Peter Edel
Printvriendelijke versie
De inzet van de Turkse verkiezingen
Foto: R4BIA.com

De inzet van de Turkse verkiezingen

Op 7 juni 2015 gaat Turkije naar de stembus voor parlementsverkiezingen. Sinds de laatste algemene verkiezingen in 2011 is er veel gebeurd en veel veranderd. De democratisering van de eerste jaren waarin de Partij voor Gerechtigheid en Ontwikkeling (AKP) regeerde, werd verder afgebouwd. Censuur, vervolging van critici, dwingende 'religieuze vrijheid' en andere repressieve maatregelen kwamen er voor in de plaats.

 

Recente ontwikkelingen

De initiële samenwerking in Turkije tussen de AKP (de partij van president Recep Tayyip Erdoğan) en de religieuze maatschappelijke beweging rond imam Fethullah Gülen sloeg om in een hard conflict. In 2013 voerde toenmalig premier Erdoğan een campagne om de invloed van Gülens volgelingen in de staat te beëindigen, waarna zij terugsloegen met onthullingen over corruptie in en rond de AKP. Erdoğan verklaarde daarop de oorlog aan Gülen. Diens beweging heette voortaan de 'parallelle staat' voor de AKP en werd beschuldigd van een poging tot staatsgreep.

In de periode 2011-2015 liep de sensationele groei van de Turkse economie sterk terug. Van de 9% groei in 2011 bleef in maart dit jaar nog maar 1,5% over. De inflatie nam toe en de Turkse lira verloor veel waarde, waardoor heel wat ondernemingen met buitenlandse kredieten onder druk kwamen te staan. De gedaalde olieprijs kwam vorig jaar als een meevaller omdat het handelstekort erdoor terugliep. De vreugde was echter van korte duur, want in maart 2015 liep het tekort op de handelsbalans weer op.

Een andere belangrijke ontwikkeling in de laatste regeerperiode was het op gang komen van onderhandelingen met de Koerdische Arbeiderspartij PKK. Vertegenwoordigers van de Turkse regering en de nationale inlichtingendienst MIT spraken met PKK-leider Abdullah Öcalan. Die heeft in maart dit jaar een historische oproep gedaan om de wapens neer te leggen. Daarmee leek een einde te zijn gekomen aan meer dan 35 jaar geweld. Dit is zonder meer een positieve ontwikkeling, al is de wapenstilstand broos en zijn er zo nu en dan nog incidenten. Bovendien bestaan er twijfels over de intenties van de Turkse regering.

In het vorige decennium hield de AKP vast aan een 'zero conflict'-beleid in de regio. Ondertussen is daar een multiconflict-situatie voor in de plaats gekomen, met als gevolg dat Turkije niet langer vertegenwoordigd wordt door een ambassadeur in Egypte, Israël, Libië, Syrië en Jemen. Aan het in 2010 ontstane conflict met Israël is nog altijd geen einde gekomen, al is de handel met dat land wel toegenomen. In Syrië streeft Ankara naar de afzetting van president Bashar al-Assad en de installatie van een soennitisch regime. Aantijgingen tegen de Turkse regering over wapenleveringen aan al-Qaeda en gelieerde groepen werden categorisch tegengesproken, maar verdachte wapentransporten vanuit Turkije naar Syrië konden niet afdoende verklaard worden.

Dat Mohammed Morsi van de Moslimbroederschap president werd in Egypte stemde de AKP tot tevredenheid. Toen Morsi vervolgens werd afgezet door generaal al-Sissi kwamen de Turkse betrekkingen met Egypte echter op een dieptepunt terecht.

In 2013 werd het Gezipark in Istanboel bezet door activisten. Ze protesteerden tegen plannen om op die locatie de bomen te kappen zodat er onder andere een winkelcentrum gebouwd kon worden. De actie die vreedzaam begonnen was, werd door de politie met veel geweld beëindigd. Elf doden, alsmede honderden gewonden en arrestaties waren het resultaat. Erdoğan reageerde op de actievoerders met haatdragende toespraken die een sterk polariserend effect hadden op de bevolking. AKP-parlementariërs en aan de partij verbonden media lanceerden allerlei samenzweringstheorieën over het ontstaan van het Gezipark-protest waarin Israël, Duitsland en vrijwel de rest van de wereld het op Turkije en de AKP voorzien hadden.

Presidentieel systeem

In 2014 verkozen de burgers van Turkije voor de eerste keer in de geschiedenis rechtstreeks een president (voordien werd de president verkozen door de leden van het Turks parlement). Erdoğan kwam als winnaar uit de bus. Minister van Buitenlandse Zaken, Ahmet Davutoglu, volgde hem op als premier. Erdoğan streeft nu naar de invoering van een presidentieel systeem waarin hij met minimale democratische controle beslissingen kan nemen, wat hem machtiger zou maken dan een Amerikaanse president. Dit 'authentiek Turkse presidentiële systeem', zoals Erdoğan het noemt, is de inzet van de aankomende verkiezingen van 7 juni 2015. Tijdens deze 24ste algemene verkiezingen zullen de 550 leden van de Grote Nationale Assemblee van Turkije (het parlement) verkozen worden. Om Erdoğans plannen voor machtsuitbreiding uit te kunnen voeren is er een nieuwe of aangepaste grondwet noodzakelijk, iets waartoe alleen kan beslist worden mits een tweederde meerderheid in het parlement. Dat wil zeggen dat de AKP 367 zetels moet binnenhalen. Het minimum is 330 zetels, want dan kan de AKP oproepen tot een referendum over een nieuwe grondwet. Volgens de peilingen komt de AKP daar momenteel niet aan. In 2011 haalde de partij weliswaar het hoogste percentage stemmen tot dan toe bij parlementsverkiezingen, maar het bleef toen op 327 zetels steken. Dat zijn er bovendien al wat minder geworden aangezien in de tussenliggende tijd 15 volksvertegenwoordigers gelieerd aan de Gülen-beweging, uit de AKP-fractie zijn getreden.

De AKP moet in juni dus meer stemmen binnenslepen dan ooit tevoren, wil ze op eigen kracht een presidentieel systeem mogelijk maken. Lukt dit niet, dan is instemming van een andere partij over een nieuwe grondwet noodzakelijk. Het is uitgesloten dat de seculier-nationalistische Republikeinse Volkspartij (CHP) of de rechts-nationalistische Partij van de Nationalistische Beweging (MHP) hieraan zullen meewerken.

Er werd gespeculeerd dat de linkse en Koerdisch-georiënteerde Democratische Volkspartij (HDP) wel bereid zou zijn om aan een nieuwe grondwet mee te werken in ruil voor concessies in het kader van het vredesproces. HDP-leider Selahattin Demirtas maakte afgelopen maart echter duidelijk dat Erdoğan daarvoor niet op zijn partij hoeft te rekenen. Demirtas plaatst het Turks-Koerdisch vredesproces in het kader van de democratisering en daar heeft het presidentieel systeem dat Erdoğan voor ogen staat volgens hem niets mee te maken. Toch blijft de HDP een belangrijke factor in dit verband, omdat de partijleiding besloot om als partij aan de verkiezingen deel te nemen en niet, zoals eerder, via onafhankelijke kandidaten die in het parlement een fractie vormden. Daarmee neemt de HDP een risico, omdat de absurd hoge kiesdrempel van 10% gehaald moet worden om toegelaten te worden tot het parlement. Blijft de partij daaronder dan zullen haar stemmen naar de AKP gaan en kan die alsnog de meerderheid halen die nodig is voor een nieuwe grondwet en bij uitbreiding voor de invoering van een presidentieel systeem. Demirtas is echter vol vertrouwen, omdat hij vorig jaar bij de presidentsverkiezingen al bijna 10% haalde.

Peilingen zijn over het algemeen niet erg betrouwbaar in Turkije, maar de meest betrouwbare wijzen inderdaad op winst voor de HDP. Indien de partij van Demirtas de kiesdrempel haalt, dan zal het ook als de AKP de grootste partij blijft, uitdraaien op een pyrrusoverwinning voor Erdoğan. Het kan zelfs nog erger voor hem uitpakken: als de AKP door de opkomst van de HDP, en de mogelijke electorale winst van andere partijen, niet in staat is om 276 zetels te behalen. In dat geval zou de AKP het recht verliezen om zelfstandig te regeren. Een coalitie met de HDP ligt dan het meest voor de hand.

Nationalistische kaart

Ook de rechts-nationalistische MHP zou op winst staan, al moet die voorspelling eveneens gerelativeerd worden omwille van de niet bijster betrouwbare peilingen in Turkije. Toch lijkt Erdoğan de bui al te zien hangen. Nadat Demirtas verklaard had dat hij niet op zijn partij hoeft te rekenen voor de invoering van een presidentieel systeem, begon Erdoğan in ieder geval steeds vaker de nationalistische kaart te trekken. Dat deed hij door terug te grijpen naar de aloude nationalistische ontkenning van een Koerdisch probleem. Daarnaast sprak hij zich publiekelijk uit tegen een waarnemingscomité bij het vredesproces, iets waar de Turkse regering op aandringen van de HDP mee instemde. Critici die eerder al meenden dat het Erdoğan met het vredesproces hoofdzakelijk om de verwezenlijking van zijn presidentieel systeem te doen was, leken opeens gelijk te krijgen.

Er is nu ook kritiek te horen binnen de AKP zelf. Vicepremier en regeringswoordvoerder, Bülent Arinc, keurde Erdoğans plotselinge aanval op het vredesproces af. Op dezelfde dag waarop PKK-leider Abdullah Öcalan de Koerden opriep de wapens neer te leggen, herinnerde hij Erdoğan er aan dat de regering en de president verschillende verantwoordelijkheden hebben. De president mocht zich met andere woorden niet met het regeringsbeleid bemoeien, vond Arinc. Nooit eerder sprak een AKP-minister zich zo expliciet uit tegen Erdoğan. Zijn woorden kwamen ongetwijfeld hard aan, want Arinc is medeoprichter van de AKP en heeft dus zeker gewicht in de schaal te leggen binnen de partij. Toch vond Erdoğan binnen de AKP ook iemand die het publiekelijk voor hem opnam. De burgemeester van de Turkse hoofdstad Ankara, Melih Gökcek, reageerde via Twitter furieus op de uitspraken van Arinc en riep premier Davutoglu op om hem te ontslaan. Volgens Gökcek diende Arnic de belangen van de 'parallelle structuur' - zoals gesteld is dat AKP-jargon voor de beweging van Fethullah Gülen. Arinc sloeg terug door Gökcek ervan te beschuldigen 'zelf op de schoot van de Gülen-beweging' gezeten te hebben door haar grond te verkopen in Ankara.

Arinc manifesteerde zich al vaker als een dwarsligger voor Erdoğan. Zo waarschuwde hij begin maart 2015 tegen een presidentieel systeem met te weinig mogelijkheden voor democratische controle. Verder stelde Arinc dat het niet goed zou zijn om aspecten over te nemen van 'derde- en vierdewereld landen' om een presidentieel systeem samen te kunnen stellen in Turkije. Wellicht maakt Arinc van zijn hart geen moordkuil omdat hij zich niet nogmaals verkiesbaar kan stellen. Zijn derde en laatste termijn als minister zit er immers bijna op. De statuten van de AKP sluiten een vierde termijn uit. In ieder geval vindt hij begrip bij oud-president Abdullah Gül, die zich eveneens zorgen maakt over de invulling die Erdoğan aan een presidentieel systeem wil geven. Gül is eerder voorstander van een verbetering van het huidige parlementaire systeem.

Cliëntelisme

Veel Turken menen dat er nu al sprake is van een soort presidentieel systeem in hun land. Erdoğan manifesteerde zich al snel tot een president die het, in tegenstelling tot zijn voorgangers, niet hoofdzakelijk bij ceremoniële taken wil laten. Zo zat hij dit jaar drie keer een ministerraad voor, terwijl de grondwet dat alleen in exceptionele gevallen toestaat. Daarnaast greep hij verschillende malen persoonlijk in, toen de regering beslissingen wilde nemen die niet naar zijn zin waren. Zo ontstond de indruk dat de premier niet langer de hoogste autoriteit is, zoals bepaald wordt door de grondwet, maar de president. Verder verplicht die grondwet de president ertoe zich boven de politieke partijen te plaatsen. Eerdere presidenten deden dat dan ook. Erdoğan maakt er echter geen geheim van dat hij als president volledig aan de kant van de AKP staat.

Ondanks dat er nu al sprake lijkt van een semi-presidentieel systeem zullen een nieuwe grondwet en een volledig presidentieel systeem, Erdoğan nog meer reikwijdte geven. Hij zou dan bijvoorbeeld staatsinstanties naar zijn pijpen kunnen laten dansen die nu nog onafhankelijk opereren. Of Erdoğan echt dergelijke mogelijkheden gaat krijgen, hangt zoals eerder beschreven af van de verkiezingsuitslag. Als de rechtse Partij van de Nationalistische Beweging (MHP) en de linkse Democratische Volkspartij (HDP) er in slagen om effectief meer zetels te bemachtigen en de seculier-nationalistische Republikeinse Volkspartij (CHP) niet gigantisch onderuit gaat, zal dit alles zich onvermijdelijk vertalen in verlies voor de AKP. Erdoğans partij heeft echter nog altijd een sterke uitgangspositie. Die is voor een belangrijk deel gebaseerd op cliëntelisme: het belonen en vasthouden van stemmers via de distributie van goederen, en het uitkeren van geld. Hoewel dit altijd al een aspect is geweest van de Turkse politiek, heeft deze praktijk de laatste dertien jaar een hoge vlucht genomen. Tegenwoordig kan zelfs van 'massa-cliëntelisme' gesproken worden. Het budget voor sociale programma's in dit kader is sterk gegroeid. De links-nationalistische coalitie waar Turkije door bestuurd werd voor de AKP in 2002 aan de macht kwam, besteedde jaarlijks 532 miljoen euro aan dit soort van sociale steun. Vorig jaar ging het om 11,8 miljard euro. Om de omvang van dit bedrag in enig perspectief te plaatsen: het staat ongeveer gelijk aan de buitenlandse langetermijninvesteringen in Turkije gedurende 2014.

De AKP kent een neoliberaal economisch beleid, wat geleid heeft tot een puissant rijke bovenlaag, terwijl de gemiddelde lonen, met een minimum maandinkomen van 391,45 euro, laag bleven. Bovendien is er veel werkloosheid. Volgens de laatste officiële cijfers is de werkloosheidsgraad 11,6%, maar omdat meer dan 40% van de beroepsbevolking uit 'niet-geregistreerde' arbeiders bestaat (lees: zwartwerkers) en de werkloosheid die onder hen ontstaat niet wordt meegeteld, ligt het werkelijke cijfer veel hoger. Door de lage lonen en de hoge werkloosheid, leven veel Turken onder de armoedegrens - een deel daarvan zelfs onder de hongergrens. Gedurende de eerste jaren van het AKP-bestuur nam de armoede af, maar in 2007 kwam een einde aan die tendens. Ruim 3 miljoen gezinnen zijn daardoor afhankelijk van de door de AKP geboden steunprogramma's. De Turkse gezinnen tellen gemiddeld 4 personen dus dat komt neer op meer dan 13 miljoen inwoners. In werkelijkheid zijn nog veel meer burgers afhankelijk van hulp omdat er ook steun wordt geboden door provincies, gemeenten en stadsdelen die door de regeringspartij worden bestuurd. Zo voorziet de door de AKP bestuurde hoofdstad Ankara een miljoen inwoners van voedsel, kleding en brandstof voor verwarming. Het gevolg is een hechte band tussen de AKP en de laagst gesitueerde groepen van de maatschappij, waarbij de partij dan ook een brede basis heeft. Een vergelijking tussen het partij-cliëntelisme in Turkije en de algemene en gelijkmatig verdeelde sociale voorzieningen in West-Europa gaat niet op. De wijken en districten waar de AKP veel stemmers vindt, ontvangen bijvoorbeeld volop steun, terwijl delen van Zuidoost-Turkije waar vooral op de HDP gestemd wordt, niets krijgen. De ontvangers beschouwen het ook niet als een steuntje in de rug van de staat, maar van de AKP. De vrees voor een stopzetting van de sociale programma's maakt stemmen op de AKP voor velen onderaan de sociaaleconomische ladder zo tot een vrijwel vanzelfsprekende zaak. De beperkte vrijheid van meningsuiting onder de AKP wordt daarbij voor lief genomen, en corruptie zelfs vergoelijkt als bron van liefdadigheidsfondsen. De sociale programma's zijn op die manier een uiterst efficiënte methode om verkiezingswinst veilig te stellen. De oppositie, die het aan middelen ontbreekt om de stemmers massaal voor hun loyaliteit te belonen, ervaart het als oneerlijke concurrentie dat de AKP langs deze weg haar grip op miljoenen sociaal lager gesitueerde burgers kan behouden. Het is echter de vraag of de sociale programma's aan de huidige omvang volgehouden kunnen worden op langere termijn. De teruglopende groei van de Turkse economie kan de AKP parten gaan spelen bij het reserveren van het hiertoe bestemde miljardenbudget. Al zal dit echter nog geen rol spelen in de verkiezingen van juni.

Peter Edel is auteur van 'De diepte van de Bosporus, een politieke biografie van Turkije', 2012, Uitgeverij EPO, Antwerpen. Dit artikel verscheen in het tijdschrift Vrede van mei-juni.

steun ons

© 2021 vrede vzw - website by