Artikel
John Feffer
Printvriendelijke versie
De geopolitiek van goedkope olie
Foto: Max Pixel

De geopolitiek van goedkope olie

De markt zou de planeet redden. Dat was tenminste wat de economisten die worstelden met het probleem van de klimaatverandering zeiden. Ze wezen erop dat de prijs van olie en natuurlijk gas zou stijgen naarmate de fossiele brandstoffen schaarser werden. Andere opties zoals zonne- en windenergie zouden dan goedkoper worden, zeker gezien de investeringen die naar deze sector vloeiden en die de kosten van de nieuwe technologieën drukten. En voila, de onzichtbare hand zou de mondiale thermostaat geleidelijk lager zetten.

Dat is een belachelijke redenering. Ten eerste is er geen garantie dat de markt op tijd zou reageren (d.w.z voor we onder het wateroppervlak verdwijnen). Ten tweede zijn olie- en gasprijzen zo volatiel en onvoorspelbaar als een interview met Donald Trump. In 2008 bijvoorbeeld was de prijs van een vat olie gestegen tot 145 dollar. Dat duurde echter niet lang. Ondanks allerlei onrust in het Midden-Oosten en in andere olieproducerende landen zoals Nigeria, was de prijs van een vat ruwe olie tegen 2015 met 30 tot 40% gezakt, naar het laagst niveau in 11 jaar tijd. Er zijn een aantal redenen voor de prijsdaling, maar het komt vooral neer op een groter aanbod en een kleinere vraag. De VS dreef zijn olieproductie de afgelopen vijf jaar op met 66%, waardoor het in 2015 de grootste olie- en natuurlijke gasproducent ter wereld werd. Andere grote producenten -zoals Saoedi-Arabië- reduceerden hun productie niet. Tegelijkertijd hebben een grotere brandstofefficiëntie en een tragere economische groei over de hele wereld (in het bijzonder in China) de vraag beteugeld. Het kelderen van de olieprijzen was goed nieuws voor veel mensen en landen, maar het is slecht nieuws voor de planeet.

Goed & slecht nieuws

Consumenten houden van lagere energieprijzen. Het is niet alleen goedkoper om je brandstoftank te vullen en het huis te verwarmen, de boodschappenlijst is ook goedkoper vanwege de lagere productie- en transportkosten van goederen. Het is een grote oppepper voor de globale economie.

Het goede nieuws is dat de huidige lagere olieprijzen de markt voor duurzame energie niet ondermijnd hebben. In het verleden betekenden goedkope fossiele brandstoffen dat overheden en de industrie de moeilijke beslissing om over te schakelen naar hernieuwbare energiebronnen uitstelden. Maar verschillende factoren hebben dit patroon gewijzigd. De internationale gemeenschap verbond zich er ondertussen immers toe om in alternatieve energie te investeren. Door de technologische vooruitgang en de stimuleringsmaatregelen van de overheden zijn de kosten voor hernieuwbare energie gedaald. Bovendien zetten de investeringsbanken die rond deze kwestie doorgaans risico's willen vermijden eindelijk wat meer in op deze sector. Goldman Sachs kondigde eind 2015 bijvoorbeeld aan dat het zijn investeringen in hernieuwbare energie zou verviervoudigen.

Een milieuvoordeel van lagere energieprijzen is de annulering van duurdere fossiele brandstof projecten.

Een milieuvoordeel van lagere energieprijzen is de annulering van duurdere fossiele brandstof projecten. President Obama trok afgelopen november bijvoorbeeld eindelijk de stekker uit de geplande vierde fase van het Keystone oliepijpleidingensysteem, die op hevig protest stuitte van milieuactivisten. De aanleg van de pijpleiding werd financieel veel minder aantrekkelijk toen de olieprijzen daalden tot minder dan 60 dollar per vat.

Ook het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken is in zijn nopjes met de lagere olieprijzen. Bondgenoten van de VS in Europa en Azië konden immers hun energie-uitgaven reduceren en middelen vrijmaken om Amerikaanse goederen te kopen, waaronder militair materiaal. Belangrijke olieproducerende tegenstanders van de VS kregen het dan weer benauwd: Iran, Rusland, Venezuela. De lagere olieprijzen reduceerden ook de inkomsten van de Islamitische Staat. De verminderde Amerikaanse afhankelijkheid van buitenlandse olie door de boost in de binnenlandse productie is populair in de media en bij het electoraat van het land, maar het is vooral ook een krachtig wapen in het buitenlands beleid van de VS.

Het Global Carbon Project bracht een rapport uit waaruit bleek dat de uitstoot van broeikasgassen in 2015 gedaald was met 0,6%. Dat mag dan niet veel lijken, het vertegenwoordigt wel de eerste dergelijke daling in decennia. De koolstofuitstoot nam af in de EU, zakte een beetje in de VS, maar de echte reden voor de mondiale daling is China. Door zijn recente economische groeivertraging, gebruikte het land vorig jaar veel minder kool. Dit zou goed nieuws moeten zijn, maar dat is het niet. Ten eerste bleef de koolstofuitstoot in de rest van de wereld wel stijgen. Ten tweede is het meer dan waarschijnlijk dat de lichte reductie van de koolstofuitstoot vorig jaar, een anomalie was. Ten derde zijn goedkope fossiele brandstoffen voor elke milieucampagne die de uitstoot naar nul wil herleiden, extreem ontmoedigend. Goedkope prijzen zijn simpelweg te onweerstaanbaar – voor autobezitters, voor bedrijven die hun winsten willen zien stijgen en voor regeringen die de economische groei willen stimuleren.

Geopolitieke gevolgen

Kelderende olieprijzen betekenen economische problemen voor een land als Saoedi-Arabië dat voor 85 à 90% van zijn inkomsten afhangt van de verkoop van ruwe olie. Het land kampt al met een enorm begrotingstekort – zo'n 15% van het Bruto Binnenlands Product (BBP). In hun meest recente begroting gaven de Saoedi's al aan dat er bezuinigingen op til zijn. Dat zal zich vertalen in het inperken van belangrijke consumentensubsidies, bijvoorbeeld voor gas en water. Als de subsidies gereduceerd worden, schieten de prijzen de lucht in. Als de prijzen stijgen, worden de mensen kwaad. In andere landen in het Midden-Oosten hebben prijsstijgingen al geresulteerd in protestgolven. Het valt dus niet te verwonderen dat Riyad alles in het werk stelt om potentiële bronnen van oppositie in binnen- en buitenland te elimineren (bvb. met de executie van de invloedrijke sjiitische geestelijke al-Nimr op nieuwjaarsdag, de militaire interventie in Jemen, ...). Volatiliteit in de energiemarkt heeft in het verleden al meermaals bijgedragen tot de destabilisering van regeringen: de Sovjet-Unie onder Gorbatsjov, het Soeharto-regime in Indonesië, Venezuela vlak voor de steile opgang van Hugo Chavez, enz. Het is dus niet ver gezocht om te denken dat aanhoudende lage energieprijzen tot veranderingen kunnen leiden in Saoedi-Arabië of andere landen die sterk afhankelijk zijn van hun fossiele brandstoffen. F. Gregory Gause wijst er in een Brooking-rapport van april 2015 echter op dat de olieprijs slechts één van de factoren is die de stabiliteit van een regering beïnvloedt en dat de meeste olieproducerende landen genoeg reserves hebben om een periode van volatiliteit te overbruggen. Volgens Gause zouden lage olieprijzen zelfs kunnen bijdragen tot een grotere stabiliteit in het Midden-Oosten omdat ze Iran en Saoedi-Arabië er zouden kunnen toe aanzetten om gezamenlijk de olieproductieverlaging te coördineren en zo de prijzen op te schroeven. Maar met de recente totale verbreking van de diplomatieke banden tussen deze landen lijkt het waarschijnlijker dat ze beiden agressief olie zullen blijven oppompen, wat de prijzen nog verder omlaag zal drijven.

De idee dat de VS bewust de energieproductie heeft opgedreven om de globale prijzen laag te houden en onrust te stoken in Rusland, of dat Saoedi-Arabië hetzelfde gedaan heeft om ontevredenheid in Iran te stimuleren, flirt misschien een beetje met de samenzweringstheorieën. Maar de beleidsmakers in Washington en Riyad zouden zeker niet klagen als hun strategie dergelijke bijwerkingen produceerde. Toch is onrust in Rusland en Iran niet in het belang van de VS. Washington heeft de hulp van Moskou en Teheran nodig om een oplossing te onderhandelen voor Syrië.

Gouden kans

Dat er investeringen blijven gaan naar de duurzame energiesector ondanks de huidige dip in de olie- en natuurlijke gasprijzen is een meevaller. Het is niet duidelijk hoe lang de prijzen laag zullen blijven, maar voor de duur van deze periode moeten de regeringen hun financiële reserves verstandig inzetten. Volgens Moisés Naím zou prioriteit nummer een van de regeringen de afschaffing van de olie- en gassubsidies moeten zijn: “Energiesubsidies -die wereldwijd neerkomen op 540 miljard dollar- zijn even veelvoorkomend als schadelijk voor de economie, de armen en het milieu, aangezien ze de consumptie stimuleren en de inspanningen om energie te besparen en efficiënter te gebruiken ondermijnen. Volgens de Wereldbank zijn dit soort subsidies hoogst regressief: “60 tot zelfs 80% van wat de regeringen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika spenderen aan het subsidiëren van energie komt ten goede aan de rijkste 20% van de bevolking. De armen ontvangen minder dan 10% van deze openbare middelen”. Nu de olieprijzen zo laag zijn, kunnen regeringen deze subsidies gemakkelijker afbouwen zonder te veel prijsverstoringen te veroorzaken voor de consumenten.

Als we koolstofneutraal willen worden moeten we fossiele brandstoffen zo duur mogelijk maken.

De tweede prioriteit voor regeringen is investeren in hernieuwbare energie met het door goedkopere energie-import uitgespaarde geld. Daarbij moet gefocust worden op het reduceren van de CO2-voetafdruk van overheidsgebouwen, scholen, hospitalen, enzovoort. Het moet echter ook economisch onweerstaanbaar gemaakt worden voor huishoudens om over te schakelen op zonne-energie, voor nutsbedrijven om windparken te bouwen en voor bedrijven om het productieproces energie-efficienter te maken.

De derde prioriteit is dat de landen die fossiele brandstoffen produceren, moeten samenkomen om die productie in te perken. Dat zal uiteindelijk leiden tot hogere olie- en gasprijzen, maar als we koolstofneutraal willen worden moeten we fossiele brandstoffen zo duur mogelijk maken. De voormalige Venezolaanse olieminister, Juan Pablo Perez Alfonso, een drijvende kracht achter de creatie van de Organisatie van Olie-exporterende Landen (OPEC), was niet geïnteresseerd in het opdrijven van de gasprijzen om grote winsten te kunnen boeken. Hij beschouwde petroleum als “de uitwerpselen van de duivel”. Hij zag de OPEC, en specifiek haar capaciteit om de productie in te perken en de prijzen te verhogen, als een instrument voor milieubehoud. Vandaag, nu de uitwerpselen van de duivel duurder zijn dan magere melk, is dit precies het soort van inzicht dat we nodig hebben.

John Feffer is de directeur van Foreign Policy In Focus, www.fpf.org

steun ons

© 2019 vrede vzw - website by