Artikel
Paul Vanden Bavière
Printvriendelijke versie
Iraniërs willen een beter leven

President Rohani, foto: Mohammad Akhlaghi

Iraniërs willen een beter leven

Eind 2017, begin 2018 spoelde een golf van protest en rellen over Iran. Er werd vergeleken met de protesten van 2009, toen de hervormingsgezinde presidentskandidaat Mousavi het in de verkiezingen moest afleggen tegen de conservatieve Ahmadinejad. Een manke vergelijking.

In 2009 ging het om een deel van de middenklasse en burgerij, dat een grotere opening naar de buitenwereld wenste, evenals minder rigide islamitische leefregels. In december 2017 en januari 2018 draaide het eerder om de armere bevolking die opkomt voor een beter leven. Dat is een teken dat de machtsstructuren in Iran, bijna 40 jaar na de islamitische revolutie van 1979, onder druk komen te staan.

De islamitische revolutie van ayatollah Ruhollah Khomeini (1902-1989) werd doorgevoerd in naam van de armen, die onder sjah Mohammd Reza Pahlavi (1919-1980) inderdaad werden verwaarloosd. Onder het nieuwe bewind was er zeker vooruitgang, maar door allerlei omstandigheden te weinig. Khomeini werd in zijn bezorgdheid voor de armen geremd door het feit dat eigendom heilig is voor de islam. Dat was aanvankelijk één van de redenen van het verzet van Khomeini tegen de sjah. Die probeerde de goederen van moskeeën en islamitische instellingen onder zijn controle te brengen, zoals Atatürk dat eerder in Turkije had gedaan en de Franse revolutionairen van 1789 nog eerder met de confiscatie van alle kerkelijke goederen. Door de plannen van de sjah zou de Iraanse clerus één van zijn voornaamste bronnen van rijkdom en meteen ook van invloed op de maatschappij verliezen. Geen wonder dat eens de revolutie een feit was, de clerus goed voor zichzelf zorgde. Er ontstonden ook nieuwe religieuze instituten die handelsmonopolies kregen en vrijgesteld werden van belastingen. Dat was, en is nog altijd, een grote bron van verrijking voor de clerus, en tevens een bron van corruptie. Armoedebestrijding bestaat vooral uit het geven van aalmoezen uit de opbrengsten van de religieuze goederen en door de burgers.

De westerse ban

Ayatollah Khomeini moest na de revolutie ook rekening houden met de Amerikanen. Die verloren met het vertrek van de sjah niet alleen een waardevolle bondgenoot in de Golfregio, maar waren ook beducht voor Khomeini’s plannen om de islamitische revolutie uit te dragen in de hele moslimwereld, te beginnen bij de buren op het Arabisch schiereiland die voor hun veiligheid op de Amerikanen aangewezen waren. Toen radicale Iraanse studenten op 4 november 1979 de VS-ambassade in Teheran bestormden en 444 dagen lang bezet hielden met 63 Amerikaanse diplomaten en burgers als gijzelaars, waren de kansen op een werkbare relatie helemaal verkeken. Iran werd in de westerse ban geslagen, met boycots en sancties die in de praktijk nog altijd grotendeels van kracht zijn en een forse rem zetten op de Iraanse economische ontwikkeling.

Om het Iraanse gevaar te counteren werd de Iraakse president Saddam Hoessein aangespoord tot oorlog met Iran. De Iraaks-Iraanse Oorlog van 1980 tot 1988 was verwoestend. Honderdduizenden soldaten vonden de dood aan beide kanten. In Iran werd een groot deel van de infrastructuur vernield door Iraakse bombardementen. De bevolking leed en moest ook financieel zwaar inleveren. Khomeini had gezworen niet te zullen onderhandelen over een beëindiging van de oorlog, maar moest in het licht van de zware verwoestingen toch instemmen met de stopzetting van de vijandelijkheden in 1988.

Voor Irak liep de oorlog catastrofaal af, want nadat de Iraanse dreiging was gekeerd, werd het seculiere regime o.a. vanwege de westerse bewapening ervan, de nieuwe boeman voor de Golfstaten. Die lieten de olieprijs kelderen zodat Saddam Hoessein zijn oorlogsschulden niet meer kon betalen. De Amerikaanse ambassadeur in Bagdad liet de Irakezen verstaan dat Washington er geen problemen mee zou hebben mocht Irak zijn olierijke buurland Koeweit aanvallen. In de hoop op buit, trapten de Irakezen in de val. Toen het Iraakse leger het emiraat in augustus 1990 binnenviel, werd er een totale boycot tegen Irak afgekondigd, ook voor humanitaire goederen, gevolgd door een vernietigende oorlog in 1991. De Iraakse bevolking kreeg het zwaar te verduren. De klus werd in 2003 afgemaakt door een regelrechte invasie en bezetting van Irak. De in het Westen in ongenade gevallen Saddam Hoessein werd gevangen genomen en opgeknoopt.

Nucleair programma

Het gevolg van de val van het regime van Hoessein, was dat er geen tegenwicht meer was voor Iran, dat opnieuw een bedreiging werd voor de rijke, maar ondanks hun enorme wapenaankopen, toch militair zwakke Golfstaten.

Iran had lessen getrokken uit de oorlog met Irak en was zijn bewapening en bewapeningsindustrie aan het uitbreiden. Het begon ook een nucleair programma, officieel bedoeld voor medische toepassingen en de energievoorziening in het land. Het Westen verdacht Teheran er echter van aan een atoombom te werken, die met eveneens in Iran ontwikkelde raketten ingezet zou kunnen worden tegen de Golfstaten én tegen de grote Amerikaanse bondgenoot in de regio, Israël. In een poging dit nucleaire programma te stoppen, werden steeds strengere economische sancties opgelegd aan Iran. De bevolking werd zwaar troffen. Het is in deze context dat de hervormingsgezinde Iraanse president Hassan Rohani na zijn verkiezing in 2013 -ondanks fel protest van de hardliners- begon te onderhandelen met de ministers van Buitenlandse Zaken van de vijf permanente leden van de Veiligheidsraad (China, Frankrijk, Groot-Brittannië, Rusland en de Verenigde Staten) plus Duitsland (P5+1).

Op 14 juli 2015 werd er een akkoord bereikt. Teheran zou zijn nucleair programma inperken, onder strenge controle van het Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA), in ruil voor de geleidelijke afbouw van de economische sancties. Het akkoord schepte grote verwachtingen in Iran. Men rekende op nieuwe buitenlandse investeringen en exportmogelijkheden die een positieve invloed zouden hebben op de welvaart van de Iraniërs. Maar dat was zonder de VS gerekend. Er werd allesbehalve vaart gezet achter de afbouw van de sancties. De situatie werd alleen maar erger toen de Republikein Donald Trump op 20 januari 2017 aantrad als nieuwe president. Trump zei al tijdens zijn verkiezingscampagne dat de Iran-deal van Obama een slecht akkoord was, dat hij Teheran niet betrouwde en dat hij het akkoord zou opzeggen indien hij verkozen werd. Sinds hij effectief president is, heeft hij dat nog niet gedaan. Hij heeft het akkoord zelfs al enkele keren verlengd, maar op 12 mei aanstaande moet dat opnieuw gebeuren en Trump heeft al laten verstaan dat hij dit niet opnieuw zal doen. Ondanks het feit dat het Atoomenergieagentschap telkens opnieuw vaststelt dat Iran zich strikt aan de deal houdt -wat de Europese landen ook telkens onderstrepen- hangt het akkoord momenteel dus aan een zijden draadje. Het opblazen van de Iran-deal kan allerlei verregaande gevolgen hebben, van de daling van de gemiddelde levensstandaard van de Iraniërs tot militaire aanvallen op het land (president Trump heeft zich immers omringd met haviken die gebrand zijn op de val van het Iraanse regime), die kunnen uitmonden in een regionale oorlog.

Inmiddels heeft de VS geen sancties meer opgeheven. Er zijn er zelfs nieuwe bijgekomen onder het voorwendsel van schendingen van de mensenrechten en als straf voor het Iraans ballistische rakettenprogramma. Meer nog, de Amerikanen vinden dat hun sancties wereldwijd nageleefd moeten worden en dat buitenlandse ondernemingen voor Amerikaanse rechtbanken moeten worden gedaagd als ze dat niet doen. Vanuit de Europese Unie komt er niet echt verzet tegen deze extraterritoriale geldigheid van de Amerikaanse wetten. Veel grote ondernemingen houden zich gedeisd omdat ze geen risico willen lopen op miljardenboetes. De kans dat de grote miljardencontracten die Iran sloot met het Amerikaanse Boeing en het Europese Airbus voor de aankoop van passagiersvliegtuigen, effectief zullen worden gehonoreerd, lijkt dus zeer klein.

Dood aan Rohani

In Iran is men zeer ontsteld over de hele situatie. De verwachting van een beter leven lijkt de bodem ingeslagen. Op 28 december 2017 vonden de eerste protesten plaats in de noordoostelijke stad Mashhad, met 2,8 miljoen inwoners de tweede grootste stad van Iran (na Teheran). Vandaar deinde het protest uit over het hele land. Maar een week later was het al voorbij. Toch was dat geen reden tot tevredenheid voor de regering, want de betogers riepen slogans zoals “Dood aan Rohani” en vielen ook openlijk ayatollah Ali Khamenei, de opvolger van Khomeini als hoogste geestelijke leider van het land, aan. De welvaart van de clerus en de wijdverbreide corruptie werden ondubbelzinnig aan de kaak gesteld. Er werd zelfs minachtend gesproken over de dure tussenkomsten van Iran in de conflicten in Syrië en Irak en over de steun aan groepen zoals de Libanese Hezbollah.

Die felle kritiek is een nieuw fenomeen in Iran. En het is ook een verrassing voor de hervormingsgezinden, die sinds de rellen van 2009 tegen de als frauduleus beschouwde herverkiezing van president Ahmadinejad, de lievelingen van het Westen zijn. Zij worden ten onrechte aanzien als breekijzers om Iran weer in het westerse kamp te krijgen, maar ze vormen een onderdeel van het Iraanse systeem. Niemand onder hen kan zich kandidaat stellen voor verkiezingen zonder de goedkeuring van de Raad der Hoeders van de Grondwet, een instrument van de opperste geestelijke leider Khamenei. De Raad moet er onder meer op toezien dat de kandidaten 'goede moslims' zijn. Deze 'door het regime goedgekeurde' hervormers behoren ook tot het conservatieve kamp, zeker op sociaal-economisch gebied, maar willen wel de scherpe kantjes van de islamitische staat afvijlen. Ze willen zich ook inschikkelijker tonen tegenover het Westen, terwijl de aanhangers van de harde lijn onverzettelijk blijven en de confrontatie met het Westen niet schuwen.

Deze hardliners zijn dikwijls echter meer sociaal voelend dan de gematigden. De in het Westen vrijwel algemeen uitgespuwde Ahmadinejad, het grote doelwit van de Iraanse hervormers, was de man die grootscheepse sociale projecten lanceerde in het land. Zo bouwde hij, onder de neus van de hervormers, sociale woonwijken bedoeld voor mensen die zich geen woningen kunnen permitteren. Voor 33 miljoen armen (op een bevolking van 82 miljoen Iraniërs) werkte hij ook een soort uitkeringssysteem van cashbetalingen uit. Een totaal onbetaalbaar project volgens de hervormers.

Onder de huidige hervormingsgezinde president Hassan Rohani wordt werk gemaakt van de afbouw van de sociale realisaties van Ahmadinejad. Op 10 december 2017 legde Rohani een budgetvoorstel voor aan het parlement met daarin de afschaffing van de cashbetalingen voor armen, de vermindering van de subsidies op benzine en een geringere belastingvermindering voor mensen met lage lonen. Het parlement verwierp zijn voorstellen en het is hoogst twijfelachtig of Rohani ze ooit nog goedgekeurd zal krijgen. Ze waren immers de rechtstreekse oorzaak van de golf van onrust in het land, ook al probeerden de hervormers de publieke opinie te doen geloven dat de protesten door de hardliners werden uitgelokt om de hervormers te schaden. Het is alleszins een feit dat de hervormers zich ver van de protestbeweging hielden. Het zint hen zeker niet dat het armere deel van de bevolking zich roert.

Dat een deel van de bevolking zich mondig toont, is een gevolg van de veranderingen in Iran sedert de oorlog met Irak. Het is vooral het armere deel van de Iraanse bevolking, voornamelijk van het platteland en de kleinere steden, dat de grootste prijs heeft betaald voor de oorlog, in doden en gewonden en in een nog lagere levensstandaard. Het moet gezegd dat de miljoenen Iraniërs die hebben gevochten en hun gezinnen, niet volledig in de steek gelaten werden door Iran. Velen hebben jobs gevonden bij de Revolutionaire Garde (militaire elitekorps) of bij de vrijwilligerskorpsen (bassidji), of kregen pensioenen en vergoedingen die sociale promotie en scholing tot en met de universiteit mogelijk maakten. Het is het huidige gebrek aan kansen dat hen in december 2017 en januari 2018 de straat op dreef en plots met hun eisen in de schijnwerpers plaatste.

De weddenschap van Rohani -een grotere Iraanse welvaart door een akkoord met het Westen over het Iraans nucleair programma- lijkt op een fiasco te zullen uitdraaien. Het ziet er naar uit dat de president in slechte papieren zit. De vraag rijst of hij zich nog zal kunnen ophijsen uit het dal waarin hij zit. Sinds het einde van de tegen hem gerichte rellen, sprak hij zich tot nog toe alleen maar uit voor een mogelijk systeem van directe volksraadplegingen over bepaalde onderwerpen waarover het politieke debat muurvast zit. De vraag is of hij in de huidige omstandigheden ooit zo’n referendum zou kunnen winnen.

Recht op vrijheid en kritiek

Rohani's politieke rivaal, Ahmadinejad, zag in de rellen een kans en vroeg op 21 februari aan de opperste leider Khamenei om onmiddellijk vrije presidents- en parlementsverkiezingen uit te schrijven, zonder “machinaties door de Raad der Hoeders en zonder tussenkomst van de militairen en de veiligheidsdiensten”. Hij wees er op dat “vrijheid en zelfbeschikking een fundamenteel recht zijn van het volk” en “één van de doelstellingen van de revolutie, zoals vastgelegd in de grondwet”, en dat “het islamitisch systeem werd opgezet om die rechten veilig te stellen”. Hij vroeg ten slotte nog het ontslag van het hoofd van Justitie, ayatollah Sadegh Larijani, één van de doelwitten van de financiële sancties opgelegd door de Verenigde Staten.

De hoogste geestelijke leider, Ali Khamenei, sloeg in een reactie op de protesten inmiddels al mea culpa in een toespraak op 18 februari. Hij zei er zich van bewust te zijn dat de mensen grieven hebben en hoopte te kunnen komen tot een meer op de mensen gericht systeem. Hij onderstreepte ook dat hij openstaat voor kritiek en dat de mensen het recht hebben om hem te bekritiseren. Ten slotte waarschuwde hij dat het niet verstandig is te veel vertrouwen te hebben in vreemde mogendheden. “We zien het resultaat van het vertrouwen in vreemde mogendheden tijdens de gesprekken over het nucleair akkoord. Tijdens die onderhandelingen hadden we vertrouwen in hen, maar dat vertrouwen leverde ons niets op”.

Hoe het verder zal gaan in Iran is een open vraag. Zeker is wel dat de economische protesten, ook het publieke verzet tegen het verplicht dragen van een hoofddoek door vrouwen hebben aangewakkerd. Dat verzet is niets nieuws en steekt geregeld de kop op, maar het geeft de islamitische leiders wel te denken als het samenvalt met toenemende ontevredenheid op economisch gebied. Al direct na het uitbreken van de rellen in Mashhad maakte de politie van Teheran bekend dat vrouwen die de islamitische kledingvoorschriften aan hun laars lappen niet meer gevangen zullen worden gezet, maar in plaats daarvan lessen moeten volgen over “islamitische kleding”, wat dat ook moge betekenen.

Paul Vanden Bavière is journalist en redactielid van www.uitpers.be

steun ons

© 2018 vrede vzw - website by