Artikel
Peter Edel
Printvriendelijke versie
De couppoging in Turkije is een mysterie
Foto: Mstyslav Chernov

De couppoging in Turkije is een mysterie

15 juli. Vrijdagavond in Istanboel. Proberen te ontspannen met een film, maar die kan me niet boeien en ik schakel over op de TV. Daar zie ik militairen op de bruggen over de Bosporus. Een ramp? Een aanslag? Op Twitter lees ik over helikopters en vliegtuigen boven Ankara: het kan niet anders, er is een militaire staatsgreep gaande.

Een omroepster verschijnt op het staatskanaal TRT, dat door de militairen is overgenomen. In een door haar voorgelezen verklaring stellen de militairen de macht te hebben gegrepen.

Paniek. Niet veel cash geld in huis, dus daarom beter wat opnemen. Wie weet lukt dat morgen niet meer. Voor de zekerheid ook maar wat boodschappen doen. Bij de geldautomaat wacht een lange rij. Dan klinkt iets wat op een pistoolschot lijkt. Snel de auto ingedoken en dan op weg naar de buurtwinkel. Daar doet het denken aan een film waarin de wereld door een allesvernietigende ramp getroffen gaat worden. Het ontbreekt er nog aan dat er geplunderd wordt.

Dan beginnen de moskeeën de bevolking op te roepen om de straat op te gaan. Ze zullen daar nog uren mee doorgaan. Via een mobiele telefoon verklaart de Turkse president Recep Tayyip Erdoğan op de televisie dat de staatsgreep mislukt is. Ik houd mijn Facebook-vrienden op de hoogte van de ontwikkelingen. Tot een uur of drie in de nacht, dan besluit ik om toch maar te gaan slapen. Dat lukt aanvankelijk, met oordopjes om de moskeeën niet te horen, maar een uur later zijn die niet meer bestand tegen het kabaal van de straaljagers die boven de stad door de geluidsbarrière gaan.

Gülen

De volgende ochtend overheerst de vraag van wie de couppoging uitging. Ruim een maand later is daar nog steeds geen overtuigend antwoord op. Erdoğan wist het die nacht al zeker: zijn aartsvijand, de in de VS-woonachtige imam Fethullah Gülen, zat er achter. Vrijwel iedereen in Turkije sluit zich daarbij aan: de oppositie in het parlement, de media en zelfs columnisten die anders een gezonde dosis scepsis tonen, twijfelen niet.

Zelf twijfel ik nog steeds, met name omdat doorslaggevend bewijs ontbreekt. Ja, een paar militairen bekenden volgelingen van Gülen te zijn, maar wat moet je daarmee als de pleisters en het verband waarmee ze bedekt zijn benadrukken dat de gearresteerde coupplegers gemarteld zijn? Bovendien, zelfs als die bekentenissen niet zijn afgedwongen, bewijzen ze hooguit dat er volgelingen van Gülen bij de couppoging betrokken waren. Niet dat hij er persoonlijk opdracht toe gaf.

In de dagen na de couppoging wordt de eis aan de Verenigde Staten van Erdoğan en zijn Partij voor Gerechtigheid en Ontwikkeling (AKP) om Gülen uit te leveren kracht bijgezet, maar de Amerikanen willen eerst bewijzen zien. Als Turkije na vier weken een officieel uitleveringsverzoek aan de VS richt, blijkt er volgens het Amerikaans ministerie van Buitenlandse Zaken van alles over Gülen in te staan, maar niets over zijn rol bij de mislukte staatsgreep. Daar tegenover staan de talloze artikelen van de afgelopen weken over de verregaande mate waarin de strijdkrachten door de Gülen-beweging werden geïnfiltreerd. Dat werd eerder al verondersteld, maar nu lijkt het opeens veel verder te zijn gegaan dan eerder werd aangenomen. Er zit echter ook een verdacht luchtje aan. Militairen die na de couppoging werden aangemerkt als volgelingen van Gülen stonden een paar jaar geleden nog bekend als overtuigde seculiere nationalisten en als fanatieke tegenstanders van de imam Gülen.

Eén van mijn overwegingen is dat deze staatsgreep gewoonweg niet Gülens stijl is. Zijn stijl varieert van infiltratie en lastercampagnes tegen tegenstanders door smadelijke informatie wereldkundig te maken, tot vuile truken zoals het vervalsen van bewijsmateriaal (tijdens de Ergenekon en Balyoz-processen tussen 2008 en 2013). Grootschalig geweld ontbreekt in het repertoire van de Gülen-beweging en past ook niet bij de geleidelijke benadering die de beweging kenmerkt in haar ambities. Wanneer het op een geweldloze staatsgreep was uitgedraaid, zou het eenvoudiger geweest zijn om te accepteren dat Gülen de couppoging beraamde, maar door de vele dodelijke slachtoffers heb ik daar nu moeite mee. Door openlijk geweld te gebruiken tast de beweging zichzelf in haar kern aan en schaadt ze haar eigen belangen. Die belangen gaan veel verder dan alleen Turkije. De Gülen-beweging is op Antarctica na op alle continenten vertegenwoordigd met een netwerk van onderwijsinstellingen die niet zelden door plaatselijke belastingbetalers worden gefinancierd. En dan heb ik het nog niet over de andere commerciële belangen die de Gülen-beweging wereldwijd heeft. Was Gülen  bereid om dat alles op het spel te zetten met een couppoging die meer weg had van een terroristische aanslag?

1980

Dat de Amerikanen terughoudend zijn bij het uitleveren van Gülen wekt binnen AKP-kringen het vermoeden en de veronderstelling in de hand dat Washington samengespannen heeft met de imam voor de staatsgreep. De Verenigde Staten heeft, hoe je het wendt of keert, de schijn tegen. Alle ontkenningen door de jaren heen ten spijt, hebben ze een slechte reputatie overgehouden aan de opeenvolgende staatsgrepen in Turkije. Vooral aan die van 1980. Het enthousiasme van de Amerikaanse president Carter was toen tekenend. “Na de Sovjet-interventie in Afghanistan en de val van de monarchie in Iran kwam de 'stabiliseringbeweging' in Turkije als een opluchting voor ons”, zo luidde zijn betekenisvolle reactie op de coups destijds. Het wordt nog altijd tegengesproken in Washington, maar er bestaat ondertussen geen enkele twijfel meer over dat de Amerikaanse inlichtingendienst CIA nauw betrokken was bij het vormgeven van de omstandigheden waarin deze militaire machtsovername kon plaatsvinden. 

Naarmate 1980 naderde kregen de Turken zoveel politiek straatgeweld voor de kiezen dat ze er knettergek van werden. De staatsgreep kwam daardoor als een verademing die een einde maakte aan het politiek geweld op straat, maar eveneens (tijdelijk) een halt toeriep aan de democratie en het naleven van de mensenrechten in Turkije. In Amerikaanse ogen leverde de machtsovername de gewenste stabiliteit. De Amerikanen hadden een merkwaardige manier om stabiliteit te bewerkstelligen in Turkije, want tegen het einde van de jaren 1970 deed de aan de CIA gelinkte ‘diepe staat’ er alles aan om het politieke geweld op de straten zoveel mogelijk op te poken, waardoor de situatie alleen maar minder stabiel werd. Alleen langs die weg kon de publieke opinie echter beïnvloed worden. Uit de ervaringen met eerdere staatsgrepen in Turkije wist Washington dat een staatsgreep de steun van een groot deel van de bevolking vereist om het gewenste resultaat te bereiken.

Washington

Er zijn overeenkomsten en verschillen tussen 1980 en 2016. We hebben alle redenen om aan te nemen dat een stabiel Turkije nog altijd voorop staat voor de Verenigde Staten. De Sovjet Unie mag dan niet meer bestaan, het huidige regime in Rusland wordt wederom als een bedreiging ervaren door het Westen. Dat maakt de verbindingsweg naar Rusland via de Turkse Dardanellen en de Bosporus niet minder belangrijk dan 36 jaar geleden. Bovendien grenst Turkije aan het nog altijd onrustige Midden-Oosten, wat een stabiele factor in de regio vanuit Amerikaans perspectief eveneens wenselijk maakt.

Het verschil met destijds is dat sinds 1980 en sinds de ‘postmoderne coup’ tegen de islamistische premier Necmettin Erbakan in 1997, een grote meerderheid van de Turkse bevolking pertinent wil voorkomen dat het nog tot een staatsgreep komt. Die consensus zit erg diep en strekt zich uit van radicaal links tot extreem rechts en van religieus tot seculier. Daarmee is niet gezegd dat Turkije de afgelopen jaren erg stabiel is. Het politieke en religieuze geweld waar het land de laatste tijd door getroffen werd heeft de Turken echter niet rijp gemaakt voor een staatsgreep.

Als de militairen op 15 juli geslaagd waren in hun opzet, was stabiliteit verre van gegarandeerd geweest. Juist omdat het aan steun vanuit de bevolking ontbrak. Dat maakt de beslissing binnen de strijdkrachten ook zo onbezonnen. Daarnaast plaatst het vraagtekens bij de veronderstelde Amerikaanse betrokkenheid bij de couppoging.

Bij een geslaagde machtsovername had de AKP haar achterban zeer waarschijnlijk opgeroepen om tegen de junta in verzet te komen. Grote kans ook dat dit in een religieuze context was gebeurd. De aan het begin van dit artikel al genoemde oproep tot verzet vanuit de moskeeën in de uren na de staatsgreep kwam bepaald jihad-achtig over. Kortom, bij een geslaagde machtsovername had een religieus getinte burgeroorlog op de loer gelegen, waardoor Turkije een tweede Syrië had kunnen worden. Versplintering zou er dan toe geleid kunnen hebben dat de ene groepering nog extremer werd dan de andere. Een betere voedingsbodem kunnen jihadisten van het soort van de Islamitische Staat zich niet wensen. Verheugden de Verenigde Staten zich echt op het risico dat de essentiële zeestraten in Turkije onder controle kwamen te vallen van extremistische moslims? Ik waag het te betwijfelen.

Nog een uitzichtloze oorlog was misschien een droom voor het militair industrieel complex in de VS, maar woog dat voordeel op tegen het verlies van een stabiel Turkije en het grote strategische nadeel dat daarmee gepaard zou gaan ten aanzien van Rusland en het Midden-Oosten?

Begrijp me niet verkeerd. Ik twijfel er geen seconde aan dat de Amerikanen graag het vertrek van president Erdoğan zouden zien. Beter vandaag dan morgen, en misschien zelfs liever dood dan levend. De hysterische medestanders van de AKP zullen stellen dat Turkije onder Erdoğan op weg was om een supermacht te worden die het Westen de loef zou afsteken en dat Washington zich daarom van hem wilde ontdoen. Zelf houd ik het er op dat Erdogan, met zijn vele u-bochten en agressieve toonzetting, een zeer onzekere factor werd en (aan het worden is) voor Washington. En daarmee een risico ten aanzien van het Amerikaanse beleid in de regio. Vanuit Amerikaans perspectief valt een wispelturige, onvoorspelbare, tussen een pro- en antiwesterse opstelling switchende, en niet zelden roekeloze Erdoğan echter nog altijd te prefereren boven de gevaren die zich bij zijn vertrek zouden openbaren. Turkije kan onder hem dan verre van een toonbeeld van stabiliteit zijn, maar het kan veel erger.

Een ander punt is dat de staatsgreep zeer waarschijnlijk wel succesvol was geweest indien de Amerikanen er aan mee hadden gewerkt. Neem nu wat er die avond gebeurde: de coupplegers faalden onder meer omdat ze Erdoğan niet konden vinden. Dat was heel anders gelopen wanneer de Verenigde Staten hen met essentiële informatie had gesteund. Amerikaanse spionagesatellieten zijn in staat om iedere vierkante centimeter van het aardoppervlak haarscherp in beeld te krijgen. Met dergelijke middelen had het nagenoeg uitgesloten geweest dat Erdoğan onvindbaar bleef voor de coupplegers.

Andere opties?

Het sterkste punt van de theorie waarin Gülen de couppoging samen met de VS bekokstoofde is wellicht dat andere theorieën evenmin standhouden. In één van die theorieën waren militairen die vasthouden aan de seculier-nationalistische ideologie van Mustafa Kemal Atatürk verantwoordelijk voor de coup. Dat zij zeer gekant zijn tegen Erdoğan en de AKP spreekt voor zich, maar meer dan wie ook, weten zij dat een staatsgreep alleen succesvol kan zijn met de steun van een groot deel van de bevolking. En daar ontbrak het ze zoals gesteld volledig aan. Bovendien werd het gebouw waarin het parlement gehuisvest is, gebombardeerd. Dat instituut stond centraal in Atatürks onderneming om een nieuwe staat vorm te geven. Een grotere heiligschennis is vanuit een kemalistisch perspectief ondenkbaar. Het is al even ondenkbaar dat kemalistische coupplegers niet voorzagen dat er een Syrië-achtige chaos had kunnen ontstaan in Turkije na een geslaagde machtsovername. Eerder pleegden seculiere-nationalisten juist (met snoeiharde middelen) staatsgrepen om een einde aan de heersende chaos te maken. Waarom zouden ze nu voor het omgekeerde gaan?

Een vreemde eend in de bijt onder de lezingen rond de couppoging heeft betrekking op de Verenigde Arabische Emiraten (VAE). De daar levende onvrede over de steun die de Moslimbroederschap de laatste jaren uit Turkije ontving, is een gegeven. In de dagen na de mislukte staatsgreep werd door een Israëlische website een verband gelegd met de dubieuze Palestijnse politicus en zakenman Mohammed Dahlan, die sinds hij werd aangeklaagd wegens corruptie in ballingschap leeft in de Verenigde Arabische Emiraten. Dahlan zou de operatie van de VAE om een staatsgreep op gang te brengen, gecoördineerd hebben. Een paar dagen later wees de AKP-politicus Ahmet Varol op linken tussen Dahlan en de Gülen-beweging, al leverde hij daar geen bewijzen voor. Een saillant detail blijft dat de regeringsgezinde Turkse krant Yeni Safak in januari jongstleden al schreef dat in de Verenigde Arabische Emiraten een staatsgreep in Turkije werd voorbereid. Opvallend genoeg kwam Yeni Safak daar pas twee weken na de couppoging op terug.

Daarmee blijft één theorie over: Erdoğan had zelf de hand in de staatsgreep. Feit is dat zijn machtsstreven gebaat is bij de situatie die na 15 juli ontstond. Hij kwam duidelijk als enige winnaar uit de bus. Maar hoe slaagde hij erin de Gülen-volgelingen en/of de kemalisten binnen de strijdkrachten uit hun tent te lokken? Ook voor deze theorie ontbreken hoe dan ook de bewijzen. En zelfs al waren die er, dan zou het publiek er geen kennis van kunnen nemen, want publicaties hieromtrent leiden tot vervolging in Turkije.

De enige slotsom waar ik toe kan komen is dat de toedracht van de couppoging vooralsnog een raadsel is, gewikkeld in een mysterie en verpakt in een enigma.

Peter Edel is schrijver van De diepte van de Bosporus, een politieke biografie van Turkije (2012, Uitgeverij EPO, Antwerpen)

 

 

 

steun ons

© 2019 vrede vzw - website by