Antoon Roossens
Printvriendelijke versie
Tags 

Mondialisering Deel I : oorzaken en kenmerken

vredescahier 4/2000 "Mondialisering" door Antoon Roosens

Hoofdstuk 1.Technische innovatie, basis van de mondialisering

De tweede helft van de 20e eeuw kende een historisch ongeëvenaarde golf van vooruitgang in wetenschap en techniek. Het is deze vooruitgang die de mondialisering mogelijk èn noodzakelijk maakte.De voornaamste domeinen van de technologische vernieuwing, vanuit het oogpunt van de mondialisering, waren de verkeers- en vervoersmiddelen, en de communicatiemiddelen.

Op gebied van de verkeersmiddelen zag men de spectaculaire ontwikkeling van de luchtvaart, van schroefvliegtuigen tot straalvliegtuigen en supersonische toestellen. Het wegverkeer kende de snelle veralgemening van de auto en van het vrachtwagenvervoer. Samen met de uitbouw van een internationaal net van autosnelwegen werden daardoor de verplaatsingstijden over land op korte tijd tot minder dan de helft gereduceerd. In het spoorwegverkeer werd de stoomlocomotief vervangen door de elektrische tractie, die de weg baande voor de hogesnelheidstrein. In de zeevaart verscheen de supertanker, en vooral het containervervoer dat toeliet de tijd en de kosten van laden en lossen te reduceren tot een fractie van wat vooraf bestond. Al deze ontwikkelingen steunden op belangrijke wetenschappelijke innovaties op gebied van metaalbewerking en metaalconstructie, elektrische, chemische en mechanische technieken.

Op gebied van de communicatiemiddelen kan men spreken van een ware revolutie. De computer, de glasvezelkabel, de draadloze transmissie, enz., hebben op korte tijd een volkomen nieuwe wereld van telecommunicatie en van opslag, bewerking en transmissie van informatie, tot stand gebracht. Men mag stellen dat afstand en tijd opgehouden hebben te bestaan als factoren van communicatie. Deze technische innovaties vormden de basis voor de overgang van nationale en multinationale ondernemingen, naar mondiale groepen met een continentaal en intercontinentaal geïntegreerd productienet. Verschillende productie-eenheden van eenzelfde groep, gevestigd in verschillende landen en zelfs verschillende werelddelen, waren voortaan in de technische mogelijkheid om, snel en zonder hoge kosten, de ene aan de andere de onderdelen toe te leveren van eenzelfde eindproduct. De productie van deze verschillende onderdelen kon worden geconcentreerd in één van deze vestigingen, en van daaruit geleverd worden, “just in timeâ€Â, aan de andere ondernemingen van de groep. Dit liet grote kostenbesparingen toe, ingevolge de enorme schaalvergroting van de productie van al deze onderdelen, en de sterke reductie of uitschakeling van de inventarissen. En de computer, gekoppeld aan de moderne communicatiemiddelen, maakte het mogelijk om, vanuit één centrale plaats, de volledige productie van de verschillende afdelingen te leiden, te controleren en op elkaar af te stemmen, zodat alle nodige onderdelen voor het eindproduct steeds op tijd ter beschikking stonden in die verschillende vestigingen.

Waar vroeger de productie-eenheden van een multinationale firma elk op zichzelf het volledige gamma van onderdelen moest produceren (of in onderaanneming laten aanmaken), om deze nadien in te bouwen in het eindproduct bestemd voor hun eigen markt, daar ontstaat nu één enkele geïntegreerde productieketting, die de vestigingen van de mondiale groep in verschillende landen en continenten verbindt. Over de gehele wereld telt men een 200-tal “megasystemenâ€Â die al de kenmerken vertonen van een mondiale groep.

Hoofdstuk 2. Kenmerken van de mondiale groepen

In zijn baanbrekend werk “La mondialisation du Capitalâ€Â (4) onderscheidt François Chesnais vier grote kenmerken, die gemeen zijn aan alle mondiale groepen:

-zij zijn actief in een of meerdere takken van de hoog-technologische nijverheid;

-zij zijn ingeplant in de drie polen van de “triadeâ€Â: Noord-Amerika, West-Europa en Oost-Azië;

-zij beheersen het wetenschappelijk onderzoek en de technische ontwikkeling in hun bedrijfstak;

-zij bekleden, in hun bedrijfstak, een oligopoliepositie op de wereldmarkt (d.w.z. dat er slechts een gering aantal producenten optreedt aan de aanbodzijde van de markt, uitg.)

Wij voegen daar nog een vijfde gemeenschappelijk kenmerk aan toe:

-zij hebben allen een rechtstreekse toegang tot de gedereguleerde, mondiale kapitaalmarkt.

1.- Het terrein van de mondiale groep is de hoogtechnologische nijverheid.

De basisvoorwaarde voor de vorming van een mondiaal geïntegreerd productienet is de mogelijkheid om onderdelen en producten snel en goedkoop te transporteren over grote afstanden. Daaruit volgt dat basisnijverheden, zoals de staalindustrie of de bouwmaterialen b.v.., zich niet lenen tot exploitatie in een wereldnet. Ondanks de zeer grote vooruitgang gerealiseerd in de transporttechnieken, blijven de kosten van vervoer voor deze relatief eenvoudige, maar zware en omvangrijke producten, meestal te hoog om op te wegen tegen het voordeel van de schaalvergroting door concentratie van de productie op één plaats. Ook de textielnijverheid stuit, in principe, op deze hinderpaal van een ongunstige verhouding tussen de waarde van het product (of de grondstof) en de vervoerkost per eenheid.

Het zijn dus, op enkele uitzonderingen na, de nieuwe industrietakken met hoogtechnologische inslag, waar de mondiale groepen tot stand komen, zoals :

- de chemische nijverheid: petrochemie, farmaceutische nijverheid, biotechnologie, ...

- de verfijnde metaalconstructie: motoren, elektrische toestellen en uitrusting, en een uitgebreide gamma van andere componenten voor de lucht- en ruimtevaart, de autoconstructie, de machine- en werktuigindustrie, de bewapeningsindustrie, ...

- de elektronische constructie: alle producten van informatica en communicatiemiddelen.

De uitzonderingen omvatten enkele takken van de traditionele nijverheid, zoals de confectie en, vooral, de agroalimentaire nijver-heid.

De mondialisering is dus in essentie een industrieel verschijnsel. Er zijn ongetwijfeld een groot aantal ondernemingen uit de dienstensector, die vestigingen hebben in verschillende landen en zelfs continenten. Doch deze vormen geen geïntegreerd productienet, met toelevering van componenten van de ene vestiging aan de andere. Het blijven autonome, van elkaar losstaande productie-eenheden. Dit geldt bijvoorbeeld voor banken en andere financiële instellingen met succursalen verspreid over de gehele wereld. Dergelijke ondernemingen zijn wel multinationaal, maar zij vormen geen mondiale groep in de technische betekenis van dat woord. Net als een staat, die over een wereldwijd net van ambassades en consulaten beschikt, daarom nog geen mondiale groep is.

2.- Zij zijn ingeplant in de drie polen van de triade.

Zowel de thuisbasis van de mondiale groepen, als de quasi-totaliteit van hun menigvuldige productie-eenheden, zijn gevestigd in een van de drie grote ontwikkelingspolen van de wereldeconomie, te weten :

- Noord-Amerika : de V.S.A. en Canada, met Mexico en enkele andere Latijns-Amerikaanse landen in de periferie;

- West-Europa: de kernlanden van de Europese Unie, met enkele Middellandse-Zeelanden (en weldra ook Midden-Europese landen) als periferie;

- Oost-Azië en de Pacific-rand: Japan, Zuid-Korea, Australië en Nieuw-Zeeland, met een reeks andere Zuid-Oost-Aziatische landen als periferie.

In tegenstelling met een veel verspreide mening, vallen de zgn. lageloonlanden of ontwikkelingslanden vrijwel volledig buiten de actiesfeer van de gemondialiseerde kapitalistische industrie.

De redenen van deze tripolaire inplanting zijn voornamelijk van tweeërlei aard. Vooreerst kan geen enkele mondiale groep toelaten dat één van zijn rivalen alléén de eigen thuismarkt zou beheersen. Want dat zou aan deze rivaal een monopoliepositie verschaffen op zijn eigen markt, waardoor hij hogere prijzen zou kunnen realiseren om hem dan toe te laten op de wereldmarkt met lagere prijzen te komen concurreren. Vermits alle mondiale groepen deel uitmaken van een beperkt oligopolie in hun bedrijfstak, en elk van deze rivalen zijn thuisbasis heeft in een van de drie grote wereldpolen, volgt daaruit de nood-zakelijkheid voor alle andere groepen, die deel uitmaken van dezelfde oligopolische kern, om ook aanwezig te zijn op het eigen terrein van al de andere leden van die kerngroep.

Doch de voornaamste reden ligt elders. De meeste ontwikkelings-landen beantwoorden niet aan de noodzakelijke vereisten voor de succesvolle inplanting van een hoogtechnologische industrie. Deze vereisten zijn, onder meer :

- het bestaan van een veelzijdig en hoogontwikkeld transport- en communicatienet;

- de aanwezigheid van een talrijke klasse van hooggeschoolde arbeiders, vnl. intellectuele arbeiders;

- de aanwezigheid van een gediversifieerd en competitief net van diensten aan ondernemingen, zoals accountants- en advocaten-kantoren, technische onderhoudsdiensten, vervoerondernemingen, bewakings- en schoonmaakbedrijven, enz.,enz.

- de nabijheid van universitaire centra of openbare onderzoeksinstellingen, waarbij kan aangeleund worden voor het wetenschappelijk onderzoek en de technische ontwikkeling van de groep zelf;

- en tenslotte, een stabiel en beschaafd politiek regime dat aan de groep een rustige en veilige juridische omgeving biedt.

Het gemiddeld loonpeil van het betrokken land is het laatste en minst belangrijke criterium bij de keuze van de vestigingsplaats van een productieafdeling van een mondiale groep. Ook al omdat, in de hoogtechnologische nijverheid, de loonmassa slechts een klein - en van jaar tot jaar afnemend - onderdeel is van de totale productiekost. Slechts in marginale gevallen, waar het gaat om de productie van eenvoudige en relatief onbelangrijke componenten, zal het lagere loonpeil de doorslag geven. En dan zal het meestal nog gaan om een land in de periferie van een van de drie polen.

3.- De beheersing van 0&0 (Onderzoek en Ontwikkeling) in hun tak.

In de gemondialiseerde technologische nijverheid is er geen prijsconcurrentie meer. Dit druist in tegen een algemene, ook ter linkerzijde verspreide, mening als zou de moordende concurrentie het hoofdkenmerk zijn van de mondialisering. Een mondiale groep behoudt of vergroot zijn marktaandeel binnen het oligopolie, niet door eenzelfde product als de anderen aan te bieden tegen een lagere prijs, maar wel door een technisch nieuw of superieur product aan te bieden, tegen een hogere prijs ! Het technisch nieuwe product verdrijft onmiddellijk het oude product van de rivaal uit de markt. De producent van het nieuweproduct verovert aldus, meestal voor enkele jaren, een feitelijk monopolie op de markt van dat product. Hij kan de prijs ervan dan ook vaststellen op een niveau dat buiten elke proportie ligt met de reële kostprijs. De basis van dit verschijnsel is de buitengewone versnelling, sinds de laatste wereldoorlog, van het ritme van de wetenschappelijke en technische innovatie. In de 18de en 19de eeuw waren nieuwe ontdekkingen het - soms toevallig - resultaat van jarenlang onderzoekswerk door een meestal geïsoleerd, buitengewoon begaafd individu. Vooraleer het nieuwe product of procédé doordrong tot het reële productieproces, verliepen meestal jaren, zoniet decennia.

Vanaf de vooravond van de tweede wereldoorlog wordt het wetenschappelijk onderzoek, en de ontwikkeling van de eraan verbonden technische procédé ‘s, de zaak van de overheid. De nationale staat was het instrument van de grote financiële groepen, de trusts of holdings, die toen binnen elke natie de grote nijverheidstakken controleerden. De staat verdedigde hun collectieve belangen. De steeds grotere investeringen vereist voor de wetenschappelijke en technische research worden door de staat gedragen. Ook de buitenlandse politiek stond in functie van de belangen van de financiëel-industriële bourgeoisie, en niet in het minst de koloniale politiek en de imperialistische oorlog die het supreme wapen was in de strijd om de wereldmarkt met de andere, nationale bourgeoisieën. Aldus ziet men, tijdens de tweede wereldoorlog, een aanzienlijke stroomversnelling ontstaan op gebied van Onderzoek & Ontwikkeling. De spectaculaire doorbraken op gebied van wetenschap en techniek waren het rechtstreeks resultaat van de reusachtige bewapeningsinspanningen van de oorlogsvoerende mogendheden. Denken wij slechts aan de luchtvaarttechniek, met de ontwikkeling van de straalmotoren. De eerste Duitse straaljagers waren operatief tijdens de laatste jaren van de oorlog. En het was ook Duitsland dat, met zijn raketten, de technische basis legde voor de latere ruimtevaart. Daarentegen waren het de V.S.A. die de leiding namen op het gebied van de atoomenergie, en die de eerste kernbommen boven Hiroshima en Nagasaki op gruwelijke wijze konden uittesten (Nochtans waren het niet de Amerikanen, maar wel alleen de Duitsers, die te Nurenberg werden berecht wegens oorlogsmisdaden... ).

Toen in de tweede helft van de 20e eeuw de mondiale groepen ontstonden, precies op het terrein van de nieuwe technologische nijverheden, verschoof het centrum van 0 & 0 opnieuw. Onderzoek en Ontwikkeling was niet langer de zaak van universiteitslaboratoria of door de staat gefinancierde en geleide onderzoeksinstellingen. Het werd de zaak van de technologische industrie zelf, precies omdat binnen de mondiale oligopolies de prijsconcurrentie wordt vervangen door de technische rivaliteit.

Elke mondiale groep investeert onophoudend reusachtige financiële middelen in 0 & 0. De knapste wetenschapslui worden weggekocht uit universiteiten en officiële instellingen om zich, in perfect uitgeruste laboratoria en met medewerking van een uitgebreide staf, toe te leggen op onderzoek en ontwikkeling dat exclusief is gericht op de specifieke marktstrategie van de groep. De afdeling 0 & 0 is niet zelden de zwaarste post in de courante bedrijfsuitgaven van de groep. Fran Chesnais verwijst, in zijn reeds geciteerd artikel in het tijdschriftLa Pensée ‘, naar studies waaruit blijkt dat in de OESO-landen 80 % van alle uitgaven voor 0 & 0, door de grote industriegroepen gedaan worden.

Dit heeft tot gevolg dat het algemeen ritme van wetenschappelijke en technische innovatie voortdurend versnelt. Ook de tijd, verlopend tussen het theoretisch op punt stellen van een nieuwe techniek, en de praktische toepassing ervan in het reëel productieproces, wordt tot het uiterste gereduceerd. Niet zelden staan de nieuwe productiekettingen reeds klaar, en start de publiciteit naar de consument toe, nog voor de innovatie volledig op punt staat.

De politieke invloed van de mondiale groepen, en de reusachtige financiële middelen waarover zij beschikken, maken dat ook aan de universiteiten het onderzoek steeds meer wordt gericht op de behoeften van de industrie, ten koste van het algemeen, niet direct aan de productie gebonden, wetenschappelijk onderzoek.

Terloops dient hier aangestipt dat deze dolle vlucht vooruit, naar steeds nieuwe technieken en producten, radicaal indruist tegen de ecologische droom van een duurzame productie. Alle producten van de gemondialiseerde industrie zijn na enkele jaren technisch verouderd en dus, vooraf en per definitie, bestemd voor de schroothoop. Ondertussen betaalt de verbruiker voor elk nieuw product werkelijke monopolieprijzen, die ver uitstijgen boven de reële economische waarde ervan.

4.- De oligopoliestructuur van de gemondialiseerde industrie.

Toen de naoorlogse springvloed van wetenschappelijke en technische innovaties, het nationale kader waarbinnen de industrie voorheen was gestructureerd, deed openbarsten, ontstond er een nieuwe specifieke vorm van concentratie van de (industriële) productiemiddelen, ditmaal op wereldschaal.

De voortschrijdende concentratie van deze productiemiddelen behoort tot het wezen zelf van de kapitalistische economie. Maar de vorm van deze concentratie verschilt van de ene periode tot de andere. In het kapitalisme van de 18de en 19de eeuw, zoals door Marx bestudeerd, gebeurde de concentratie rechtstreeks op het terrein zelf van het industrieel productieapparaat. Door het mechanisme van de prijsconcurrentie elimineerden de technisch beter uitgeruste ondernemingen de zwakkere eenheden. Zodoende kwamen in de verschillende bedrijfstakken, binnen elke nationale markt, een aantal dominante industriële bedrijven naar voor.

Vanaf het einde van de 19de eeuw, met het ontstaan van de aandelenvennootschap, neemt de concentratie een nieuwe gestalte aan. Zij gebeurt niet meer uitsluitend op het terrein van het industrieel kapitaal, maar hoofdzakelijk op het terrein van het financieel kapitaal. De omzetting van het reëel functionerende kapitaal van de onderneming in abstracte titels, de aandelen, maakte het mogelijk dat een beperkt aantal zakenbanken of holdings de feitelijke controle verwierven over de grote industriële ondernemingen, bij middel van de aandelenportefeuille in hun bezit. Het zwaartepunt van het kapitalistisch systeem verschoof van de industriële naar de financiële sector. Rond het midden van de 20e eeuw werden in ons land de 500 grootste industriële ondernemingen, actief in 16 verschillende bedrijfstakken, en waarvan de gezamenlijke winst nagenoeg 2/3 bedroeg van de totale winst in de nijverheid, gecontroleerd door enkele holdings, zoals de Société Générale, Brufina, Sofina, Groep Lambert,enz (5).

Met de overgang van nationaal naar mondiaal kapitalisme, verschuift het zwaartepunt van de concentratiebeweging opnieuw naar de industriële sfeer, met name naar de grote mondiale groepen. Het is geen toeval dat de overgrote meerderheid van deze groepen Amerikaans, Duits of Japans zijn. Het is immers in deze drie landen dat de regeringen, onmiddellijk voor en tijdens de laatste wereldoorlog, de grootste investeringen hebben gedaan in de ontwikkeling van nieuwe technologieën. En het is precies op het terrein van deze nieuwe technologieën dat de ondernemingen, die later zullen uitgroeien tot mondiale groepen, tot ontwikkeling komen. Het gaat dus niet om ondernemingen uit de oude basis-nijverheden die, in alle landen, onder de controle en in het bezit waren van het financieel holdingkapitaal.

Het is dank zij de technologische voorsprong, die zij tijdens de oorlogsjaren verworven hadden in hun thuislanden, dat zij snel de kleinere bedrijven overvleugelen, opslorpen en opkopen, welke in de andere landen actief waren in hun respectievelijke bedrijfssectoren. Ondanks hun groei tot mondiale groep, behouden zij ook zeer duidelijk hun oorspronkelijk nationaal karakter. Geen mens die eraan twijfelt dat I.B.M. Amerikaans is, Toyota Japans of Siemens Duits. Het is immers in hun thuisland, hun eigen nationale staat, dat zij niet alleen de economische maar ook de politieke machtsbasis vinden voor hun verovering van de wereldmarkt.

Het is dus duidelijk niet het bankkapitaal, maar het eigenlijke industriële kapitaal van de technologisch meest geavanceerde landen, dat de leiding heeft van de nieuwe concentratiegolf die zich ontwikkelt in het kader van de mondialisering.

Hoewel de cijfers verschillen van de ene studie tot de andere, en van het ene jaar tot het andere, kan men als vuistregel stellen dat in praktisch alle takken van de hoogtechnologische nijverheid, 65 % tot 90 % van de wereldmarkt wordt gecontroleerd door een klein aantal mondiale groepen. Het extreme geval is wel de burgerlijke vliegtuigconstructie waar, sinds de fusie van Boeing met Douglas-Mc Donnel, nog 2 constructeurs overblijven: Boeing en Airbus. Aan het andere uiteinde staat - of stond - de autoconstructie, waar in 1992 nog 23 firma ‘s instonden voor 94 % van alle gebouwde voertuigen. Doch sindsdien - en vooral na de Oost-Aziatische financiële crisis - is ook in deze sector door een golf van overnamen en fusieakkoorden, het aantal groepen aanzienlijk gedaald. Alles samen gaat het om een paar honderd groepen die, elk in hun bedrijfstak, een kleine kern vormen met een beslissende greep op de markt.

Zoals hoger onderlijnd, verschilt de werking van deze oligopolie-structuur aanzienlijk van deze van de vroegere, nationale oligopolies. Toen was de prijsconcurrentie de hefboom van de concentratie. In de strijd om de overheersing van de  nationale - markt moesten alle ondernemingen - ook de grootste - hun prijzen drukken, teneinde de technisch slechter uitgeruste bedrijven uit de markt te verdringen. Zodra een bepaalde graad van concentratie op de nationale markt was bereikt, ontstond er tussen de overblijvende grote onderne-mingen kartelvorming. De prijzen werden van dan af vastgelegd in onderlinge, geheime akkoorden die toelieten dat elk lid van het kartel zijn marktaandeel kon behouden. De holdings speelden een beslissende rol in deze vorm van prijsfixatie. Alleen de buitenlandse concurrentie op de wereldmarkt, kon de prijzen nog in beweging brengen.

Bij de mondiale oligopolies gaat de concentratiebeweging door. Er speelt weliswaar geen prijsconcurrentie meer, maar er is evenmin kartelvorming en vastlegging van eenieders marktaandeel. De onverbiddelijke strijd om het bestaan gaat verder, binnen elke oligopoliegroep, maar niet meer door een neerwaartse druk op de prijzen, doch als resultaat van een ongenadige wedren naar technische innovatie.

Het is ook door deze voortdurende stroom van technische innovatie, dat de toegang tot de oligopolieclub wordt afgegrendeld voor nieuwe ondernemingen. Men moet reeds tot de kern van de groten behoren, om de enorme financiële middelen te kunnen mobiliseren die vereist zijn om deel te nemen aan die technische wedren. Wanneer een kleine onderneming er dan toch in slaagt een technische doorbraak op een of ander deelterrein te realiseren , beschikt zij niet over de organisatorische ruggengraat om haar nieuw product wereldwijd succesvol op de markt te brengen, o.m. door gebrek aan inplanting in de drie polen van de triade. Een dergelijk pioniersbedrijf wordt dan ook meestal na enkele jaren opgeslorpt door een van de bestaande mondiale groepen.

5.- De rechtstreekse toegang tot de kapitaalmarkt.

In het klassieke schema van de kapitalistische productiewijze, zoals door K.Marx op geniale wijze ontleed, speelt het financieel- of bankkapitaal een centrale rol.

Het klassieke marxistische schema:

In de productiecyclus wordt geld (G) eerst omgezet in koopwaren (W), waarvan een deel bestaat uit productiemiddelen (Pm) en een deel uit arbeidslonen (A). Tijdens de productie (P) worden de productiemiddelen (Pm) door de levende arbeidskracht (A) omgevormd tot andere, nieuwe koopwaren, die een hogere waarde hebben (W1) dan de oorspronkelijk geïnvesteerde (W) . Deze nieuwe koopwaren gaan dan in het circulatieproces: zij gaan naar de markt om te worden verkocht en aldus opnieuw de vorm aan te nemen van geld, maar in grotere hoeveelheid (G ‘) dan het oorspronkelijk geïnvesteerde bedrag (G). Het verschil tussen  is de ondernemerswinst, resultaat van de meerwaarde gecreëerd door de levende arbeidskracht (A) tijdens het productie-proces.

Tussen het tijdstip waarop de nieuw geproduceerde koopwaar wordt verkocht en omgezet in geld , en het tijdstip waarop dit laatste geld opnieuw wordt omgezet in koopwaar om een nieuwe productiecyclus te starten (G->W), verloopt meestal een bepaalde, langere of korte tijd, tijdens dewelke dat geldbraakligt: het is nog niet opnieuw geïnvesteerd in productiemiddelen en arbeidslonen. Dat braakliggende geld wordt door de menigvuldige individuele ondernemers tijdelijk geplaatst bij de bank (waar het geen winst, maar wel rente opbrengt).

De rol van de banken bestaat er precies in, al dat tijdelijk inoperatieve geld te verzamelen om het opnieuw ter beschikking te stellen van de ondernemer. Zij accumuleren financieel kapitaal, d.i. geld dat niet is geïnvesteerd in de eigenlijke productie, en zetten het opnieuw om in productief kapitaal. In het tijdperk van het entrepreneurkapitalisme gebeurde deze omzetting van financieel kapitaal in productief kapitaal op twee manieren: door het verlenen van commercieel krediet aan de kapitalistische ondernemer, of door het verlenen van industrieel krediet. Het commercieel krediet, of wisselkrediet, werd verleend aan de ondernemer die zijn productie verkocht aan de (groot-)handelaar (W ‘->G ‘), maar door deze laatste niet contant werd betaald, slechts op termijn. De ondernemer trok dan een wisselbrief op de handelaar en het bedrag van deze wisselbrief werd door de bank voorgeschoten aan de ondernemer (onder afhouding van een disconto). Bij industrieel krediet schiet de bankier aan de ondernemer een bepaalde som voor, om hem toe te laten de nieuwe productiefase sneller , of op grotere schaal, aan te vatten.

In het daaropvolgende tijdperk van het financieel kapitalisme neemt de omzetting van financieel kapitaal in productief kapitaal een totaal nieuwe vorm aan: de onderschrijving van aandelen. Met de vooruitgang van wetenschap en techniek waren er steeds omvangrijker kapitalen vereist in de industrie. Er moest relatief meer worden geïnvesteerd in vaste productiemiddelen: grond, gebouwen en vooral machines. Deze vaste productiemiddelen worden steeds belangrijker in verhouding tot de circulerende productiemiddelen: grondstoffen, energie en intermediaire producten of onderdelen. Doch terwijl de aankoop van circulerende productiemiddelen kan worden gefinancierd bij middel van kortlopend, industrieel krediet, vereist de aanschaffing van vaste productiemiddelen een investering van kapitaal op lange termijn. Machines en gebouwen worden immers afgeschreven over vele jaren, daar waar grondstoffen en energie tijdens elke productiecyclus volledig worden verbruikt, en dus volledig worden doorgerekend in de prijs van de koopwaren van elke cyclus. De banken kunnen de hun toevertrouwde deposito ‘s wel gebruiken voor het verlenen van commercieel of industrieel krediet, op korte termijn, maar zij zouden het noodzakelijk evenwicht tussen deposito ‘s en uitstaande kredieten in gevaar brengen, indien zij deze gelden van derden zouden investeren voor onbepaalde duur in industriële ondernemingen. De individuele of familiale onderne-ming, die wil uitbreiden, wordt daarom omgevormd tot aandelen-vennootschap. De bank onderschrijft deze aandelen, niet met deposito ‘s maar met eigen kapitaal. Zij behoudt een deel van deze aandelen in portefeuille (vandaar de naam holding), zodat zij in de aandeelhoudersvergadering een meerderheid behoudt, en de vennootschap onder haar leiding en controle komt. De rest van de aandelen wordt geplaatst bij de klanten van de bank of, veeleer, op de beurs geïntroduceerd voor het grote publiek. En vermits de gezamenlijke prijs van de aandelen aanzienlijk de waarde van het reëel producerende kapitaal van de onderneming overtreft, wint de holding het eigen geïnvesteerde kapitaal terug door de plaatsing van een deel van die aandelen.

Het is deze omvorming van de individuele onderneming tot aandelen-vennootschap die, vanaf de laatste decennia van de 19de eeuw, tot de opkomst van het financieel kapitalisme heeft geleid. Van dan af kwam de grote, traditionele nijverheid in het feitelijk bezit en onder de effectieve leiding van het holdingkapitaal. In België gebeurde deze overgang vroeger dan elders. Vanaf de jaren 1850 reeds kwam de Waalse ijzer- en steenkoolindustrie blijvend in handen van het Belgisch Brussels holdingkapitaal, toen deze nijverheid grote kapitalen zocht voornamelijk voor de introductie van de stoommachine.

Met de mondialisering van de hoogtechnologische nijverheid, in de tweede helft van de 20e eeuw, begint een nieuwe fase in de relatie tussen financieel en industrieel kapitaal.

Vooreerst, zoals reeds gezegd, zijn de mondiale groepen gegroeid uit de nieuwe, technologische nijverheidstakken, buiten het domein van de traditionele nijverheid die was gecontroleerd door het financieel kapitaal. Maar, vooral sinds de deregulatie van de kapitaalmarkten, doen zij ook geen beroep meer op het bankkapitaal voor de financiering van hun stijgende kapitaalsbehoeften. Zij gaan rechtstreeks naar de beurs, over de hoofden van de banken heen, en zij plaatsen hun emissies van aandelen en -vooral - van obligaties rechtstreeks bij het grote publiek, en bij de nieuwe verzamelaars van financieel kapitaal: de pensioens- en beleggingsfondsen. De (zaken-)banken komen hoogstens nog tussen als plaatsingsagenten van de uitgegeven effecten, niet meer als onderschijvers met eigen kapitaal.

Trouwens - en hierop zal verder uitvoerig worden teruggekomen - de accumulatie van financieel kapitaal gebeurt vandaag niet meer in het bankcircuit, zoals ten tijde van Marx en Hilferding(°). De kapitalen, geaccumuleerd binnen het klassiek kapitalistische circuit, zijn sinds decennia ontoereikend geworden om de kapitaalsbehoeften van de industrie te dekken.

Het moge volstaan hier tot besluit te stellen dat het laatste - en niet het minst belangrijke - kenmerk van de mondiale groepen is , dat zij een rechtstreekse toegang hebben tot de kapitaalmarkt, zonder de mediatie van banken, holdings of trusts.

Noten

(1)Wij verkiezen de term mondialisering boven globalisering, omdat het Engelse global een totaal andere betekenis heeft dan het Nederlandse globaal

(2)In zijn bijdrage L ‘émergence d ‘un régime d ‘accumulation mondiale  dominante financi, in het tijdschrift La Pensée 309, 1977

(3)Rik Coolsaet: De wereld van de 21e eeuw: wanorde of déjà, uitg. Demokritos - Mededelingen van de Werkgroep Politieke Wetenschappen, Universiteit Gent, 1999.

(4)Franois Chesnais : La Mondialisation du Capital, éd.Syros, Paris, 1994.

(5)Pierre Joy :«Les Trusts en Belgique», Société d ‘Editions Populaires, Bruxelles, 1956 - 1964.

(6)Rudolf Hilferding : «Das Finanzkapital», Wien, 1910.

(°) Hilferding: Duits politicus en econoom. Hij werd in 1877 in Wenen geboren en stierf in Buchenwald 1941. In 1910 schreef hij Das Finanzkapital. Van 1907 tot 1915 was hij redacteur van het socialistisch partijblad Vorwarts.

neem een combinatieabonnement tijdschrift-vredescahiers: 38 euro op prk 000-0956015-80 van Vrede vzw

steun ons

© 2021 vrede vzw - website by