheid, preventie en bescherming. Aan elk veiligheidsniveau zijn specifieke maatregelen verbonden die voor een bepaalde duur ingezet kunnen worden. Vigipirate is volledig gebaseerd op de bestaande wetgeving en vereist dus niet dat artikel 36 of artikel 16 van de grondwet geactiveerd worden. Maatregelen genomen in het kader van Vigipirate kennen extra verantwoordelijkheden en speciale bevoegdheden toe aan de verschillende veiligheidsactoren in de maatschappij. Het plan trad voor het eerst formeel in werking in 1995 na een reeks aanslagen in Parijs. Sinds de aanslagen op Charlie Hebdo in januari 2015 staat Vigipirate op 'aanvalsalarm', het hoogste niveau. In dat kader werden 10.000 militairen opgetrommeld vanuit de 4 windstreken van Frankrijk om de politie en gendarmerie over het hele Franse grondgebied te ondersteunen in de strijd tegen het terrorisme. Dit was ‘du jamais vu’. 1500 militairen in volledige gevechtsuitrusting werden binnen de 48 uur ontplooid in de hoofdstad. Voor 'Opération Sentinelle' -een legeroperatie in het kader van de terreurdreiging ter bescherming van de gevoelige punten op het territorium- werden in recordtempo nog eens 7000 militairen naar het militair kamp van Larzac (Dordogne) gestuurd. De ganse operatie staat onder de directe leiding van eerste minister Emmanuel Valls en in Parijs onder toezicht van de militaire gouverneur.

De hoogste staat van alertheid onder Plan Vigipirate is al sinds de aanslagen op Charlie Hebdo in voege en krijgt dus een permanent karakter. Toch heeft dit de aanslagen van 13 november niet kunnen verijdelen. Ondertussen neemt het kostenplaatje van deze veiligheidsmaatregelen toe (in april 2015 liepen de uitgaven voor de regering al op tot 1 miljoen euro per dag) en blijven de vermoeide militairen overuren aantikken. Nieuwe vacatures voor alle veiligheidsdiensten zijn voorzien maar werden tot op heden niet ingevuld.

Herziening grondwet

Volgens president Hollande zijn de uitzonderingssituaties die tot nu toe voorzien worden in de grondwet niet op maat om een oorlog tegen het terrorisme te voeren. Verschillende nieuwe wetten en maatregelen genomen in de nasleep van de twee recente grote terroristische aanslagen in Frankrijk zijn absoluut niet verenigbaar met de burgerlijke vrijheden die gegarandeerd worden door de Grondwet in geval dat er geen constitutionele uitzonderingssituatie geldt. Daarom wil Hollande een intermediaire toestand invoegen die toelaat exceptionele maatregelen te treffen voor een ongelimiteerde tijd, zonder dat er een staat van beleg moet uitgeroepen worden – een soort van grondwettelijk vastgelegd 'civiel crisisregime'. Het komt er dus op neer dat hij de noodtoestand wil inschrijven in de grondwet. In zijn wetsvoorstel hieromtrent is er een duidelijke neiging om de rechterlijke macht aan te tasten. Hij bepleit een belangrijke toename van de bevoegdheden van de politie en de prefecten (staatsambtenaren die aan hoofd staan van de bestuurlijke departementen). Heel wat maatregelen zouden niet meer langs een rechter moeten passeren. Huisarresten, verregaande controles, intrekking van de nationaliteit, onderzoek van voertuigen, nachtelijke huiszoekingen en administratieve opsluitingen zouden op eenvoudige vraag van de prefecten moeten kunnen, terwijl beslissingen omtrent dergelijke acties nu onder de bevoegdheid vallen van de procureur van de republiek. Sommige van de bijkomende speciale bevoegdheden die Hollande aan de grondwet wil laten toevoegen, zouden neerkomen op zware burgerrechtenschendingen, zoals het intrekken van de nationaliteit, opsluiting zonder enige vorm van aanklacht en andere ‘cartes blanches’ voor het repressie-apparaat. Met het opvoeren van de strijd tegen het terrorisme voor ogen wil president Hollande ook extra middelen en fondsen ten dienste stellen van de administratieve en juridische macht buiten het kader van een uitzonderingssituatie.

Sociale repressie

De uitzonderingsprocedures die Hollande wil laten opnemen in de grondwet zouden gemakkelijk ingezet kunnen worden ter bestrijding van sociaal protest en activisme.

Het huidige voorstel om de grondwet aan te passen stuit op heel wat kritiek. Volgens Virginie Duval, voorzitster van de 'Union Syndical des Magistrats' is het kader van het terrorisme onvoldoende gedefinieerd en zijn de interpretatiemogelijkheden zeer breed. De uitzonderingsprocedures die Hollande wil laten opnemen in de grondwet zouden bijvoorbeeld gemakkelijk toegepast kunnen worden ter bestrijding van gewone misdaden of zelfs sociaal protest en activisme. Het woordje ‘activiteit’ zou in de voorstellen van Hollande ook vervangen worden door ‘gedrag’. Men zou dus in de toekomst individuen kunnen viseren, niet omdat ze verdachte activiteiten gepleegd hebben of plannen, maar omdat ze ervan verdacht worden ze te kunnen plegen of plannen op basis van de interpretatie van hun gedrag. Deze perverse logica van verdacht zijn louter op basis van gedragingen die eventueel zouden kunnen leiden tot een misdrijf, komt reeds voor in een Franse wet van 25 februari 2008. Deze wet laat toe dat een burger voor onbepaalde tijd van zijn rechten beroofd wordt, niet omwille van een misdaad, maar “omdat hij een gevaar zou kunnen betekenen voor de openbare orde”, een concept dat onmogelijk te definiëren valt. De afschaffing van deze wet was trouwens één van de niet nagekomen verkiezingsbeloftes van president Hollande.

Nadat de in december geplande grote klimaatbetoging in Parijs verboden werd in het kader van de afgekondigde noodtoestand werden verschillende klimaatactivisten onder huisarrest geplaatst omdat ze een mogelijk gevaar betekenden voor de openbare orde. Zeven van hen trokken naar de Raad van State om deze maatregel aan te vechten. In de context van een aanhoudende oorlog tegen het terrorisme kan iedereen die sociale oppositie voert tegen het regeringsbeleid van besparingen of buitenlandse interventies beschouwd worden als “een gevaar voor de staat”. De grote steden, die dienst doen als oorlogsterrein in de strijd tegen het terrorisme, zijn ook de openbare ruimtes waar de burgers op straat komen om hun verontwaardiging te uiten en zich te verzetten tegen de neoliberale politiek van de regeringen in Europa of om op te komen voor de verdediging van hun politieke vrijheden. De stedelijke openbare ruimtes mogen dus onder geen enkel beding gereduceerd worden tot grijze zones waar het respect voor het internationaal recht en de burgerrechten onder het mom van wazig gedefinieerde uitzonderingstoestanden met de voeten getreden wordt.

Conclusie

In Parijs wordt er hevig gedebatteerd over de strijd tegen het terrorisme en de impact daarvan op de fundamentele vrijheden van de burgers. De Franse grondwet en de rechtsstaat bieden nu al meer dan genoeg mogelijkheden om te antwoorden op het terrorisme. Justitie moet voldoende middelen krijgen om in uitzonderlijke omstandigheden haar werk te doen met respect voor de democratie en de fundamentele vrijheden.

Dat is ook de mening van het hoofd van de orde van advocaten van Parijs, stafhouder Pierre-Olivier Sur, die de burgers op 11 december 2015 opriep om zich te mobiliseren voor de verdediging van de openbare vrijheden. Die zijn er volgens hem op achteruitgegaan sinds de afkondiging van de noodtoestand. Volgens de stafhouder neemt de staat zijn toevlucht tot deze maatregelen om het tekort aan onderzoekers en magistraten te verdoezelen. Volgens hem moet de noodtoestand beperkt zijn in tijd en moeten de gebruikte procedures het recht op verdediging vrijwaren en voorgelegd worden aan de rechter. De inschrijving van de noodtoestand in de grondwet en de invoering van allerlei bijzondere antiterroristische maatregelen doet Frankrijk merkbaar opschuiven in de richting van een ware politiestaat.

Als het regent in Parijs druppelt het in Brussel. Inderdaad, na de aanslagen in Parijs veranderde Brussel in een belegerde stad waar het leven even tot stilstand kwam en openbare manifestaties verboden werden. La Ligue des droits de l’homme, de Liga voor de mensenrechten, Vrede vzw en CNAPD uitten hun bezorgdheid over de 18 antiterroristische maatregelen die de regering Michel afkondigde in november 2015 en die volgens hen de democratie in België zullen inperken. Deze vier Belgische organisaties trokken in mei 2015 met de steun van het Progress Lawyers Network naar de provincierechtbanken om de ontplooiing van militairen in de Belgische steden aan te klagen – een van de maatregelen van de regering Michel. Khaki in de straten hoort niet in een democratische rechtsstaat. Bovendien installeert de maatregel een permanent angstklimaat en verhoogt op die manier het subjectieve gevoel van onveiligheid. In reële dreigingssituaties ontbreekt het de militairen bovendien aan concrete bevoegdheden. Bij problemen moeten ze de politie verwittigen. Zelf mogen ze alleen maar tussenkomen als er sprake is van een situatie van zelfverdediging. De vier hoger genoemde organisaties voelen zich gesterkt om de inzet van het leger voor politietaken aan te klagen omdat het simpelweg illegaal is. In de Belgische wet van 1998 inzake de organisatie ven een geïntegreerde politiedienst staat duidelijk dat militairen enkel ontplooid mogen worden voor interne veiligheidsmissies “bij ernstige en nakende dreigingen van de openbare orde” (wat in de praktijk overeenkomt met dreigingsniveau 4). Volgens het regeerakkoord van de huidige regering kan het leger al ingezet worden op dreigingsniveau 3, maar in deze is het regeerakkoord dus ook strijdig met de wet. Bovendien is het dreigingsniveau in het grootste deel van het land ondertussen teruggebracht naar 2. Waakzaamheid over de fundamentele vrijheden van de democratische rechtsstaat is geboden. Het voorbeeld van Frankrijk wijst op de gevaren van uitzonderingsmaatregelen en de verschuiving van hun toepassingen na verloop van tijd.

steun ons

© 2020 vrede vzw - website by