Opinie
Ludo De Brabander
Printvriendelijke versie
Militairen op straat? Nog steeds: neen bedankt!

Foto: DWM

Militairen op straat? Nog steeds: neen bedankt!

De mislukte aanslag in het Centraal station in Brussel (20/06) heropende het debat over ‘Operatie Homeland’. We kregen heel wat reacties en aanvallen te verwerken voor ons verzet tegen militairen in het straatbeeld. We leggen nog eens uit waarom militairen in kazernes thuishoren (Foto: DWM)

Op 9 maart 2015 besliste de regering om militairen in te zetten op gevoelige punten in de steden. Het ging om een maatregel als antwoord op de bloedige aanslag tegen de redactielokalen van Charlie Hebdo. Vrede vzw diende twee maanden later, in mei 2015, samen met het Franstalige vredesplatform CNAPD, la Ligue des droits de l'Homme en de Liga voor Mensenrechten een klacht in tegen deze regeringsmaatregel. Als gevolg van de aanslag kregen we recentelijk verschillende reacties die er alle op neer kwamen dat ons verzet tegen de aanwezigheid van militairen in het burgerleven onverantwoord is en dat we de veiligheid van de burger in gevaar zouden brengen. Het tegendeel is waar. Vrede vzw blijft 100% achter haar standpunt staan. We brengen even onze argumenten in herinnering en plaatsen ze in het licht van de actualiteit.

Angstklimaat

De militaire aanwezigheid in de steden is onrustwekkend en te bekritiseren omdat ze in de eerste plaats bijdraagt aan een permanent angstklimaat. Dat levert het glijmiddel voor een klassiek rechts veiligheidsbeleid waarbij de focus ligt op de harde repressieve aanpak in plaats van op preventie. Vooral de N-VA, de partij die de betrokken veiligheidsdepartementen bezet (Binnenlandse Zaken en Defensie), maakt daar graag gebruik van. Vorige zomer publiceerde ze een ‘Veiligheidsplan’ waarin grote termen en overdrijvingen niet worden geschuwd. Volgens de partij is elke locatie “een potentieel oorlogsfront” en dus moeten we naar een wettelijk kader voor het uitroepen van de noodtoestand. Binnen het kader van zo’n noodtoestand kan volgens de N-VA de Nationale Veiligheidsraad het leger inzetten, publieke bijeenkomsten verbieden, huisarrest opleggen en administratieve huiszoekingen verrichten. Verder kan een concreet propagandaverbod voor “een bepaalde groepering als IS” worden ingesteld of kunnen websites offline worden gehaald. We moeten blijkbaar vertrouwen hebben in de goede bedoelingen van onze overheid want volgens het N-VA-document kunnen al deze maatregelen zonder voorafgaandelijke rechtelijke tussenkomst. Hoewel de noodtoestand op essentiële punten tegenstrijdig is met de grondwet, vindt de partij dat de invoering ervan via de gewone wetgeving geregeld moet kunnen worden.

Vraag is waarom tweeënhalf jaar na de invoering van de maatregel de militairen nog altijd niet vervangen zijn door nieuw aangeworven politie-agenten.

Openbare veiligheid is een taak van de politie

Het leger is niet bevoegd om de openbare orde te waarborgen en daar ook niet voor opgeleid. Militairen mogen niet op dezelfde manier optreden als de politie. Ze hebben niet de vereiste politionele bevoegdheden. Als ze problemen vaststellen, moeten ze de politie verwittigen. Zelf mogen ze maar tussenkomen als ze in een situatie van zelfverdediging zitten. Dat is weinig efficiënt. Volgens de regering moeten de militairen de politiediensten ontlasten. Vraag is waarom tweeënhalf jaar na de invoering van de maatregel de militairen nog altijd niet vervangen zijn door nieuw aangeworven politie-agenten. De inzet van militairen wordt immers bekostigd uit de begroting van binnenlandse Zaken. Is de vervanging nog niet gebeurd omwille van incompetentie of omdat de militairen symbool moeten staan voor de gespierde aanpak van het terrorisme? Het persbericht van de regering van 9 maart 2015 zegt dat “er wordt benadrukt dat de inzet van defensie in het kader van het protocolakkoord een tijdelijke maatregel is.” Nu lijkt de N-VA daarin van koers te veranderen. Volgens Matthias Diependaele, de N-VA-fractievoorzitter in het Vlaams Parlement zijn enkel militairen in staat om te gaan met dergelijke “bijna oorlogssituaties”. Hij lijkt dus te suggereren dat het helemaal niet om een tijdelijke maatregel gaat omdat politiediensten niet tegen deze taak zijn opgewassen. Dat laatste is onzin natuurlijk. Nu al zijn er binnen de politie speciale anti-terreureenheden actief. De belangrijkste vaststelling is dat bij de N-VA de oorlogslogica het heeft gehaald van de civiele logica.

Wettelijke beperkingen op de inzet van het leger

De ontplooiing van het leger kan slechts een laatste redmiddel zijn in een democratische rechtsstaat. Artikel 43 van de wet van 1998 inzake de organisatie van een geïntegreerde politiedienst voorziet twee voorwaarden voor het inzetten van het leger in de straten: 1. bij een “ernstige en nakende dreigingen van de openbare orde” en 2. als de lokale en / of de federale politie over onvoldoende middelen beschikt om een antwoord te bieden aan het gestelde dreigingsniveau. Volgens de dreigingsniveaus van OCAD speelt een dergelijke ernstige en nakende dreiging zich af op het niveau 4 en niet op dreigingsniveau 3. De wetgever is ook duidelijk wat betreft de tweede voorwaarde voor het inzetten van militairen. Volgens de wet moet vastgesteld worden of de middelen van de lokale en federale politie daadwerkelijk ontoereikend zijn. En als dat zo is, dan is het geenszins de bedoeling dat het leger op lange termijn deze politietaken vervult (zie het vorige punt).

Brede veiligheidsaanpak en meer aandacht voor preventie

Vrede vzw en de partnerorganisaties kregen kritiek omdat we met ons standpunt de veiligheid in gevaar zouden brengen. Het tegendeel is waar. Ons standpunt is dat het om een taak gaat van de politie die daarvoor is uitgerust. We pleiten ook voor een veel bredere veiligheidsaanpak waar meer oog is voor de oorzaken van terreur. De repressie en ‘gespierde’ oproepen tot ‘opkuisacties’ zoals in Molenbeek, werken het ongenoegen in probleemwijken verder in de hand en dat kan nu net niet de bedoeling zijn. Ook de oorlogspolitiek van het buitenlands beleid is aan herziening toe. Toen de Islamitische Staat de aanslagen in Parijs (november 2015) en Brussel (maart 2016) opeiste verwees ze naar de bombardementen in Irak en Syrië en verkochten de extremisten de aanslagen als een vergelding en wraakactie. M.a.w. deze militaire operaties dienen in elk geval onze veiligheid niet, ze maken ons tot schietschijf.

Geen verijdelde, maar mislukte aanslag

De betrokken militair heeft wellicht gehandeld zoals hij moest handelen. Maar hij heeft de aanslag niet verijdeld. Het ging immers om een mislukte aanslag. De verdachte kon probleemloos het station binnenwandelen. Het aanwezige leger was dus helemaal niet in staat om deze aanslag te verhinderen. De bom is (gelukkig) niet tot ontploffing gekomen. Heeft het militair optreden erger voorkomen? Misschien wel, maar een politiefunctionaris kon op dezelfde wijze gereageerd hebben.

steun ons

© 2017 vrede vzw - website by