Artikel
Pieter Teirlinck
Printvriendelijke versie
"De strijd tegen de klimaatverandering zal voor een geopolitieke aardschok zorgen"

"De strijd tegen de klimaatverandering zal voor een geopolitieke aardschok zorgen"

Interview met Mathias Bienstman van BBL

“Met de huidige stijgende CO2-emissies zit de wereld perfect op schema om af te stevenen op een opwarming van de aarde met 3,6 °Celsius tegen het einde van deze eeuw”, dixit Fatih Birol, hoofdeconoom van het Internationaal Energie Agentschap. Een absoluut rampscenario wetende dat de huidige opwarming van 0,8 °C al leidt tot extreme weerpatronen en een aanhoudende stroom van klimaatvluchtelingen. Het wordt hoog tijd om een bindend politiek akkoord te sluiten dat de opwarming van de aarde een halt kan toeroepen. Waarom blijft zo'n akkoord voorlopig uit? We vroegen het aan Mathias Bienstman, beleidsmedewerker voor klimaat, energie en mobiliteit bij de Bond Beter Leefmilieu (BBL), de Vlaamse koepelorganisatie van milieu- en natuurbewegingen.

De toon van de opeenvolgende rapporten van het VN-klimaatpanel (IPCC) wordt alsmaar grimmiger. De opwarming van de aarde gaat veel sneller dan gedacht en een nieuw internationaal akkoord over een limitering van de uitstoot van broeikasgassen laat op zich wachten. Is de VN-klimaatconferentie van Parijs die doorgaat in december 2015, de conferentie van de laatste kans?

Staten behartigen altijd hun belangen tijdens internationale onderhandelingen. Bij de klimaatonderhandelingen spelen ook de belangen mee van de staten die fossiele brandstoffen produceren of er erg afhankelijk van zijn. Er moet voortdurend gezocht worden naar manieren waarop belet kan worden dat deze staten het onderhandelingsproces vertragen of kapen. De fossiele belangen moeten op termijn geïsoleerd worden in de internationale context, maar zullen uiteraard niet spontaan ophouden te bestaan. Geen enkel land zal zomaar de status of het geld dat voortvloeit uit zijn reserves aan fossiele grondstoffen afstaan. Een concreet voorbeeld is de macht van Saoedi-Arabië die voortkomt uit de olie die het oppompt. Riyad zal nooit vrijwillig afstand doen van het recht in eigen land olie te exploiteren naar eigen goeddunken. Dat zal onder invloed van andere landen moeten gebeuren. Bepaalde krachtsverhoudingen tussen staten zullen dus moeten veranderen. Dat is een langzaam proces dat slechts met horten en stoten zichtbaar wordt in een nieuw klimaatregime. Het lijkt mij heel onwaarschijnlijk dat deze grote machtsstrijd binnen het jaar beslecht zal worden. In die zin is het dus niet de conferentie van de laatste kans. De invloed van de staten met fossiele belangen gestaag temperen, is een proces dat zich afspeelt op verschillende niveaus en via verschillende technieken. Dat proces moet absoluut verder gezet worden en zal moeten versnellen. Ik beklemtoon dit punt omdat het naar de toekomst toe even sterk zal spelen als de twee klassieke struikelblokken in de internationale klimaatonderhandelingen, en ze zelfs mee vorm geeft. Deze klassieke struikelblokken zijn ten eerste de kwestie van de inspanningsverdeling tussen de ontwikkelde, de opkomende en de ontwikkelingslanden, en ten tweede de kwestie van het juridisch statuut van het klimaatakkoord.

Wat is er nog nodig om dit proces tot een goed einde te brengen?

De doelstelling van het huidige klimaatregime is duidelijk. Tijdens de VN-klimaatconferenties van Kopenhagen (2009) en Cancun (2010) werd afgesproken om de klimaatopwarming onder de 2°C te houden. In het laatste IPCC-rapport werd deze doelstelling geconcretiseerd door ze te vertalen naar een hoeveelheid mondiale fossiele brandstofreserves (ongeveer 80%) die permanent onder de grond zou moeten blijven om het doel te halen. Naar de maximale hoeveelheid koolstoffen die wel nog verbrand zou mogen worden -niet meer dan 20%- wordt verwezen als het 'emissiebudget' of 'koolstofbudget'. Er zijn zelfs al studies die dat koolstofbudget geografisch (dus per land) toewijzen, anders blijft het een zeer abstract begrip. Zo krijgen we een concreet inzicht in welke reserves op welke plaatsen ter wereld, niet meer opgepompt of gedelfd mogen worden. Dit geeft onmiddellijk ook een kijk op de geopolitieke strijd van de komende decennia. Over de details kan natuurlijk nog gediscussieerd worden, maar de grootteordes beginnen zich duidelijk af te tekenen. Canada zou bijvoorbeeld zeker 85% van zijn vastgestelde oliereserves niet mogen ontginnen. Nu de doelstelling geformuleerd is, beginnen we te bevatten wat dit concreet zou betekenen in termen van economisch- en machtsverlies voor landen met belangrijke fossiele brandstofvoorraden.

Iets wat nog niet afgesproken is binnen het huidige klimaatregime en dus op de onderhandelingstafel ligt, is de precieze inspanningsverdeling aan de vraagzijde. Hoeveel uitstootreductie willen de verbruikers van fossiele brandstoffen realiseren? Concrete doelstellingen zijn dringend nodig, want wanneer de vraag naar fossiele brandstoffen vermindert, zal de aanbodzijde logischerwijze volgen.

Maar de EU heeft toch al duidelijke engagementen aangegaan? En ook de VS en China sloten in november 2014 nog een bilateraal akkoord over emissiereducties.

Als we verder doen zoals nu, dan komen we op het einde van de eeuw uit op een temperatuurstijging van 4 °C. De inspanningen die de VS, China en de EU nu willen leveren om hun uitstoot te verminderen, zijn samen goed voor een opwarming van ‘slechts’ 3 °C. De VS wil zijn uitstoot van broeikasgassen verminderen met 26 tot 28% tegen 2025. China wil zijn uitstoot doen zakken vanaf ten laatste 2030. Wat vooropgesteld wordt, volstaat nog niet, maar als de klimaattop van Parijs deze engagementen in een soort akkoord kan gieten, dan is dat politiek toch relevant. Als de grote economische landen in de huidige multipolaire wereld er in slagen dergelijke criteria overeen te komen, dan ontstaat er een raamwerk dat ook voor ambitieuzere doelstellingen gebruikt kan worden. Er komt een begrip tot stand van de manier waarop we collectief die uitdaging moeten aangaan. In die zin is Parijs wél de conferentie van de laatste kans. Als het raamwerk er nu niet komt, komt het er waarschijnlijk nooit binnen de VN.

Het akkoord dat de VS en China onlangs sloten, betekent een enorme stap vooruit. Het zijn immers de twee grootste vervuilers ter wereld. Ze produceren samen meer dan de helft van alle broeikasgassen. Als we daar nog de EU bijtellen, dan zitten we bijna aan twee derde van alle broeikasemissies. Als deze landen een onderlinge verstandhouding vinden, dan is de kans groot dat ze andere landen meekrijgen. In dat geval krijgen we wellicht een situatie waarin de invloed van de grote producenten van fossiele brandstoffen ingeperkt kan worden. Ook de kans op een concrete verdeling van de klimaatinspanningen is enorm gegroeid door de deal tussen China en de VS. Maar om tot een goede verdeling te komen, zouden ook de opkomende industrielanden zoals Brazilië en India betrokken moeten worden in een deal. Bovendien moet er een duidelijk zicht komen op de intenties van andere geïndustrialiseerde landen zoals Japan, Canada en Australië, die zich onder invloed van de omstandigheden (de Fukushima-ramp) of hun fossiele belangen (respectievelijk teerzand en steenkool) terugtrokken uit het Kyoto-protocol [een akkoord dat momenteel de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen reguleert]. Als Japan of Australië veel te weinig inspanningen leveren, dan kan dat aangegrepen worden door pakweg India om te weigeren mee te werken, waardoor het hele opzet mislukt. Er zullen minstens wederzijdse akkoorden moeten komen tussen de grootste vervuilers en de grootste groeilanden. Als er in de conferentie van Parijs geen inspanningsverdeling overeengekomen wordt, dan betekent dit een drama. Het VN-klimaatregime zal dan uit elkaar vallen en het maken van klimaatafspraken zal dan wellicht verhuizen naar andere internationale fora waarin de grootste vervuilers samenzitten, zoals de G8 of de G20. In deze fora kunnen zij ook een akkoord over inspanningsverdeling sluiten, maar dan valt het rechtvaardigheidsaspect volledig weg. Alle afspraken rond klimaatfinanciering [compensatie] waar de arme landen op rekenen, gebeuren immers enkel binnen het VN-kader.

Worden de onderhandelingen op het terrein niet ingehaald door de realiteit? De economische groei van de VS in 2014 ging blijkbaar niet gepaard met een navenante stijging in het olieverbruik. En de internationale olieprijs is enorm gezakt omdat het olie-aanbod de olievraag overstijgt.

De wereldwijde economische groei ligt momenteel lager dan verwacht. Het is interessant dat de huidige situatie hetzelfde effect heeft van een doeltreffend klimaatbeleid. Voor alle duidelijkheid, wat nu plaatsvindt, vloeit zeker niet voort uit het huidige klimaatbeleid, maar bij een probaat klimaatbeleid zou de mondiale vraag naar olie, gas en steenkool ook moeten afnemen. De productie van fossiele brandstoffen volgt de daling van de vraag niet onmiddellijk, aangezien de investeringen in de exploitatie van fossiele brandstoffen niet direct kunnen teruggeschroefd worden. De prijzen dalen dus wegens een overaanbod (dat is wat we nu meemaken). De uitdaging is om op dat ogenblik via fiscaliteit, bijvoorbeeld met een extra CO2-heffing, de dalende prijs van fossiele brandstoffen op te vangen, anders zetten de goedkopere prijzen aan tot een meerverbruik.

Je poneerde onlangs de provocerende stelling dat lagere brandstofprijzen een goede zaak kunnen zijn voor het klimaat.

Wat nu gebeurt, moet goed bestudeerd worden en is omwille van verschillende redenen niet vanzelfsprekend een slechte zaak voor het klimaat. Ten eerste zijn de ecologisch meest omstreden olieprojecten meestal ook de duurste (arctische olie, teerzandolie, schalie-olie, diepzee-olie,...). Het feit dat de ontginning van deze olie nu uit de markt geprijsd wordt, is op zich al een goede zaak voor het milieu. Een tweede zaak is de prijselasticiteit. In hoeverre veert het olieverbruik op bij dalende prijzen? Uit studies blijkt dat bij een 10% daling van de brandstofprijs, het verbruik slechts met 2% stijgt. We worden nu geconfronteerd met een daling van bijna 50% van de prijzen op de oliemarkt, waardoor het verbruik met 10 à 15% zou moeten stijgen - dramatisch voor het klimaat. Maar wat blijkt? Onder meer door de opgelegde strengere emissienormen voor nieuwe auto’s in de VS, EU, China en Japan, stijgt het het brandstofverbruik minder dan vroeger. Dit effect wordt wel voor een stuk tenietgedaan door het groeiende wagenpark en het stijgend aantal afgelegde kilometers in de opkomende economieën. De laatste decennia was het zo dat elke eenheid economische groei gepaard ging met een bepaalde hoeveelheid extra olie aan de vraagzijde. Vandaag de dag lijkt die samenhang veel minder groot te zijn, wat leidt tot een verstoring van het evenwicht tussen vraag en aanbod op de oliemarkt. Het is natuurlijk wel zo dat het grootste deel van de lagere olievraag te wijten is aan de huidige groeivertraging in China en de EU. Maar de toegenomen efficiëntie van het transport, dat toch instaat voor 60% van het wereldwijde olieverbruik, heeft ook haar effect op de olievraag. Die efficiëntie komt er door klimaatmaatregelen.

Hoe geloofwaardig vind jij de hypothese dat de huidige lage olieprijzen een gevolg zijn van een bewuste strategie van Saoedi-Arabië om zijn aandeel in de oliemarkt te vergroten?

Volgens die hypothese zouden olierijke landen ervoor kiezen om hun eigen oliereserves zo snel mogelijk op de markt te gooien met het oog op een nakend streng klimaatregime. Ik denk niet dat Saoedi-Arabië die strategie vandaag al hanteert, maar het is zeker een interessant gegeven naar de toekomst toe. Dan zal er zeker een gevecht ontstaan tussen de olieproducerende landen om het eigen marktaandeel te behouden. Bij een klimaatregime dat de temperatuurstijging onder de 2 °C wil houden, zou immers nog maximaal 65% van de resterende mondiale oliereseves opgepompt mogen worden. Olieproducerende landen zullen echter allemaal een zo groot mogelijk marktaandeel willen behouden. Ik geloof dat de huidige Saoedische houding, waarbij een overaanbod aan olie op de markt gegooid wordt, veeleer ingegeven is door geostrategische bekommernissen. Een lagere olieprijs heeft immers een negatief effect op de staatsinkomsten van Saoedi-Arabië's regionale rivaal Iran en kan de schalie-oliebonanza in de VS wat temperen.

Carbon Tracker is een Britse ngo die de financiële wereld tracht te overtuigen om fondsen uit de koolstofindustrie terug te trekken en te investeren in een koolstofarme toekomst. Ze verwijst naar het enorme verlies dat een officiële invoering van een emissiebudget met zich mee zal brengen voor de financiële spelers met grote investeringen in de olie-industrie. Zowel Shell als ExxonMobile voelden zich vorig jaar al verplicht om dit gevaar te minimaliseren naar hun aandeelhouders toe.

De logica van dat verhaal is enorm dwingend. De doelstelling van 2°C is internationaal afgesproken in 2010. De bestaande oliereserves en de hoeveelheden die niet mogen opgepompt worden om dit doel te bereiken zijn gekend. Een deel van de olie-industrie is beursgenoteerd en via de markt zal een correctie ten gevolge van een klimaatakkoord wellicht nog vrij overzichtelijk verlopen. Bedrijven als Shell zien hun beurswaarde dalen bij een dalende olieprijs. Als de industrie zich zou moeten schikken naar een beperkt emissiebudget, zal dit wellicht niet het effect hebben van een zeepbel die uiteenspat en alles destabiliseert, hoewel dat voor de schalie-oliebedrijven in de VS niet uitgesloten is. Heel belangrijk is het feit dat de meeste olievoorraden in handen zijn van staten, en beheerd en uitgebaat worden door staatsondernemingen die behoren tot de grootste oliebedrijven ter wereld zoals 'Petroleos de Venezuela', de Nationale Iraanse Oliemaatschappij of 'Saudi Aramco'. De interessante vraag is: hoe zullen de landen reageren die totaal afhankelijk zijn van hun olie-inkomsten voor het bestendigen van hun binnenlandse stabiliteit en hun buitenlandse macht? De reden waarom Venezuela een onafhankelijke koers kan varen, is deels te wijten aan zijn aanzienlijke olie-inkomsten. Hetzelfde geldt voor verschillende landen in het Midden-Oosten of Rusland. Waarom zouden die landen hun eigen stabiliteit en macht ondergraven door een bindend klimaatakkoord te sluiten in Parijs? Het mislukken van de klimaatonderhandelingen valt dus niet uni-causaal te verklaren. Het is niet enkel gelegen aan het kapitalistisch systeem of aan de onmacht van de milieuorganisaties. Het is een heel complexe kwestie waarbij allerlei machtsverhoudingen centraal staan.

Welke middelen dienen zich aan om de bestaande machtsverhoudingen te wijzigen?

Het zal een combinatie worden van verschillende zaken. Onder andere de ontwikkeling van technologieën waardoor we geen fossiele brandstoffen meer nodig hebben, een politiek beleid (van subsidies tot verplichte regelgeving) die de juiste economische voorwaarden schept om die technologieën op de markt te brengen én een enorme gedragswijziging bij de mensen inzake voedselconsumptie (minder vlees en melk), verwarming en transport. Eén oplossing voor dit amalgaam van uitdagingen is er niet.

België haalt geen inkomsten uit oliereserves maar produceert per inwoner een van de grootste koolstofemissies ter wereld. Hoe kan een klein, sterk bevolkt en geïndustrialiseerd land als België zijn koolstofemissies reduceren?

Een nulemissie in België wordt een moeilijke uitdaging. Vooral in de landbouwsector is het onmogelijk om alle uitstoot te beperken. De veeteelt produceert nu eenmaal massaal methaangas en lachgas. Via voedseladditieven voor het vee kan wat minder uitstoot gerealiseerd worden, maar de enige oplossing is minder vlees en zuivel eten. Via de landbouw zullen we dus altijd broeikasgassen blijven produceren. Voor de andere economische sectoren zullen we naar een enorme elektrificatie moeten gaan. Alle verwarming en energie voor gebouwen en transport zal elektrisch moeten gebeuren en de elektriciteit zullen we op een koolstofvrije wijze moeten produceren. De huidige scenario’s die België tegen 2050 koolstofarm moeten maken, mikken op emissiereducties van zo’n 80 tot 95%. Het is technisch gezien perfect haalbaar om een reductie van 80% te verwezenlijken, mits de import van een stuk groene energie uit het buitenland. Om de uitstoot met 95% te reduceren gaan we zeer veel moeite moeten doen. Maar na 2060-2070 moet Europa zelfs 'negatieve emissies' realiseren, dan zullen we dus via allerlei technologieën C02 en andere broeikasgassen permanent uit de atmosfeer moeten verwijderen. De beste technologie daarvoor blijkt nog steeds het absorptievermogen van bomen te zijn.

En wat met 'geo-engineering', pogingen om het klimaat te beïnvloeden door grootschalig in te grijpen in de natuurlijke processen van de aarde?

Dat is iets wat we hopelijk nooit nodig zullen hebben. Maar zeg nooit nooit. Als er over enkele decennia een kritisch kantelpunt overschreden wordt, waarbij we te maken krijgen met 'runaway global warming', een situatie waarin de klimaatverandering door allerlei zichzelf versterkende processen altijd maar sneller gaat, zullen veel bizarre ideeën op tafel komen. Maar geo-engineering is in zo'n situatie hoogstens een wanhoopspoging en zeker geen betrouwbare en wenselijke manier om klimaatverandering af te remmen. Bovendien kosten die technieken veel meer dan het voorkomen van de klimaatverandering. Volgens het VN-klimaatpanel zou het vermijden van de 2°C opwarming zelfs geld opbrengen. In theorie betalen energiebesparende investeringen zich op termijn immers terug door de lagere energiekosten. Een dergelijke energietransitie zou een einde maken aan de enorme geldstroom van energieverbruikende landen naar olieproducerende landen, wat nog maar eens de enorme geopolitieke consequenties illustreert die verbonden zijn aan een sluitend klimaatakkoord. Louter technisch en financieel gezien is de opwarming van de aarde beperken tot 2°C echter perfect haalbaar.

Hoe kunnen de overheden in België de koolstofuitstoot bijsturen? Subsidies voor energiebesparende maatregelen zijn voor jou in ieder geval niet heiligmakend.

Het is duidelijk dat we ons niet uit deze problematiek kunnen subsidiëren. De emissies zouden in België aan een tempo van 4 à 5% per jaar moeten dalen. In de praktijk halen we nog geen 1% per jaar, terwijl er al jaren subsidies bestaan voor energiebesparende maatregelen. De normering moet gewoon scherper, de fiscaliteit meer sturend en het draagvlak breder. Er wacht ons immers een enorm werk: het renovatietempo van gebouwen moet bijvoorbeeld zeker 4 keer hoger liggen. Renovatiewerken zijn duur, vooral door de hoge loonkost, maar fiscale maatregelen of een verschuiving van belastingen daar zouden een oplossing kunnen vormen. Fossiele brandstofprijzen moeten hoger belast worden en met dat geld kunnen we de loonlast verlagen. In essentie is de klimaattransitie een enorme bouwwerf en moeten de overheden de juiste omstandigheden creëren om de nodige werken uit te voeren. Er zijn momenteel wellicht niet eens genoeg vakmensen in het land om alle noodzakelijke renovatiewerken aan het nodige tempo uit te voeren.

Ook op Europees niveau kunnen er financiële maatregelen genomen worden.De rente op geld wordt bepaald door de Europese Centrale Bank (ECB) die tot op heden maar één doelstelling hanteert: de inflatie beheersen. Er zijn historisch gezien goede redenen om ervoor te zorgen dat geld zijn waarde behoudt, maar er zijn ook maatschappelijke uitdagingen. Ook de natuur moet zijn waarde behouden. De ECB zou een mandaat moeten krijgen om energiebesparende investeringen zeer goedkoop te maken en milieuverontreinigende investeringen duur.

Is het niet zo dat overheden in de praktijk nog steeds meer geld steken in fossiele dan in duurzame energie?

Volgens een studie van het Internationaal Energie Agentschap vloeit er per jaar wereldwijd 500 à 600 miljard dollar aan subsidies naar fossiele brandstoffen. Dat gaat vooral over verbruikssubsidies. In veel landen, bijvoorbeeld Iran, worden de brandstofprijzen kunstmatig laag gehouden voor de consumenten, onder meer om de interne stabiliteit te bewaren. Op mondiaal niveau gaat in verhouding slechts een vierde van de subsidies voor fossiele energie naar hernieuwbare brandstoffen. Het Europees niveau doet het beter. Daar zijn de verhoudingen ongeveer gelijk. Maar ook in Europa bestaan er verbruikssubsidies voor fossiele brandstoffen. In België krijgt de industriële sector bijvoorbeeld een voordeel van 2 miljard euro per jaar aan accijnsverlaging voor zijn olieverbruik en gaat er jaarlijks 3 à 4 miljard euro naar bedrijfswagens en tankkaarten. Sinds het Europees Emissiehandelsysteem (EST) werd ingevoerd moeten bedrijven emissierechten aankopen op de vrije markt als ze meer CO2 willen uitstoten dan hen is toegestaan. Energie-intensieve bedrijven hebben CO2-uitstootrechten gekregen van de overheid. Deze vrijstelling van CO2-rechten voor de Belgische industrie is weer een systeem van fossiele subsidiëring.

Werkt dat systeem van CO2-handel eigenlijk wel? De sociale kosten van een ton C02 liggen toch veel hoger dan de huidige marktprijs ervan?

Het uitdrukken van schade door klimaatopwarming in economische termen is natuurlijk een heel delicate berekening. Sommige zaken kan je gewoon niet uitdrukken in geld. De werkelijke prijs voor een ton CO2 op de Europese emissiehandelsmarkt bedraagt momenteel amper 7 euro. Maar de sociale kost van een ton CO2 wordt veel hoger geschat. Recente studies hebben het over 100, 200 en zelfs 300 dollar. In België stoten we jaarlijks 120 miljoen ton CO2 uit, of een slordige 12 ton CO2 per Belg. Wij richten dus (aan 200 euro sociale kost per ton CO2) voor 24 miljard euro schade aan per jaar. Vergelijken we dat met de totale welvaartscreatie van België op een jaar tijd, een Bruto Binnenlands Product (BBP) van 380 miljard euro, dan mogen we ons zeer serieuze vragen beginnen stellen. Als we de schade per sector bekijken dan stellen we vast dat sommige sectoren met hoge emissies gewoon waarde vernietigen in plaats van te creëren. De veehouderij vertegenwoordigt bijvoorbeeld minder dan 1% van het Belgisch BBP, maar produceert in verhouding enorm veel broeikasgassen. Puur economisch gezien, zouden we de veehouderij en de subsidies ervoor dus beter afbouwen. De prijs voor een ton CO2 moet dus voldoende hoog zijn om echt een effect te hebben. Maar emissiehandel is niet de enige manier om de uitstoot te verminderen. Er kan ook een CO2-heffing ingevoerd worden of normering op productniveau, zoals de emissienorm voor auto’s. Maar als we een normering voor alle producten individueel willen uitzetten, dan moeten we een uniform criterium uitwerken en dat is ongelofelijk complex. Daarom grijpt men terug naar kostenefficiëntie: welke ingrepen realiseren een daling van emissies aan de laagste kost? Dat is wat een CO2-heffing in theorie kan bewerkstelligen: kostenefficiënte emissie-reducties. Als het te betalen bedrag hoog genoeg ligt dan zouden de zeer vervuilende steenkoolcentrales onmiddellijk vervangen worden door hernieuwbare energie- of gascentrales voor de productie van elektriciteit. Het systeem van CO2-heffingen kan werken voor grote economische spelers die de marktlogica volgen. Maar consumenten redeneren om allerlei redenen niet zo rationeel. Normering en sensibilisering is zeker nodig in die domeinen waar een hogere prijs niet voldoende is om het consumptiegedrag bij te sturen.

Treft het systeem van koolstofheffing niet vooral de armsten? Mensen met een lage koopkracht komen amper rond, wonen in slecht geïsoleerde woningen en worden daarbovenop nog geconfronteerd met stijgende energieprijzen.

Welk systeem we ook hanteren, de prijzen zullen stijgen. Eisen we van de olieproducenten om per jaar 4% minder olie op te pompen bij een gelijkblijvende olievraag, dan zullen de prijzen stijgen. Werken we puur met normering dan zullen de producenten de meerprijs voor een energie-efficiëntere productie doorrekenen naar de consumenten, wat opnieuw resulteert in een prijsstijging. Willen we een rechtvaardige energietransitie dan moeten we aan herverdeling doen om de basisrechten mobiliteit en energie voor iedereen te garanderen. We kunnen de emissies niet verminderen door de energiekosten kunstmatig laag te houden. Dat zou een transitie alleen maar blokkeren. Verbruikers moeten er voor zorgen dat hun verbruik daalt en tegelijkertijd moet de overheid herverdelend werken. Als de overheid de prijzen verhoogt door extra koolstofheffingen dan beschikt ze over voldoende middelen om de lage inkomens en de uitkeringen op te trekken.

Ondanks alle onheilspellende prognoses komt het publiek niet massaal op straat om een strenger klimaatbeleid te eisen. Liggen de mensen wel wakker van de klimaatverandering?

Vorig jaar was er in New York een grote klimaatbetoging met meer dan 300.000 mensen. De klimaatbeweging groeit snel, ook in België, mede dankzij de populariteit van de 'Climate Express'. Met deze klimaattrein zullen activisten eind 2015 vanuit België naar de klimaattop in Parijs kunnen reizen (www.climate-express.eu). Met de andersglobalisten trokken we in het jaar 2000 met 30 personen naar de top van Praag. In 2013 waren we in Warshau met 700 Belgen voor de klimaatprotesten en in december 2015 verwachten we vanuit België met tienduizenden mensen naar Parijs te trekken. Volgens mij leeft het onderwerp enorm - vooral bij jongeren omdat zij een breder perspectief hanteren. Maar het klimaat blijft wel een moeilijk onderwerp voor mensen die klassiek in het leven staan. Mensen zijn gewoontedieren en we handelen doorgaans vanuit directe noden en belangen (koopkracht, gezin, ...). Klimaat is in die context geen evident onderwerp. Wat we winnen door een goed klimaatbeleid is ook moeilijk tastbaar te maken in het hier en nu. Dus in plaats van te hard te hameren op de nu nog vrij abstracte risico’s verbonden aan klimaatverandering, beklemtonen we beter de zaken waar we wel direct van kunnen genieten zoals een gezondere leefomgeving, betere luchtkwaliteit, jobcreatie, minder macht die voortvloeit uit olie-inkomsten, enzovoort. In het beste geval leidt dit tot een soort cultuuromslag waarbij consumentisme minder centraal staat.

steun ons

© 2019 vrede vzw - website by