Klimaatverandering voor de rechtbanken

Klimaatverandering voor de rechtbanken

Burgers, van Portugal tot Pakistan en van de VS tot Zuid-Afrika, slepen hun verkozen leiders voor de rechtbank wegens een gebrek aan actie tegen de klimaatverandering.

Het uitblijven van een robuust nationaal klimaatbeleid leidt ertoe dat burgers van heel wat landen zich afvragen hoe toegewijd hun regering wel is aan het ondernemen van serieuze klimaatactie binnen een zinvolle tijdspanne. In 2015 werd het internationaal Klimaatakkoord van Parijs gesloten, maar mensen over heel de wereld zijn het gebrek aan voldoende actie op nationaal niveau hartsgrondig beu. In die mate zelfs dat burgers, van Portugal tot Pakistan en van de Verenigde Staten tot Zuid-Afrika hun verkozen leiders voor de rechtbank slepen.

Een studie uit 2017 van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties stelde een aanzienlijke toename vast van burgers en milieuorganisaties die klimaatgerelateerde rechtszaken aanspannen, voornamelijk tegen hun regeringen. In sommige gevallen is de juridische strategie gekoppeld aan het Klimaatakkoord van Parijs, in andere aan het nationale klimaatbeleid en in nog andere gevallen aan de planningsvereisten voor specifieke projecten die bijdragen tot de klimaatchaos, zoals bijvoorbeeld de opening van een steenkoolmijn of de aanleg van een oliepijpleiding.

Over het algemeen komen dit soort van juridische klimaatacties vooral voor in de geïndustrialiseerde landen. Tot nog toe hebben burgers in tenminste 24 landen hun regeringen voor de rechter gedaagd omwille van de klimaatopwarming en de gevolgen ervan. Hier een beknopt overzicht van een aantal zaken.

Climate kids

In de VS werden al meer dan 600 rechtszaken aangespannen gerelateerd aan de klimaatverandering, ongeveer drie maal meer dan in alle andere landen samen. Het gaat om rechtszaken geïnitieerd door burgers, milieugroeperingen, en stads- en countybesturen. Een van de bekendste is de zaak van 21 kinderen en jongvolwassenen, de zogenaamde 'climate kids', tegen de federale regering (Juliana versus de Verenigde Staten). Met de juridische steun van de non-profitorganisatie 'Our Children's Trust', argumenteren de jongeren dat de klimaatverandering hun recht op leven, vrijheid en eigendom schendt omdat ze de natuurlijke rijkdommen die deel uitmaken van het publieke erfgoed vernietigt – met name de lucht, het water en de kustlijnen. De beslissingen en acties van de regering veroorzaken en bevorderen de klimaatverandering, dus is ze aansprakelijk. De zaak overwon een belangrijke juridische hindernis in 2017, toen een federale districtsrechter in Oregon oordeelde dat ze aanhangig gemaakt kon worden. Hij legde 5 februari 2018 vast als de begindatum van het proces. De Trump-regering probeerde nog een juridisch stokje te steken voor de rechtszaak, maar de bezwaren werden afgewezen. De nieuwe startdatum voor het proces ligt nu op 29 oktober 2018.

In de voetsporen tredend van de Amerikaanse 'climate kids', verzamelt een groep kinderen in Portugal geld om 47 Europese landen aan te klagen omdat die verzuimen de klimaatverandering aan te pakken. Ze betogen, net als de jongeren in de VS, dat een gebrek aan klimaatactie hun recht op leven bedreigt. De schuldeisers zijn allemaal tussen de 5 en de 14 jaar oud en afkomstig van de Leiria-regio, een deel van Portugal dat vorige zomer enorm te lijden had onder vernietigende bosbranden. De 47 Europese landen die geviseerd worden in het rechtsgeding zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor 15% van de mondiale uitstoot van broeikasgassen.

Nederland

In een zaak die bekend staat als een mijlpaal voor de internationale klimaatbeweging, oordeelde een Den Haagse rechtbank op 24 juni 2015 in het voordeel van de NGO Urgenda en zo'n 900 Nederlandse burgers die hun regering in 2013 aangeklaagd hadden wegens het bieden van onvoldoende bescherming tegen de dreiging van de klimaatverandering. In haar vonnis beval de rechtbank de Nederlandse regering om de uitstoot van 's lands broeikasgassen tegen 2020 met 25% te verminderen ten opzichte van 1990. Het was de eerste keer dat eender welke rechtbank een regering rechtstreeks gelastte om de CO2-uitstoot te verminderen. De toenmalige Nederlandse minister van Economische Zaken, Henk Kamp, en staatssecretaris Dijksma maakten begin april 2016 bekend dat de sluiting van twee extra kolencentrales werd onderzocht om de CO2-uitstoot te reduceren en daarmee deels te voldoen aan de uitspraak in de Klimaatzaak. Tegelijkertijd besloot de Nederlandse staat echter om in hoger beroep te gaan, ondanks tienduizenden expliciete verzoeken van topwetenschappers, burgers, bedrijven en de bijna 900 mede-eisers om het vonnis niet aan te vechten. Ondertussen hebben beide partijen hun argumenten nogmaals kunnen toelichten en de uitspraak in hoger beroep wordt verwacht begin oktober 2018. Het historische vonnis van 2015 inspireerde ondertussen heel wat andere klimaatrechtszaken elders in de wereld. Er doken in Europa inderdaad heel wat gelijkaardige pogingen op om regeringen ter verantwoording te roepen, waaronder een proces aangespannen door bijna 800 oudere vrouwen tegen de Zwitserse overheid. De 'KlimaSeniorinnen', zoals ze zichzelf noemen, vinden dat het te lakse klimaatbeleid van de Zwitserse regering een schending is van hun mensenrechten en die van hun kleinkinderen.

België

Ook in België werd een klimaatzaak aangebracht door een groep van 11 bezorgde burgers. Dit initiatief om voor de rechtbank een ambitieuzer klimaatbeleid af te dwingen, werd eind 2014 gelanceerd en was gericht tegen de vier Belgische overheden (de federale staat en de Vlaamse, Waalse en Brusselse Gewesten). De bevoegde rechtbank is de Franstalige rechtbank van eerste aanleg in Brussel, maar de Vlaamse overheid startte een hele juridische procedure op rond de taal waarin de rechtszaak zou doorgaan. Op verzoek van het Vlaams Gewest bogen achtereenvolgens de rechtbank van eerste aanleg in Brussel, de arrondissementsrechtbank en het Hof van Cassatie zich over deze kwestie. Dat leverde iedere keer hetzelfde vonnis op: krachtens de huidig geldende taalwetgeving moet de klimaatzaak aangevat worden in het Frans. Zoals de Vlaamse overheid uiteraard weet, kunnen de taalwetten alleen op politiek niveau veranderd worden, dus de juridische procedure die ze initieerde, diende alleen om de eigenlijke klimaatzaak zo lang mogelijk uit te stellen. En dat lukte perfect. Pas in april 2018, ruim drie jaar na de indiening van de rechtszaak, kwam het Hof van Cassatie tot de finale uitspraak over de vraag in welke taal het proces moest verlopen. Tot dan was de klimaatzaak dus nog op geen enkele manier inhoudelijk aangesneden, maar het proces kan nu eindelijk wel ten gronde gevoerd worden. De initiatiefnemers van de Belgische klimaatzaak hebben trouwens geen drie jaar stilgezeten. Al bijna 36.000 Belgen zijn ondertussen officieel mede-eiser geworden. U kan hen gemakkelijk vervoegen via een eenvoudig digitaal aanmeldingsformulier, dat terug te vinden is op www.klimaatzaak.eu.

EU

Een van de meest recente juridische klimaatacties werd eind mei gelanceerd tegen de Europese beleidsmakers door 11 gewone families uit 8 verschillende landen. Ze worden financieel en inhoudelijk ondersteund door een collectief van NGO's, juristen en wetenschappers. Het is de eerste maal dat gepoogd wordt om een juridische klimaatactie te voeren tegen regionale instituties in plaats van nationale beleidsmakers. De families, waaronder leden van de etnische Sami-gemeenschap in Zweden, stellen dat hun professionele activiteiten ernstig te lijden hebben onder de klimaatverandering en dat het te lakse Europese klimaatbeleid een aantal van hun fundamentele rechten schendt (o.a. het recht op gezondheid, op werk en op eigendom). Concreet dagen ze het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie voor het Europese Hof van Justitie in Luxemburg.

De huidige klimaatdoelstelling van de EU, een reductie van de broeikasgassen met 40% tegen 2030 in vergelijking met het niveau van 1990, is niet streng genoeg om aan de voornemens van het Klimaatakkoord van Parijs te voldoen. Bovendien is het weinig waarschijnlijk dat zelfs de ontoereikende klimaatdoelstelling van de EU behaald kan worden met de huidige Europese klimaatmaatregelen. Volgens de families uit Frankrijk, Portugal, Zweden, Duitsland, Italië, Roemenië, Kenia en Fiji is er dringend actie vereist. Ze hebben het specifiek gemunt op drie reguleringen, waaronder het Europees emissiehandelssysteem. Financiële compensatie interesseert hen niet. Ze willen alleen dat justitie een strenger klimaatbeleid afdwingt in de hoop de mondiale problemen die de opwarming van de aarde teweegbrengt, af te remmen.

Maurice Feschet, een 72-jarige lavendelteler uit de Provence, vertelt dat hij besloot om zich bij de actie aan te sluiten nadat hij op zes jaar tijd 44% van zijn oogst verloor door de klimaatverandering. “Mijn familiebewerkt dit land al sinds de jaren 1800. Ik doe mee aan deze actie voor mijn 38-jarige zoon, die op de boerderij leeft. We willen dat hij het werk kan blijven verderzetten, maar dat zal niet gemakkelijk zijn.” Alfredo Sendim, een biologische landbouwer uit centraal Portugal legt uit hoe zijn productie te lijden heeft onder de negatieve effecten van een onregelmatig klimaat: “Vorig jaar zagen we bijna het hele jaar geen druppel regen. Dan viel er op twee weken tijd evenveel regen als we normaal op een heel jaar krijgen”. De Roemeense herder die participeert aan de rechtszaak moet elk jaar hoger en hoger de bergen in klimmen om zijn kudde schapen te kunnen voeden en de Keniaanse landbouwers worden geconfronteerd met extreme droogtes. Zo heeft elke eiser zijn eigen verhaal en concrete redenen om te vinden dat de EU zich een pak ambitieuzer moet tonen wat haar klimaatbeleid betreft. Het is op dit moment nog niet duidelijk of het Hof van Justitie de zaak ontvankelijk zal verklaren.

Mondiale actie

Het voeren van klimaatactie via juridische weg is de afgelopen jaren overal in de wereld in opmars. Een enkele vastberaden, wakkere burger kan daarvoor al volstaan. Zo klaagde de Pakistaanse landbouwer en student Rechten Ashgar Leghari in 2015 zijn federale regering aan omdat ze verzuimt het in 2012 vastgelegde Nationaal Klimaatbeleid te implementeren. Zijn argument? De uitgestelde actie tegen klimaatverandering draagt bij tot de zware overstromingen en droogtes die de water- en voedselveiligheid in heel het land bedreigen. Leghari wees ook specifiek op de directe impact van waterschaarste op zijn familieboerderij. “Op juridisch en constitutioneel vlak is dit een oproep om de grondrechten van de Pakistaanse burgers te beschermen, in het bijzonder de kwetsbare en zwakke segmenten van de samenleving die niet in staat zijn dit Hof te benaderen", betoogde Ashgar Leghari. En hij won! Verwijzend naar het recht op leven en op menselijke waardigheid, beval het Hooggerechtshof van Lahore de verschillende Pakistaanse ministeries om een lijst met klimaatactiepunten op te stellen en elk een verantwoordelijke voor klimaatbeleid aan te duiden. Het Hof richtte ook een Klimaatveranderingscommissie op die de ernstige dreigingen die voortvloeien uit de mondiale opwarming moet aanpakken. Verder gebood het Hof de regering om het enkele jaren daarvoor gecreëerde Nationaal Klimaatbeleid, dringend te implementeren. “Het uitstel en de onverschilligheid van de Staat wat de implementatie van het Klimaatbeleid betreft, schendt de fundamentele rechten van de burgers”, oordeelde de rechtbank.

Vorige zomer werd ook de Nieuw-Zeelandse regering voor de rechtbank gedaagd voor haar “inadequate nationale uitstootverminderingsplannen” door Rechtenstudente Sarah Thomson. Die plannen omvatten de doelstelling om de Nieuw-Zeelandse uitstoot van broeikasgassen tegen 2030 te reduceren tot 11% onder het niveau van 1990. Thomson argumenteerde dat Nieuw-Zeeland als ontwikkeld land –met het vijfde hoogste uitstootpercentage per capita ter wereld- verplicht is volgens het Klimaatakkoord van Parijs om emissiedoelstellingen vast te leggen die compatibel zijn met de wetenschappelijke consensus. De regering heeft dat echter nagelaten. Ze vraagt dat de Nieuw-Zeelandse minister van Klimaatkwesties uitlegt hoe de nationale doelstellingen werden vastgelegd en wil dat de rechtbank de regering verplicht om ze veel ambitieuzer te maken.

Projecten

Naast het algemeen klimaatbeleid van overheden (of het gebrek daaraan) viseren juridische actievoerders ook specifieke projecten die bijdragen tot de opwarming van de aarde. In wat omschreven wordt als de eerste klimaatrechtszaak van het land, oordeelde een rechtbank in Zuid-Afrika in maart 2017 bijvoorbeeld dat het ministerie voor Milieuzaken in de fout ging door de constructie van een op steenkool aangedreven elektriciteitscentrale te autoriseren zonder eerst de impact ervan op de klimaatverandering te onderzoeken. De milieuorganisatie 'Earthlife Africa Johannesburg' (ELA), die de zaak aanhangig maakte, verwelkomde de uitspraak van het Hooggerechtshof van Noord-Gauteng. “Dit vonnis stuurt een duidelijke boodschap naar de regering en alle projectontwikkelaars die plannen introduceren met een potentiële impact op het klimaat: vergunningen kunnen alleen verkregen worden na een grondig onderzoek naar hun mogelijke impact”, verklaarde ELA-woordvoerder Makoma Lekalakala. “Zuid-Afrika is een land dat te kampen heeft met waterschaarste en Waterberg, waar de steenkoolcentrale moest komen, is een gebied dat daar bijzonder gevoelig voor is. De impact van het klimaat is zeer belangrijk voor gemeenschappen en boeren die afhankelijk zijn van het beperkt beschikbare water”. De Zuid-Afrikaanse zaak kwam er in navolging van een aantal gelijkaardige juridische processen tegen specifieke projecten in andere landen, waaronder een zaak in Oostenrijk waar een rechtbank de uitbreiding van een internationale luchthaven blokkeerde omdat dit zou leiden tot een stijging van de CO2-uitstoot.

In Noorwegen is er sinds november 2017 een rechtszaak aan de gang tegen de beslissing van de regering om nieuwe vergunningen uit te reiken om naar olie te boren in het Noordpoolgebied. Het is de eerste keer in 20 jaar dat de Noorse regering dit gebied opnieuw openstelt voor boringen. Volgens de Noorse milieuorganisatie 'Natur og Ungdom' (Natuur en Jeugd) en Greenpeace, die de regering samen voor de rechter dagen, is het boren naar olie op de Noordpool niet alleen immoreel maar schendt deze activiteit ook Artikel 112 van de Noorse Grondwet. Daarin staat gestipuleerd dat de Staat voor iedereen, inclusief de toekomstige generaties, het recht op een veilig en gezond milieu zal garanderen. Het is de eerste keer dat dit grondwettelijk recht getoetst wordt in een rechtbank. De eisers betogen eveneens dat de Noorse regering het Klimaatakkoord van Parijs schendt, waarin ze duidelijk beloofde om de klimaatverandering te helpen beperken. “Wat gebeurt in het Noordpoolgebied, blijft daar niet”, legt een lid van het advocatenteam van de milieuorganisaties uit. “Over heel de wereld vechten gemeenschappen al tegen de effecten van de klimaatverandering. Mensen zijn dakloos geworden door stormen, gedood door overstromingen en lijden honger ten gevolge van verschrikkelijke droogtes. Tenzij we nu ageren, zal de klimaatverandering gevaarlijkere en veel talrijker voorkomende extreme weergebeurtenissen veroorzaken […] Levens, levensonderhoud, woningen en ons milieu lopen allemaal gevaar.” Het is specifiek de globale impact van de Noorse overheidsbeslissing om opnieuw naar olie te boren in het Noordpoolgebied die al meer dan 535.000 mensen overtuigd heeft om publiekelijk hun steun te betuigen voor de rechtszaak. Dat kan via www.savethearctic.org.

Bedrijven

Naast overheden moeten ook steeds meer fossiele brandstofbedrijven voor de rechter verschijnen om verantwoording af te leggen voor hun aandeel in de klimaatverandering. De focus ligt daarbij vooral op de zogenaamde 'Carbon Majors', een groep van 90 grote bedrijven, waaronder Shell, BP en Exxon, die samen verantwoordelijk zijn voor twee derde van alle industriële CO2-uitstoot.

Eind 2015 daagde de Peruaanse boer, Saúl Luciano Lliuya, het Duitse energieconcern RWE AG voor de regionale rechtbank van Essen omdat de enorme CO2-uitstoot van het bedrijf zijn familie, zijn eigendom en een groot deel van zijn woonplaats Huaraz bedreigt. RWE draagt als grootste industriële CO2-uitstoter van Europa bij tot het smelten van een gletsjer die Saúls wereld in de Peruaanse Cordillera Blanca volledig zou kunnen wegvagen. Lliuya verloor de zaak, maar op basis van de interim-uitspraak van de hogere regionale rechtbank van Hamm, dat grote bedrijven wel degelijk aansprakelijk gehouden kunnen worden voor het veroorzaken van gevaren ten gevolge van de klimaatverandering, besloot hij in beroep te gaan. Het proces zit nu in een volgende fase waarin Lliuya mag aantonen dat RWE medeverantwoordelijk is voor de huidige klimaatverandering en bijgevolg ook voor het smelten van de gletsjer die zijn grond bedreigt. Concreet wil de Peruaanse boer dat RWE 17.000 euro bijlegt voor de overstromingsbarrières die zijn gemeenschap wil aanleggen om zich te beschermen tegen het smeltwater. Als je de bescheiden eis ziet, dan is het des te ergerlijk dat RWE zijn duur advocatenteam op deze zaak zet. Het bedrijf is echter bang voor precedenten.

Californië

Ook in de VS liggen de grote oliebedrijven onder vuur. Het zijn echter niet alleen bezorgde burgers en milieuorganisaties die tot juridische actie overgaan. Momenteel zijn drie Californische kustgemeenten in een proces verwikkeld tegen een aantal van de grootste oliebedrijven ter wereld. De gemeenten willen dat deze opdraaien voor de kosten die ze moeten maken als gevolg van de stijging van de zeespiegel, veroorzaakt door de klimaatopwarming. Kort nadat de gemeenten hun rechtszaak gelanceerd hadden, volgden de grotere steden San Francisco en Oakland hun voorbeeld. Deze steden, eveneens gelegen in de staat Californië, zeggen dat ze miljarden dollars schade hebben ten gevolge van het stijgende zeeniveau. De juridische vertegenwoordigers van de Californische steden betogen dat de fossiele brandstoffen-industrie enorme winsten gemaakt heeft terwijl ze perfect wist dat ze “een existentiële dreiging voor de mensheid veroorzaakte”. San Francisco en Oakland spanden elk afzonderlijk rechtszaken aan tegen de vijf grootste oliebedrijven: BP, Royal Dutch Shell, Exxon Mobil, Chevron en ConocoPhillips.

Dennis Herrera, de procureur van de stad San Francisco stelt: “De bedrijven hebben decennialang een mooie winst opgestreken, terwijl ze perfect wisten dat ze het lot van onze steden op het spel zetten. […] Ze spendeerden miljoenen dollars aan de lancering van een desinformatiecampagne die moest ontkennen en discrediteren wat zelfs duidelijk was voor hun eigen wetenschappers: de opwarming van de aarde is een feit en hun product vormt een enorm deel van het probleem. […] De tijd is gekomen voor deze bedrijven om hun verantwoordelijkheid op te nemen voor de schade die ze hebben aangericht en die ze blijven aanrichten”. Een verklaring op de website van de procureur stelt: “De gegevens verzameld door de fossiele brandstoffen-industrie zelf, tonen aan dat de gedaagde bedrijven het Amerikaanse publiek en de wereld bewust misleid hebben over de gevaren van de door fossiele brandstoffen aangedreven klimaatverandering. De verklaring gaat verder: “De bijdrage van de gedaagden aan de opwarming van de aarde heeft het zeeniveau in de baai van San Francisco al in die mate doen stijgen, dat er imminente schade dreigt voor San Francisco en Oakland van stormvloeden”. Beide steden eisen nu dat de industrie een “preventiefonds” financiert om de noodzakelijke infrastructurele aanpassingen te kunnen doen om hun inwoners tegen de gevolgen van de klimaatverandering te beschermen. Zowel San Francisco als Oakland hebben voor miljarden dollars aan publieke en private eigendommen die amper twee meter of minder boven het huidige zeeniveau liggen. Volgens de steden is het totale bedrag dat nodig is voor het preventiefonds niet gekend, maar “verwacht wordt dat het in de miljarden loopt”.



steun ons

© 2018 vrede vzw - website by