Artikel
Ludo De Brabander
Printvriendelijke versie
“Het hele PKK-onderzoek is ontworpen op de Amerikaanse ambassade op verzoek van Turkije”. Interview met advocaat Jan Fermon

“Het hele PKK-onderzoek is ontworpen op de Amerikaanse ambassade op verzoek van Turkije”. Interview met advocaat Jan Fermon

Eind januari 2020 maakte het Belgische Hof van Cassatie een einde aan een reeks van rechtszaken gericht tegen de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) en Roj-TV.

Het Hof verwierp het beroep dat het federaal parket had ingesteld tegen twee arresten van de Brusselse Kamer van Inbeschuldigingstelling (KI), waarin 42 Koerden die beschuldigd werden van lidmaatschap van de PKK buiten vervolging werden gesteld. Het federaal parket wilde hen veroordeeld zien op basis van de terrorismewetgeving. Met zijn vonnis bevestigde het Hof van Cassatie de arresten van de Brusselse raadkamer en de KI die stelden dat het Turks-Koerdische conflict beschouwd moet worden als een gewapend conflict waarop de terrorismewetgeving niet van toepassing kan zijn. En zo komt er een einde aan een lange procedureslag die al 14 jaar aan de gang was en eigenlijk zelfs teruggaat tot 1996. Dit is een interview met Jan Fermon, een van de advocaten die de 42 beschuldigden verdedigde.

Kan je verduidelijken wat de beschuldigingen waren in wat uiteindelijk een lang aanslepend PKK-proces zou worden?

Alles samen werden 42 individuen en 2 mediaorganisaties aangeklaagd voor leiderschap van of deelname aan de activiteiten van een terroristische organisatie. Meer concreet zouden ze hebben ingestaan voor de financiering van de PKK, het voeren van propaganda en het rekruteren van nieuwe leden. Eén radiostation werd er ook van beticht berichten te verzenden naar de Koerdische guerrilla, zogenaamde operationele informatie die via de ether zou zijn verspreid. Dat waren de hoofdbeschuldigingen. Uiteindelijk is de procedure tegen een van de mediabedrijven door een eerder Cassatie-arrest stopgezet. Remzi Kartal, de co-voorzitter van Kongra-gel (of het Volkscongres van Koerdistan, de officiële benaming van de PKK tussen 2003 en 2005, nu een soort van parlement van de Unie van Koerdische Gemeenschappen, nvdr.) werd nog 2 andere feiten ten laste gelegd die de absurditeit van alles onderstrepen: de rekrutering van minderjarigen en de gijzeling van 3 Duitse toeristen. Deze laatsten waren aan het trekken op de Ararat (de hoogste berg van Turkije) toen ze opgepakt werden door de HPG (de gewapende vleugel van de PKK) en overgebracht werden naar het HPG-hoofdkwartier in Noord-Irak. Een Zwitserse NGO nam contact op met Remzi Kartal die ervoor zorgde dat de toeristen terug naar huis konden. De procureur maakte er een ontvoering door Kartal van. In de andere zaak nam Kartal, op vraag van de ouders, contact op met een minderjarige die de PKK-guerrilla had vervoegd in Qandil (Noord-Irak) om hen gerust te kunnen stellen. Volgens de procureur was dat deelname aan de gedwongen rekrutering van een minderjarige. Uiteindelijk had het parket niets. Geen geweldpleging, geen afpersing, ... en bleef er alleen nog maar ‘deelname aan activiteiten van een terroristische organisatie’ over. Het hele dossier was opgebouwd rond de ene organisatie die verbonden werd met andere organisaties om via omwegen bij de PKK uit te komen. Daaruit volgden dan de beschuldigingen ‘propaganda voeren, geld inzamelen en rekruteren voor -en voor sommigen leiderschap van- een terreurorganisatie’.

Was er oorspronkelijk niet nog een 43ste beschuldigde?

Inderdaad. Fidan Doğan werd ook beschuldigd van lidmaatschap van de PKK, maar ze werd vermoord. Ze was een van de 3 Koerdische activistes die in januari 2013 in Parijs werden neergekogeld in opdracht van de Turkse geheime dienst. De Turkse staat had zich burgerlijke partij gesteld in het Belgische PKK-proces omdat ze te lijden zou hebben gehad onder de acties van de beklaagden. Dat maakt deze zaak extra uniek: een van de beschuldigden die vermoord wordt door de burgerlijke partij in een zaak over terrorisme!

Het Hof van Cassatie heeft recent uiteindelijk een einde gemaakt aan de rechtszaak. Wat waren de argumenten?

Volgens het traditioneel recht konden alle daden van geweld tegen militairen van een staat als een terroristische daad worden bestempeld. Het internationaal humanitair recht regelde dan weer enkel feiten die werden begaan tussen staten in oorlogstijd. Een gewapende strijd binnen de landsgrenzen van een staat werd dus beschouwd als een interne aangelegenheid die niet per verdrag werd geregeld. Het Rode Kruis drong erop aan om een clausule op te nemen zodat het oorlogsrecht ook van toepassing zou zijn bij interne conflicten. Niet-statelijke actoren moesten er zo ook toe aangezet worden het oorlogsrecht te respecteren. Met de invoering van Artikel 141 bis van het Belgische Strafwetboek (in 2003) is de definitie van terrorisme niet langer van toepassing op groepen verwikkeld in ‘een gewapend conflict zoals gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht’. Dat principe is in bijna alle antiterrorismeverdragen opgenomen. Het was dus belangrijk om vast te stellen of er al dan niet sprake is van een gewapend conflict binnen Turkije.

Er zijn 2 belangrijke criteria om te kunnen spreken van een gewapend conflict. Ten eerste moet er sprake zijn van een zekere intensiteit. Het moet een conflict zijn op grote schaal vanuit tijds- en geografisch perspectief. Dus geen geïsoleerde op zichzelf staande schermutselingen of rellen. En dat lijkt me relevant, want als een organisatie in staat is om op lange termijn, over een groot gebied militair actie te voeren, dan betekent dit dat die organisatie over heel wat middelen en over een draagvlak bij de bevolking beschikt. De PKK vertegenwoordigt dus een belangrijk deel van het Koerdische volk in Turkije, anders zou ze geen grootschalige militaire operatie kunnen volhouden. Ten tweede moeten niet-statelijke gewapende groeperingen over een zekere graad van organisatie beschikken onder een toerekenbare commandostructuur. Ze moeten zich m.a.w. gedragen als een gewoon leger dat op een verantwoordelijke manier in staat is om de bepalingen van het internationaal humanitair recht toe te passen en desgevallend sanctionerend op te treden. Een belangrijk deel van onze verdediging kwam uit publicaties van hoge Turkse officieren waarin ze de situatie zelf beschreven als een oorlog en niet als geïsoleerde incidenten.

"Tweemaal oordeelde de KI -de laatste keer op 9 maart 2019- dat op grond van die feitelijke beoordeling, de PKK een partij is in een gewapend conflict omwille van de intensiteit ervan en vanwege de duidelijke organisatie van de PKK als een guerrillabeweging."

Dit alles vormde het onderwerp van de lange debatten tijdens de 2 processen voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling (KI). Tweemaal oordeelde de KI -de laatste keer op 9 maart 2019- dat op grond van die feitelijke beoordeling, de PKK een partij is in een gewapend conflict omwille van de intensiteit ervan en vanwege de duidelijke organisatie van de PKK als een guerrillabeweging. Is dat dan ook het geval voor de Islamitische Staat (IS) zou je daartegen in kunnen brengen? Omdat IS als niet-statelijke groep oorlog voert in Syrië is het oorlogsrecht inderdaad van toepassing. Maar tegelijk maakt IS zich schuldig aan criminele daden zoals drugs- en vrouwenhandel en terreurdaden tegen burgers, waardoor het naast een partij in het conflict ook een terroristische organisatie is.

Wat is de politieke en juridische betekenis van het arrest van Cassatie?

Ten eerste krijgen alle organisaties die als afdeling van de PKK worden beschouwd hun recht op vrije mening terug. De Koerdische beweging kan zich dus opnieuw vrij uiten in ons land. Ze kan niet langer gebrandmerkt en vervolgd worden voor ‘deelname aan terroristische activiteiten’ omwille van banden met de PKK. Ze kunnen zelfs vrij geld inzamelen. Dit alles betekent ook dat het makkelijker wordt voor de beweging om gesprekspartners te vinden in de zoektocht naar een politieke oplossing van het conflict.

Ten tweede is er eindelijk een rechtbank die na een grondige afweging besloten heeft dat het internationaal humanitair recht van toepassing is -de Conventies van Genève en andere regels van het internationaal oorlogsrecht- en niet de antiterrorismewetgeving. Dat is een belangrijke beslissing, niet alleen voor de PKK. Voor de eerste keer erkent een rechtbank in Europa opnieuw, na het verzet tegen het naziregime en de antikoloniale strijd, dat niet-statelijke actoren een legitieme strijd kunnen voeren tegen repressie en bezetting. Voor de Tweede Wereldoorlog, voor de Conventies van Genève, meer bepaald voor de aanvullende protocollen, en voor de antikoloniale beweging werd elke actie tegen de staat sowieso gezien als een criminele daad. De toepassing van de Conventies van Genève maakt dat niet-statelijke actoren in een conflict onder het oorlogsrecht vallen op gelijkwaardige wijze als staten die oorlog voeren. Als een niet-statelijke partij in het conflict -een bevrijdingsbeweging- een militaire actie voert tegen een militair doelwit, kan dit m.a.w. niet gezien worden als een misdaad volgens het internationaal recht. Maar toen de oorlog tegen het terrorisme uitbrak, verdween elk onderscheid tussen terrorisme, criminele activiteiten en niet-statelijke partijen die een legitieme bevrijdingsoorlog voeren. Elke actie tegen de staat, wat ook de natuur was van die staat of van de ondernemer van de actie, werd stellig als een criminele daad gezien. De Belgische juridische beslissing grijpt nu dus terug naar de voorgaande interpretatie.

"In Europa zou men als gevolg van het Belgische verdict misschien eindelijk tot de conclusie kunnen komen dat er een manier moet worden gezocht om de partijen in dit conflict te helpen om het via politieke weg op te lossen in plaats van een van de partijen brutaalweg te criminaliseren."

Ten derde is er de politieke betekenis van deze uitspraak. Dat de PKK beschouwd wordt als een partij in een gewapend conflict, kan het begin zijn van een compleet andere kijk op de situatie. Conflicten moeten opgelost worden, terrorisme dient bestreden te worden. In Europa zou men als gevolg van het Belgische verdict misschien eindelijk tot de conclusie kunnen komen dat er een manier moet worden gezocht om de partijen in dit conflict te helpen om het via politieke weg op te lossen in plaats van een van de partijen brutaalweg te criminaliseren. Nu is het zo dat de andere partij, Turkije, gefavoriseerd wordt.

Wil dat zeggen dat de PKK binnenkort niet meer terug te vinden zal zijn op de Europese en andere terreurlijsten?

Voorlopig weigert de uitvoerende macht in België zich neer te leggen bij de rechterlijke uitspraak. Minister van Buitenlandse Zaken Philippe Goffin (MR), zich beroepend op de scheiding der machten, zegt dat hij geen rekening zal houden met het oordeel van Cassatie. Hij heeft daar een kleine marge voor, ook al is die juridisch niet gedekt. Het plaatsen van een organisatie op de terreurlijst is immers een politiek administratieve aangelegenheid. De rechterlijke uitspraak van het Hof moet gezien worden in het kader van het strafrecht. Goffin verdedigt zijn houding door er onder meer op te wijzen dat België zijn internationale verplichtingen in de strijd tegen het terrorisme wil blijven nakomen. Hij zegt ook dat België de opname van de PKK op de terroristenlijst zal blijven verdedigen. Daar zit echter een grote ‘maar’ aan vast en dat brengt me naar het Europese niveau.

Er is een parallelle zaak bezig voor het Europees Hof van Justitie om de PKK van de terreurlijst te krijgen. Dit proces leidde tot een positieve beslissing in november 2018. Het Europees Hof van Justitie oordeelde toen dat de plaatsing van de PKK op de terreurlijst in de periode 2014 tot en met 2017 niet legitiem was omdat er onvoldoende motivatie werd gegeven om tegemoet te komen aan de criteria daarvoor. Het probleem is dat deze uitspraak van het Hof alleen maar geldt voor de betrokken periode. De Europese terreurlijst wordt om de 6 maanden hernieuwd en de uitspraak geldt niet voor de periode erna. Van zodra het Europees Hof zijn beslissing bekend maakte, besliste de Europese Raad vreemd genoeg om de PKK terug op terreurlijst te plaatsen. Op dat moment was de uitspraak voor de Belgische instanties nog niet finaal.

Ik ben er zeker van dat het recente verdict van het Belgische Hof van Cassatie een belangrijk argument zal worden in de nieuwe procedure die ondertussen op Europees niveau is opgestart om de PKK weer af de terreurlijst te krijgen. Hoewel het opstellen van deze lijst een politieke beslissing is, kan een organisatie er alleen maar opgezet worden als daar strafrechtelijke redenen voor zijn. Het is wel zo dat er ook rechtszaken lopen in Duitsland. Een negatieve uitkomst daar, kan dan weer het argument opleveren om de PKK op de Europese terroristenlijst te houden. Maar de Belgen zouden wel tegen Europa kunnen zeggen: ‘Sorry, maar wij willen een opting out (een uitstapmogelijkheid, nvdr.). Wij kunnen niet langer akkoord gaan, want onze rechtbank heeft dat zo beslist. Dat zou de correcte manier zijn. Ondertussen heeft de Raad van Europa beroep aangetekend tegen de uitspraak van het Europees Hof van Justitie van 2018. Er lopen nu dus 2 parallelle zaken voor dat Hof. Een nieuwe procedure om de PKK te schrappen van de Europese terroristenlijst en de beroepsprocedure van de Europese Raad tegen de eerdere uitspraak van het Hof van Justitie.

Klopt het dat er veel diplomatieke druk is uitgeoefend op België om een proces te openen tegen de PKK?

Uit diplomatieke telexen van de VS-ambassades in Ankara, Brussel en Washington die in 2011 gelekt zijn op de klokkenluiderswebsite Wikileaks blijkt inderdaad van wel.Het gaat over telexen uit de periode 2006-2009. Dat is een scharniermoment. In die periode was er een voor Turkije negatief einde gekomen aan een eerder Belgisch proces tegen de Koerdische televisiezender Roj-TV (gevestigd in België) en werd de opstart gemaakt voor een nieuwe rechtszaak tegen de PKK. Die nieuwe zaak werd in maart 2009 ingeleid. Het is belangrijk om de chronologie te volgen van het diplomatiek verkeer zoals dat op Wikileaks te lezen valt. Je zou kunnen zeggen dat de hele affaire 3 jaar eerder, in 2006, is gestart in de Amerikaanse ambassades. Wikileaks geeft interessante informatie over hoe deze zaak tussen 2006 en 2009 gradueel is opgebouwd. In de eerste telexen kan je lezen dat Turkije de Belgische autoriteiten benadert, maar die reageren niet zoals Ankara verlangt. Daarop gaat Ankara klagen bij de Amerikaanse ambassade omdat België niets doet. De Turkse autoriteiten tonen zich volgens de Amerikaanse ambassade in Ankara “zeer gefrustreerd” over België omdat ons land er niet in slaagt tot “tastbare acties” te komen tegen “Turkse terroristen” in ons land. Op dat ogenblik was de eerste procedure tegen Roj-TV compleet in elkaar gestuikt. Er werd wel geprobeerd om via een financiële kwestie rond belastingen alsnog een veroordeling te bekomen. Roj-TV kreeg als gevolg daarvan in februari 2008 een belastingboete van 4 miljoen euro opgelegd. In de telexen lees je dat er beslag zal gelegd worden op de rekeningen van Roj-TV. Vanuit de Turkse ambassade in Brussel wordt deze Belgische demarche verwelkomd. Er wordt ook gesteld dat ze aantoont dat aanhoudende druk van de VS geholpen heeft om de Belgische autoriteiten tot actie aan te zetten. 

"Het hele onderzoek was ontworpen en georganiseerd op de Amerikaanse ambassade op verzoek van Turkije, waarbij letterlijk druk op België werd uitgeoefend om een juridische procedure op te starten"

Tussen 2006 en 2009 worden Turken en Belgen op de Amerikaanse ambassade uitgenodigd voor een reeks ontmoetingen die België ertoe moet aanzetten een rechtszaak te openen tegen de PKK. In die periode zouden er ook 3 ontmoetingen plaatsvinden tussen vertegenwoordigers van de Belgische regering en hoge functionarissen van de VS. Vanuit België klinkt het herhaaldelijk dat “we” niets hebben, dat het materiaal dat Turkije aanlevert niet deugt en alleszins geen misdrijf vormt in België. Het komt begin 2008 zelfs tot een incident met een Turkse regeringsdelegatie die in België op bezoek is om er bij de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie op aan te dringen de PKK te vervolgen met de boodschap dat de scheiding der machten geen hinderpaal mag zijn. De VS blijft bemiddelen tussen beide landen en helpt de druk mee opvoeren. Eind 2008 begeven de Belgische ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie zich naar Ankara. Daarna trekt federaal procureur Delmulle in januari 2009 op zijn beurt naar Ankara. En mirakel, 2 maanden later opent hij een onderzoek waarbij hij allerlei prutsdossiertjes samenbundelt. Zo viseert hij een vermeend trainingskamp voor Koerdische vrouwen in de Ardennen. Maar na onderzoek blijkt dat er helemaal geen sprake is van iets als een trainingskamp, wel van een culturele ontmoeting waar ook vorming werd gegeven. Alles wordt in het dossier samengevoegd onder de paraplu van de PKK, wat dan deelname aan een terroristische organisatie wordt. Delmulle gaat noodgedwongen zo te werk omdat Turkije niets heeft. Zo wordt het een volkomen artificieel dossier. Maar het hele onderzoek was ontworpen en georganiseerd op de Amerikaanse ambassade op verzoek van Turkije, waarbij letterlijk druk op België werd uitgeoefend om een juridische procedure op te starten.

De hardnekkigheid om te vervolgen, de bezoeken over en weer naar Ankara, een zwak dossier… dat lijkt heel erg op het vorige proces tegen de Koerdische TV-zender dat ook op niets uitliep.

Dat klopt. In 1996 startte het Belgisch gerecht een onderzoek naar het productiehuis van de Koerdische televisiezender Roj-TV in Denderleeuw. Dat kwam er na een bezoek van toenmalig rijkswachtcommandant Willy Deridder aan Turkije, waar hij een samenwerkingsakkoord afsloot met zijn collega van de Turkse inlichtingendiensten (MIT). Pikant detail is dat hij ook een ontmoeting had met de Turkse minister van Binnenlandse Zaken, Mehmet Agar, die een half jaar later ontslag moest nemen omdat hij een spilfiguur bleek te zijn in het Susurluk-schandaal. (Dat legde de samenwerking bloot tussen Turkse veiligheidsdiensten met extreemrechtse nationalistische en criminele groeperingen om politieke vijanden te elimineren. Onder het mom van de bestrijding van ‘Koerdische terroristen’ werden o.a. drugscircuits aangelegd, mensen afgeperst, enzovoort , nvdr.) Goed 2 maanden na Deridders bezoek aan Ankara, lanceerden rijkswacht en gerecht operatie Spoetnik, een grootscheepse politie-actie met honderden rijkswachters die het pro-Koerdische productiehuis in Denderleeuw binnenvielen en ook huiszoekingen deden op andere locaties. De hele affaire loopt in 2003-2004 op niets uit. Er kon niets strafrechtelijk ten laste worden gelegd. De beschuldigingen van bendevorming, witwaspraktijken, afpersing, mensenhandel, valsheid in geschrifte en wapendracht tegen een aantal beklaagden konden niet worden hardgemaakt. Maar het is duidelijk dat ook toen politieke druk en beïnvloeding is uitgeoefend.

Zal de Belgische uitspraak, dat de PKK een niet-statelijke partij is in een gewapend conflict en geen terroristische organisatie, enige gevolgen hebben in Europa?

Dat is moeilijk te zeggen. In Duitsland lopen er al jaren verschillende rechtszaken rond de PKK. De organisatie is er jaren geleden buiten de wet geplaatst. Volgens de Duitse rechtspraak blijft de definitie van terrorisme vooralsnog van toepassing op de PKK. Logo’s en vlaggen van de PKK zijn er verboden. Het ministerie van Binnenlandse Zaken publiceerde in 2017 een lijst met organisaties die allemaal onder de PKK zouden vallen. Zo ook de Koerdische Volksbeschermingseenheden in Noord-Syrië (YPG), die tot voor kort nochtans militaire steun ontvingen van o.a. de Verenigde Staten in de strijd tegen de Islamitische Staat. 

Hoe komt het dat België, maar ook andere landen zo gevoelig zijn voor politieke druk vanuit Ankara?

Wel, je moet dat zien in de politieke context. Kijk maar naar het belang van Turkije in de vluchtelingencrisis vandaag. De deal die de EU in 2016 sloot met het land om te verhinderen dat vluchtelingen Europa zouden binnengeraken, geeft Turkije invloed. En Turkije is natuurlijk ook een belangrijke NAVO-partner.

Waarom wordt er zo weinig ruchtbaarheid gegeven aan deze toch wel belangrijke uitspraak van het Belgische gerecht over de PKK?

Voor de overheid is dat een vervelende kwestie die diplomatieke problemen oplevert met Turkije. Minister van Justitie, Koen Geens, kreeg prompt een boze brief van zijn Turkse collega. België wil de brand zo snel mogelijk blussen. Zo dien je ook de verklaring van minister van Buitenlandse Zaken Goffin te begrijpen dat de PKK voor de Belgische regering een terroristische organisatie blijft ongeacht het verdict van het Hof van Cassatie. Bovendien is het een uitermate complexe materie waar de journalistiek zich niet gemakkelijk aan waagt. Tot slot is het ook wel zo dat er weinig Belgen van wakker liggen.

 

steun ons

© 2020 vrede vzw - website by