Artikel
Ludo De Brabander
Printvriendelijke versie

De Irakese oppositie: corruptie, rivaliteit en verdeeldheid

Sinds oktober 1998 is 'regime change' de officiële politiek van de Verenigde Staten. Op 31 oktober 1998 werd die beleidslijn formeel vastgelegd in de 'Iraq Liberation Act' (ILA). Een van de centrale elementen daarin is de steun aan de Irakese oppositie.

Sinds oktober 1998 is 'regime change' de officiële politiek van de Verenigde Staten. Op 31 oktober 1998 werd die beleidslijn formeel vastgelegd in de 'Iraq Liberation Act' (ILA). Een van de centrale elementen daarin is de steun aan de Irakese oppositie. Die is echter tot vandaag hopeloos verdeeld, al moeten allerlei bijeenkomsten het tegendeel aantonen. Sinds het aantreden van Bush lijkt Washington zijn hoop te vestigen op een aantal gevluchte officieren. Die hebben stuk voor stuk een mensenrechtenreputatie die niet moet onderdoen voor die van hun voormalige president.

Toen de ILA werd goedgekeurd verklaarde VS-president Clinton: "We kijken uit naar een nieuw leiderschap dat de steun heeft van de Irakese bevolking. De Verenigde Staten voorzien in steun aan oppositiegroepen uit alle sectoren van de Irakese gemeenschap wat kan leiden tot een populair gesteunde regering".

Sindsdien is de politieke koers ten aanzien van Irak niet meer veranderd en staat alles in dienst van 'regime change'. Met andere woorden, de massavernietigingswapens zijn slechts het breekijzer om tot de val van het regime van Saddam Hoessein te komen. Waarom dan deze omweg? Het agenderen van 'regime change' ligt binnen de VN-Veiligheidsraad veel moeilijker, wegens absoluut niet in overeenstemming met het principe van niet-inmenging (soevereiniteit van naties), zoals bepaald in het VN-charter.

COUP STRATEGIE

De ILA moet de oppositie helpen klaarstomen voor het post-Saddamtijdperk. De grote zorg daarbij is niet alleen de vrees voor een machtsvacuüm. Washington doet enorme inspanningen om de oppositie te stroomlijnen zodat gegarandeerd wordt dat de toekomstige machthebbers rekening houden met de verzuchtingen van Washington. Onder de ILA erkent Washington 6 oppositiegroepen die dan ook kunnen rekenen op financiële steun. Het gaat om het Irakees Nationaal Congres (INC), het Irakees Nationaal Akkoord (INA), de twee Koerdische fracties in de 'Koerdische Autonome Regio', PUK (Patriottische Unie van Koerdistan) en KDP (Koerdische Democratische Partij), de Hoge Raad van de Islamitische Revolutie in Irak (SCIRI) en een smalle Hasjemitische monarchistische groep (Movement for Constitutional Monarchy). De VS heeft voor de oppositie jaarlijks 98 miljoen dollar veil.

Steun aan de oppositie is niet nieuw. Na de Golfoorlog kwam er heel wat steun via de CIA. Maar dat liep uit op een sisser. Verschillende oppositiegroepen kregen het in 1996 militair zwaar te verduren. Tussen 1996 en 1998 was er dan ook weinig enthousiasme om de zwakke en sterk verdeelde oppositie te steunen en koos de regering Clinton eerder voor een politiek van 'containment'. Maar de discussies over de inspecties van massavernietigingswapens en het mislukken van UNSCOM (de speciale inspectiecommissie) deed Washington opnieuw teruggrijpen naar de 'coup strategie'. Ditmaal zou het veel openlijker gespeeld worden en steun niet langer voornamelijk via de CIA verlopen.

Nog voor de goedkeuring van de ILA stroomde er opnieuw geld voor allerlei activiteiten van de oppositie. In het voorjaar van 1998 werd 5 miljoen dollar voorzien als 'Economic Support Funds' (ESF). Nog eens 5 miljoen dollar werd gestort voor de werkzaamheden van 'Radio Free Iraq', een propagandazender die vanaf oktober 1998 vanuit Praag uitzendingen verzorgt onder de directie van Radio Free Europe/Radio Liberty. Ook werden de mensenrechtenschendingen in Irak voor propagandadoeleinden gebruikt. Een van de organisaties die vanaf 1998 geld ontvangt uit Washington is de 'International Campaign to Indict Iraqi War Crimininals' (INDICT). In totaal zou 9 miljoen dollar gespendeerd worden naar onderzoek en publicaties rond oorlogsmisdaden. Ook na de goedkeuring van ILA blijft ESF als apart financieel kanaal bestaan. In de periode 1998 tot 2002 gaat het over in totaal 78 miljoen dollar.

REGIME CHANGE

President Bush zou nog consequenter de politiek van 'regime change' nastreven en naast de uitbouw van een brede oppositiebeweging zijn hoop vestigen op voormalige officieren die voldoende ervaring hebben om militair het terrein te effenen en daarbij zelfs in staat worden geacht om het nieuwe regime in Bagdad te leiden. Washington is op zoek gegaan naar een mogelijke opvolger onder de hoge officieren die er de laatste 15 jaar in geslaagd zijn Irak te ontvluchten. Resultaat is een groep van 62 officieren die van Washington een nieuwe bestuursraad moeten vormen.De meeste zijn lid van de Iraqi National Coalition (opgericht in maart 2000 door Tawfiq Al-Yasseri, een voormalig hoofd van de Irakese Militaire Academie) dat nauwe banden heeft met het Irakees Nationaal Congres (INC) van Ahmed Chalabi. Anderen zitten in dubieuze clubjes als de Iraqi National Movement (opgericht in 2001, met mensen als Hassan Al-Naqib en Hatim Mukhlis), de Free Officers' Movement (opgericht in 1996 door ex-officier Najib Al-Salhi) en de Higher Council for National Salvation (opgericht in augustus 2002 met aan het hoofd Wafiq Al-Samarra'i, een voormalig hoofd van de Irakese inlichtingendiensten). Stuk voor stuk organisaties waarin de hoofdrolspelers met elkaar gemeen hebben dat ze een belangrijke plaats bekleedden in een dictatuur die door Washington al jaren wreedaardig wordt genoemd. Nu ze in de oppositie zitten blijken ze wonderwel te passen in Washington's 'coup scenario' en worden enkelen onder hen zelfs naar voor geschoven als mogelijke opvolger van Saddam Hoessein.

Een naam die frequent wordt genoemd, is die van Generaal Nizar Al-Khazraji (vermoedelijk lid van de Higher Council of National Salvation – zowel hij als de organisatie bevindt zich in Denemarken). Maar een streep door de rekening is dat hij in Denemarken onder huisarrest is geplaatst. De Deense minister van Justitie heeft een onderzoek tegen hem geopend naar vermeende oorlogsmisdaden. Al-Khazraji verliet Irak in 1996. Hij was stafchef van het Irakese leger van 1980 tot 1991. Volgens mensenrechtenorganisaties was hij verantwoordelijk voor de 'Anfal', een grootschalige militaire operatie waarbij duizenden Koerden werden vermoord, 2.500 dorpen verwoest en 182.000 mensen 'verdwenen'.

Een andere kandidaat van Washington is Najib Al-Sahli van de Free Officers' Movement. Volgens het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken is hij de 'snel rijzende ster'. Al-Sahli was commandant van een gepantserde divisie van de Republikeinse Garde tijdens de Golfoorlog. Hij speelde een belangrijke rol tijdens de invasie van Koeweit en bij het neerslaan van de opstand in het Shi'itische zuiden na de Golfoorlog. De uitermate repressieve wijze waarop dit gebeurde zorgde voor honderdduizenden vluchtelingen.

VERDEELDE OPPOSITIE

De regering Bush heeft grote inspanningen geleverd om deze ex-militairen met elkaar, maar ook met het INC van Chalabi en andere groepen in contact te brengen. In juli 2002 kwamen op een bijeenkomst van de oppositie voor het eerst meer dan 70 ex-militairen af.

Maar vooralsnog zit Saddam Hoessein stevig in het zadel en lijkt het maar niet te lukken om de oppositie op een lijn te krijgen. Niet alleen is een deel ervan sterk gekant tegen VS-bemoeienissen of tegen een door de VS geleide oorlog (zoals de historisch belangrijke Irakese Communistische Partij). Ook binnen de door de VS erkende en gesteunde oppositie is het alles behalve koek en ei. Dat bleek nogmaals tijdens de door de VS gesponsorde bijeenkomst van de Irakese oppositie in Londen van 14 tot 16 december 2002.

Deze conferentie kon rekenen op ruime belangstelling van de internationale pers en werd bijgewoond door 330 delegatieleden van de oppositie. Onder druk van de VS kwam het tot een gemeenschappelijke verklaring. Daarin heet het dat er gestreefd wordt naar een staatsbestel dat democratisch, pluralistisch en federaal is. Dit volgens een concept gebaseerd op gelijkheid en zonder discriminatie op grond van religie of ras – het gelijkheidsbeginsel tussen man en vrouw staat er niet in. Islam zou staatsreligie moeten worden. Opmerkelijk is dat de olie niet vergeten wordt. De 'internationale gemeenschap' wordt gevraagd om Irak na de val van het regime van Saddam Hoessein, het land in staat te stellen "om de maximum capaciteit te bereiken van de olie-export." Verder stelt de verklaring: "De conferentie roept de nieuwe regering op om alle olie-, commerciële en economische akkoorden die Irak heeft getekend sinds 1991 met buitenlandse bedrijven en landen te herzien (...)". Daarmee wordt aan een eis van Washington tegemoet gekomen, waar met lede ogen wordt gekeken hoe Frankrijk en Rusland economische relaties blijven onderhouden met Bagdad.

Hoewel de verklaring onderstreept dat men zich kant tegen elke buitenlandse militaire bezetting spreekt het document zich niet expliciet uit tegen een oorlog. Wel staat er volgende dubbelzinnige zinsnede: "De conferentie vraagt de internationale gemeenschap om de Irakese bevolking te steunen zodat het bevrijd wordt van het dictatoriaal regime."

Er werd in Londen een 'follow-up committee' gevormd bestaande uit 65 leden, dat op 15 januari in de Koerdische Autonome Regio opnieuw bijeenkomt.

De hele 'eenheidsshow' kon niet verhullen dat er grote meningsverschillen bestaan tussen de verschillende oppositiegroepen. Vooral de virulente pro-VS politiek van de leider van INC, Ahmed Chalabi stuit op groeiend ongenoegen van de meeste andere groepen, niet in het minst van de door Teheran gesteunde SCIRI, een oppositiepartij van het Shi'itische zuiden. SCIRI weigerde trouwens tot augustus 2002 openlijk elke samenwerking met de VS.

AHMED CHALABI

Het INC werd in 1992 opgericht als een koepel van hoofdzakelijk oppositieleden uit de Shi'itische en koerdische regio. Ahmed Chalabi, de leider van het INC, is ongetwijfeld een sleutelfiguur in de Irakese oppositie. Hij kan rekenen op de steun van een belangrijk deel van het Amerikaans Congres en delen van het Pentagon, meer bepaald de rechtse en extreem-rechtse vleugel ervan (o.a. onderdefensieminister Paul Wolfowitz en het hoofd van het 'Defence Policy Board' van het Pentagon, de superconservatieve Richard Perle.). Via Washington onderhoudt men ook zeer goede contacten met de rechter zijde in Israël (Sharon en Netanyahu). Chalabi is geen onbesproken figuur. In 1989 moet hij hals over kop Jordanië ontvluchten omdat hij 70 miljoen dollar zou verduisterd hebben als directeur van de Petra-bank. Nog steeds wordt hij vanuit alle hoeken beschuldigd vooral zijn eigen zakken te vullen. Het voormalige hoofd van het centrale commando van de VS-strijdkrachten in het Midden-Oosten, Generaal Anthony Zinni, deed smalend over wat hij die "zijdegeklede en Rolex-dragende gasten in Londen" noemde. De voormalige VS-ambassadeur in Saudi-Arabië, James Akins, noemt hem een 'criminele bankier'. "Wetende dat Chalabi de man van Amerika is, doet ons lijken op gekken, niet alleen in Irak, maar in de hele regio", aldus Akins.

Chalabi's agenda gaat veel verder dan louter 'regime change' en maakt de werkelijke bedoeling van de VS duidelijk. Midden oktober had Chalabi een aantal ontmoetingen met drie belangrijke Amerikaanse oliebedrijven. Wat hij van plan is hoeft weinig verbeelding: "Amerikaanse oliebedrijven zullen een 'big shot' krijgen in Iraakse olie", aldus Chalabi in "The Washington Post".

Economisten verbonden aan INC plannen de 'denationalisering' van de Irakese olie-industrie om die onder controle te plaatsen van Amerikaanse oliebedrijven. Hetzelfde artikel in "The Washington Post" laat uitschijnen dat het einde van het Saddam-regime wel eens een aanval op OPEC kan worden, wanneer het nieuwe regime er voor kiest buiten de OPEC te werken. James Akins drukt het plastisch uit: "We nemen Irak over, installeren ons regime, produceren olie tot de maximum capaciteiten en vertellen Saoedi-Arabië om naar de hel te lopen". De conservatieve think tanks in de VS laten er geen twijfel over bestaan. De olie-industrie moet met de hulp van een nieuw regime geprivatiseerd worden ter meerdere eer en glorie van de Amerikaanse oliebedrijven en de Amerikaanse energiebehoeften. Het INC staat het meest garant voor deze agenda.

 

Noten

 

1

Statement by the president. The White House. Office of the Press Secretary, 31 Oktober 1998 (zie http://www.monde-diplomatique.fr/cahier/irak/iraqliberationact). De tekst van de Iraq Liberation Act (P.L. 105-338 van 31 oktober 1998) is te consulteren op: http://www.fcnl.org/issues/int/sup/iraq_liberation.htm

2

Ludo De Brabander. Hypocrisie rond massavernietigingswapens in het Midden Oosten. In Uitpers nr. 34, oktober 2002

3

Kenneth Katzman. Iraq: US Efforts to change the regime. Report for the Congress. Congressional Research Service, 3 oktober 2002

4

Guido van Leemput. Irak heeft nieuwe leider al democratisch verkozen. In: De Koerden, nr 7, juli-augustus 2002

5

Nick Cohen. The last thing the US wants is democracy in Iraq. In: The Observer, 28 juli 2002; Effort To Oust Saddam Out In Open. in: CBS news, 12 maart 2002 (zie http://www.cbsnews.com/stories/2002/03/12/world/main503501.shtml op 6 september 2002); Zie ook: On US preparations to topple Saddam Hussein. In: Arabic News.com, 15 februari 2002 (zie: http://www.arabicnews.com/ansub/Daily/Day/020215/2002021507.html op 6 september 2002)

6

The Sunday Herald, 22 september 2002

7

ibidem

8

The political statement of the Iraqi Opposition Conference in London. In: Kurdistan Observer (http://www.kurdistanobserver.com), 20 december 2002.

9

Oorspronkelijk was er sprake van 50 leden, dan werden het 65 en sommige bronnen zeggen dat er uiteindelijk is beslist om een 75 koppig comité te vormen. De SCiRI zou daarin het grootst aantal zetels hebben gekregen.

10

Robert Dreyfuss. Tinker, Banker, NeoCon, Spy. Ahmed Chalabi's long and winding road from (and to?) Baghdad. In: The American Prospect, 18 november 2002

steun ons

© 2020 vrede vzw - website by