Dossier
Ruddy Doom (*)
Printvriendelijke versie
Neo-populisme. Een essay met een donker randje
Beeld: Gerd Altmann

Neo-populisme. Een essay met een donker randje

Ruddy Doom buigt zich in dit essay over het fenomeen neo-populisme, een 'stroming' die de jongste jaren in opkomst is in Europa inspelend op emoties als angst en onzekerheid. Het succes van neo-populisten houdt evenzeer verband met het ontbreken van duidelijke verhalen bij gevestigde partijen.

Ik wil via deze bedenkingen in vogelvlucht omtrent neo-populisme twee zaken belichten.

Een: het helpt de analyse geen stap verder door de moraliteit als uitgangspunt te nemen. A priori met een beschuldigende vinger wijzen kan op een politieke tribune wervend zijn, het belemmert een juist begrip. Populisme een bord voor de kop hangen als hermodulering van fascisme verduistert meer dan het verklaart (natuurlijk belet niets ons om parallellen te zoeken). Om snelle associaties met de jaren dertig te vermijden opteren we voor de omschrijving neo-populisme.

Twee: er is een lange voorgeschiedenis, een rizomatisch of heterogeen netwerk dat uiteindelijk leidt tot neo-populisme. Dat is in eerste instantie zo omdat een aantal elkaar onderliggende feitelijkheden een voedingsbodem tot stand brachten waarop neo-populisme als ideologie tot wasdom kon komen. Dat betekent onder meer -voor velen een onprettige gedachte - dat neo-populisme geen voorbijgaande kramp is. Het zou best wel eens kunnen dat deze volkspartij een blijver wordt. Al kun je in deze volatiele tijden beter spaarzaam zijn met voorspellingen.

Want er komen andere tijden...

Je kan de uitspraak van Antonio Gramsci dat wanneer het oude afsterft terwijl het nieuwe er nog niet is dit leidt tot een diepe crisis, makkelijk afdoen als een platitude. Tussen een en twee bevindt zich een turbulente overgangsperiode: op die manier geformuleerd klinkt het inderdaad niet direct als een innovatieve vaststelling. Als je wat dieper graaft openen zich evenwel vruchtbare perspectieven op wat zich voor onze ogen afspeelt. Vooreerst betekent crisis voor Gramsci meer dan een economische depressie, maar slaat het op wat we nu een systeemcrisis noemen: onzekerheid en verwarring op meerdere terreinen.

Een deterministische lezing van Marx stelt dat een economische ineenstorting onvermijdelijk en een machtsovername door het proletariaat al even onafwendbaar is. Gramsci wijst deze mechanistische redenering af, omdat hij het begrip 'historische noodzaak' tussen haakjes plaatst. Een crisis kan als hefboom fungeren voor progressieve veranderingen indien de -vloeiende - objectieve voorwaarden vertaald worden in subjectief politiek bewustzijn. Concreet: indien de politieke bekwaamheid van het leiderschap van de contra-beweging er in slaagt om de crisis te articuleren naar een breed gedragen maatschappelijk draagvlak. Zoniet is het gevaar groot dat rechts en uiterst rechts diezelfde situatie aangrijpen om hun hegemonie te installeren.

Hegemonie is een sleutelbegrip bij Gramsci. Daarmee bedoelt hij een totaal aan opvattingen - economisch, politiek, cultureel ... - over hoe een samenleving 'natuurlijk' functioneert. Voor een deel worden deze denkbeelden opgelegd (a la limite met geweld), voor een deel steunt de aanvaarding ervan op de bereidheid bij grote delen van de bevolking om zich die uitgangspunten eigen te maken, of er zich minstens bij neer te leggen. Napoleon wist het reeds: je kan niet zitten op de punten van bajonetten. Een zekere consensus veronderstelt dat de dominante krachten bereid zijn om een praktische politiek van concessies te voeren om de hegemonie af te kopen. Er moeten m.a.w. materiële compensaties komen in ruil voor (passieve) steun.

* * *

De jaren zestig, kenmerken zich door een economische boom en verschaffen de middelen om een welvaarts- en verzoeningsstaat uit te bouwen.

Na WOII is dit precies de positie waarin de dominante groepen en klassen zich in West-Europa bevinden. Het is duidelijk dat er compensaties voor het leed veroorzaakt door de oorlog moeten betaald worden terwijl het spook van het reëel bestaande socialisme door de regio waart. Een sputterende start in de jaren 50 culmineert bij ons in de grimmige stakingen rond de eenheidswet. De jaren zestig, kenmerken zich door een economische boom en verschaffen de middelen om een welvaarts- en verzoeningsstaat uit te bouwen. Zonder het met zoveel woorden te zeggen is de achterliggende gedacht dat expansie en herverdeling zich lineair zouden ontwikkelen. Laten we daar vooral niet flauw over doen. Wat u in bepaalde kringen smalend als 'verworven rechten ' wordt omschreven is in vergelijking met de vooroorlogse periode een grote sprong voorwaarts. Alle politieke krachten schakelen zich in binnen deze pragmatiek en ze hebben niet veel moeite om hun achterban te overtuigen. De sociaaldemocratie bv. heeft haar achterban niet verraden zoals de emotionele aanklacht wel eens luidt: ze heeft brood en vrede mogelijk gemaakt. In ruil voor wat de Duitse revisionist Eduard Bernstein als 'Hineinwachsen' omschreef: negatieve integratie. 'Werklieden, bemint uw profijt': het is de update van de slogan van de Belgische Werkliedenpartij (BWP), hij bleef actueel. Het opgeven van een contra-perspectief is de prijs die men betaalt voor het veilig stellen van de directe belangen van de meerderheid van de bevolking, de machtspositie van de partij en de zetelvastheid der verkozenen. Zoals Labourleider Neil Kinnock dat zei: 'we hadden een vredesakkoord gesloten zonder het te beseffen." Dit gebeurde zonder al teveel gemor van de achterban, met uitzondering bij ons van de mijnstakingen. Het was een model dat een duurzame toekomst leek in te houden, steunend op Keynesianisme, herverdeling en verruimd algemeen stemrecht. Het hield een ontrading in voor avonturen en revolutionaire gymnastiekoefeningen. De KP bood geen aantrekkelijk tegenmodel meer en mei 68 veroverde noch de geesten noch de harten van wat sommige soixanthuitards zelf denigrerend als 'verburgerlijkt klootjesvolk' bestempelden. Veel van de 68-ers overstegen ten anderezelf het niveau niet van het individualistische hedonisme, en de bevrijding - die overigens nodig was - bleef steken op de persoonlijke levenssfeer. Het persoonlijke is politiek: klopt, maar het kan ook gelezen worden als aanzet tot hyperindividualisme.

Twee grote en stilzwijgende vooronderstellingen vormden de wankele basis van dit ganse systeem. Een, op wereldvlak - economisch, politiek, cultureel - zou een status quo heersen waarbinnen West-Europa de geprivilegieerde plaats behield die het zichzelf toedichtte. Twee, op Belgisch niveau zouden grote crisissen via neo-Keynisianisme bezworen, filosofische wrijvingen langs pacten bevroren en politieke conflicten door de wafelbakstrategie afgekocht worden. Niemand hield er rekening mee dat oncontroleerbare schokken, laat staan een algehele neergang zou kunnen optreden. Het is nu haast ongelooflijk hoe dit toekomstoptimisme als een soort wetmatigheid heerste. Alleen zonderlingen als Ernest Mandel voorspelden de spoedige ineenstorting van het systeem. Maar dat deden de getuigen van Jehovah ook en bij herhaling.

Een roetsjbaan zonder pretpark!

Aan breuklijnen en dramatische conflicten was er geen gebrek in het laatste kwart van de vorige eeuw. Een paar voorbeelden illustreren hoe de problemen zich gaandeweg opstapelen. Vroeger bleven grote rijken (het Romeinse bv.) eeuwen overeind en trotseerden maatschappelijke systemen (de feodaliteit) de generaties. Alles leek nu in een stroomversnelling te raken, de tijd zelf leek gecomprimeerd...

* De dekolonisering had de invloedssfeer van West-Europa verschrompeld, al besefte men dit vaak nog niet volkomen in de diverse metropolen. Uit wat oorspronkelijk als de derde wereld werd omschreven ontstonden een aantal economische en financiële machten die uiterst concurrentieel waren binnen de geglobaliseerde markt. Door een toepassing van de wet van de remmende voorsprong (en het miskennen van de rechten van de arbeidskrachten) pasten ze zich soepeler aan aan de neoliberale ordening. Wie twintig jaar vroeger beweerd had dat India of de Volksrepubliek China machtige spelers zouden worden binnen het wereldkapitalisme zou als fantast worden weggezet.

* De implosie van de na-oorlogse wereldordening verwekte een overtrokken optimisme, maar toen de vermaledijde 'balance of terror' tot het verleden leek te horen, bleef de wereld instabieler over. Er braken op uiteenlopende plaatsen in het globale zuiden langdurige, grootschalige en gewelddadige conflicten uit, zogenaamde vormen van 'new violence' waarop we geen antwoord hadden. Vooral Subsahara Afrika werd het toneel van golven bloedvergieten, met de genocide in Rwanda als tragische dieptepunt van internationale inertie. Alleen het einde van de Apartheid zonder massale botsingen was een (wankel) lichtpunt.

* Aanvankelijk weggehoond als irrationele oprispingen van groene boskabouters groeide de zekerheid dat er ecologische grenzen waren aan de groei in termen van een stijgend Bruto Nationaal Product (BNP). Met technologische oplossingen alleen zou men het tij niet kunnen keren. Maar, vanuit de klassieke benaderingen en evenmin vanuit een staatsgestuurde commando-economie kwam er niet onmiddellijk een nieuwe paradigmatische benadering. Doemdenken brengt de oplossing natuurlijk niet dichterbij, doch, verblind door kortetermijndenken botweg de andere kant opkijken is nog tien keer erger.

* De technologische sprongen – o.m. communicatie en informatie, robotica, gentechnologie… - volgden elkaar in steeds sneller tempo op. De creatieve vernietiging van productieprocessen nam in snelheid en diepgang toe. Nadat delokaliseringen de traditionele sectoren in West-Europa onder druk zetten en eventueel vernietigden, hield de nieuwe technologische revolutie het gevaar in nu ook de dienstensector te kannibaliseren. Veel mensen verloren gewoon alle greep op deze gebeurtenissen die ze enkel konden ondergaan en naar kijken als naar een puur sciencefiction film zonder ondertiteling.

* Als antwoord op de stagflatie (hoge inflatie, lage economische groei en hoge werkloosheid) van de jaren zeventig schoven IMF en WB een politiek voorop met als voornaamste ingrediënten deregularisering, inkrimping van de overheid, monetarisme en afbouw van de sociale sector. Kort samen gevat: de heilsleer van de Heilige Drievuldigheid, 'markt, markt en markt'. Met neocons als Reagan en Thatcher – there is no such thing like society - als stormrammen groeide deze benadering uit tot een wereldwijde hegemonische ideologie, onder de TINA-banier: 'There is no alternative'. Het is 'jeder fur sich' en voor diegenen onderaan ook nog eens 'Gott gegen alle'. En wordt er tussen neus en lippen bij gemompeld 'de onderknuppels hebben het enkel aan zichzelf te wijten'. Voor miljoenen mensen in het Zuiden waren de oekazes in het kader van de (eerste generatie) structurele aanpassingsprogramma's een beschaafde vorm van massamoord.

* Het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en haar invloedssfeer was de oorzaak van een Euro-Aziatische nachtmerrie. Dat volkeren uit Centraal-Azië en de Kaukasus, die toch al moeilijke namen hadden, elkaar in de haren vlogen was jammer, maar al bij al ver van mijn bed show. Joegoslavië, waar we wel eens op vakantie gingen, was andere koek. Een oorlog en vormen van genocide in een belendende Kulturkreis: het ondenkbare werd realiteit. Vrede was veel brozer dan we dachten en Europa was in deze geen voorbeeld van politieke eenheid of militaire daadkracht. De EU was als de hond van Tisma uit het gelijknamige boek van Geert Mak, ' verstijfd op een ijsschots, machteloos wegdrijvend’.

* * *

Angst voor de toekomst van de eigen kinderen is een krachtige ondermijner van sociale cohesie.

Een samenleving in evenwicht is er een waarin je met grote zekerheid kan voorspellen dat na situatie A, situatie B zal volgen. Het is de obsessie van elk totalitair regime: voorspelbaarheid. De democratische versie van de zoektocht naar houvast is het geloof in de maakbaarheid der samenleving: de overtuiging dat je door overheidssturing het 'goede' kunt realiseren, of minstens naderbij brengen. Deze overtuiging, deze wereld van zelfzekerheden gaat met de eeuwwisseling op de schop. Het wereldbeeld dat het naoorlogse Europa zichzelf voorhield vertoonde steeds meer barsten en de hoop op een vreugdevolle toekomst verdampte zienderogen. Het gaat niet enkel om wat de hoger geschetste krachtlijnen aanrichten, maar om tientallen echte of vermeende dreigingen: wat met kernenergie, en het gat in de ozonlaag, en de veralgemeende obesitas, om maar te zwijgen van de gevaren van de vergrijzing, tot en met de paniek rond de millenniumbug. Het zelfvertrouwen van Europa staat op een laag pitje en het begrip 'risico-samenleving' wordt steeds reëler. Voor het eerst sinds decennia twijfelen ouders er aan of de volgende generatie het wel beter zal hebben. Angst voor de toekomst van de eigen kinderen is een krachtige ondermijner van sociale cohesie. Europa rond de wende evolueert naar een uit-evenwichtsituatie. Wat we bij aanvang met Gramsci aanstipten als theoretische mogelijkheid wordt een praktisch probleem. Ook in het Vlaamse driestromenland (CD&V, Open VLD en SP.a) is het na zwarte zondag duidelijk dat de traditionele families geen antwoord hebben, maar eerder deel van het probleem zijn. Het aanleggen van een stormkering tegen het Vlaams Blok (nu Vlaams Belang) biedt een valse veiligheid, omdat het weinig verhelpt aan de dieperliggende oorzaken. Nog een paar versnellers, en de crisis wordt helemaal duidelijk. En die versnellers komen er aan in TGV-vaart.

* Met 9/11 wordt een bladzijde omgeslagen. Het luidt de mondialisering in van geweld als communicatie. De aanslagen in de VS demonstreren de kwetsbaarheid van een supermacht en importeren er de oorlogslogica. Op de war-on-terror volgt een geweldketen van Afghanistan, tot Irak, Libië, Syrië, Somalië, enz. zonder dat er zelfs sprake is van iets wat vroeger 'oorlog' heette. De spiraal van geweld boort de illusie van 'dawn of Peace and Stability' de grond in en het einde van de geschiedenis kan naar de ramsj-verkoop. En, door o.m. de Patriot Act komt wat men wil verdedigen - democratie - in het land zelf aardig op de helling te staan.

* Europa ontspringt niet langer de dans: er zijn geen frontlijnen meer, geen grenzen tussen burgerbevolking en militairen. Madrid (2004) en Londen (2005) zijn de demonstratie dat al-Qaida het terrein naar Europa verplaatst: terreur is niet langer een exclusieve aangelegenheid van niet-Westerse samenlevingen.

* De bankencrisis begint in 2006 in de VS toen bleek dat hypotheekaanbieders veel ‘bad loans' in portefeuille hadden die ze verknipt en herverpakt doorverkochten. Vervolgens gingen ook de zakenbanken voor de bijl en sloeg de crisis over naar Europa. Om de doodsmak van het bonanzakapitalisme te vermijden werd er massaal overheidsgeld - dit van de belastingbetaler dus - in de banken gepompt. Voor veel mensen was de ganse reddingsoperatie een reusachtige hold-up waarvoor zij finaal opdraaiden. Hoewel politici over elkaar heen rolden om verantwoordelijkheden van zich af te schuiven, werden ze collectief met pek en veren bedacht. Het verlies van het geloof in god kan tot innerlijke onrust leiden, maar de teleurgang van het vertrouwen in het spaargeld ontreddert de ziel pas echt.

‘Angst essen Seele auf’

Sommigen herinneren zich misschien nog die film van Fassbinder (‘Angst essen Seele auf’- 1974) waarin de jonge Marokkaanse gastarbeider zegt dat angst als een houtworm alles traag vermolmt. Dat is wat er aan de hand is in West-Europa: onzekerheid en angst sluipen overal binnen. Je mag statistisch aantonen dat de levensstandaard zelden zo hoog was en duizelingwekkend in vergelijking met pakweg Congo, dat de levensverwachtingen ongekende toppen vertoont, dat de kansen op een gewelddadige dood verwaarloosbaar zijn in vergelijking met wie door het leven moet strompelen in Zuid-Soedan... het helpt allemaal bitter weinig. Perceptie is uiteraard niet alles, maar, het is onzinnig om enkel het rationele scalpel te hanteren ter ontleding van politieke en maatschappelijke processen. 'Optimism is a moral duty': het blijft bij kretologie wanneer politieke bewegingen die individuele opvatting geen maatschappelijke vorm geven. En dat doen ze niet: in de voorgaande decennia hadden ze precies gedepolitiseerd, de grote verhalen ten grave gedragen, en de emotionele vervlechtingen – van de toneelverenigingen tot de kaartersavonden voor gepensioneerden - met een zeker dedain laten verpieteren. Niet dat je dit alles opnieuw kunt installeren zonder in trieste persiflage te vervallen, maar, wat overbleef was veel leegte. Men had zich geprofileerd als technocratische bestuursinstituut en daardoor verdrongen ze zich bijna automatisch rond het midden. Traditioneel links bv had de ' hinderlijke ' ideologische veren afgeschud en opteerde voor de ' derde weg' wat bij Blair uitmondde in Thatcherisme zonder de Iron Lady. En uiteindelijk in socialisme zonder socialisten.

Hoe minder je een eigen gezicht hebt als partij, hoe zwakker het emotionele weefsel, des te makkelijker is het als lid om die partij te laten vallen en des te ' wispelturiger' worden de kiezers.

Hoe minder je een eigen gezicht hebt als partij, hoe zwakker het emotionele weefsel, des te makkelijker is het als lid om die partij te laten vallen en des te ' wispelturiger' worden de kiezers. (Ontzuiling had ongetwijfeld positieve effecten omdat het ook zijn betuttelende en paternalistische kantjes had, machtsspelletjes nooit ver af waren en partij-aanhorigheid als een verplichting werd aangezien). Die atomisering van de partij kwam niet uit de lucht gevallen, ze was de doorslag van een veel ruimere maatschappelijke individualisering. Die was op haar beurt aangejaagd door een jarenlange campagne van de neo-cons, die ook via staatsinstellingen inhakten op 'de' staat, het middenveld, enz. en die zelfredzaamheid en autonomie van de enkeling en het gezin centraal stelden. Dit was het politiek pendant van het consumentisme dat in de economische sfeer de productie en de winst moest maximaliseren. Dit terwijl o.m. de reclame de consumenten er diende van te overtuigen dat hun welzijn het terechte en enige doel was. En indien dit niet volstond was er de sociale druk die al evenzeer een bepaald consumptiepatroon adverteerde.

Wat uit het oog verloren werd was dat bij dit alles de basisangst niet uitgegomd werd. Die vermengde zich met verzuring, rancune en onbestemde boosheid. En natuurlijk kristalliseerde zich dat in het aanwijzen van een zondebok. Deze ressentimenten verdwenen niet zomaar in een politieke leegte. Die bleven, soms ondergronds, in tegenstrijdige reflexen, verspreid en verwrongen aanwezig. Het was enkel wachten tot een 'nieuwe' politieke kracht dit gat zou opvullen. Op het politieke krachtenveld geldt immers de horror vacui (de menselijke onzekerheid). Want, indien alle politieke partijen dan toch gelijk zijn, dan zijn ze tevens gelijkelijk verantwoordelijk voor al deze negatieve gevoelens die het individu ervaart. In die zin is het niet overdreven te stellen dat de politieke traditionele nomenclatura mee het klimaat creëerde waarin neo-populisme kon gedijen.

Voor grote delen van de middenstand is de nachtmerrie van status- en inkomensverlies wel zeer manifest. Je zou er de term 'globaliseringsverliezers' kunnen op plakken.

' Madame, ‘le peuple n'a plus de courage', maar het zullen volgens velen niet de gevestigde machten zijn die de brioches brengen. In Engeland, aangeduid met het scheldwoord 'chavs' hebben veel werklozen zich 'geïnstalleerd' in de bijstand en alle politieke illusies verloren. Het zogenaamde 'precariaat ' - een term van Guy Standing -, de miljoenen Europeanen met korte, onzekere en onderbetaalde jobs, voelen zich al evenzeer in de steek gelaten. Ze draaien mee op een kermismolen waarop ze geen vat hebben en hebben de zekerheid dat ze ‘de flosj’ niet zullen trekken. Maar, ook de klassieke arbeiders en bedienden zien constant het zwaard van Damocles - outsourcing, loonmatiging, deeltijd werken ... - boven het hoofd hangen. En voor grote delen van de middenstand is de nachtmerrie van status- en inkomensverlies wel zeer manifest. Je zou er de term 'globaliseringsverliezers' kunnen op plakken.

Maar, ze zijn lang niet de enigen die in de ban zijn van de onzekerheid omtrent de kwetsbaarheid van de eigen welvaart. Ook hoger opgeleiden zonder job waarop ze menen recht te hebben, en diegenen die het goed hebben, maar dit exclusief voor zichzelf willen reserveren zijn vatbaar voor die angst. Hun bestaanszekerheid hebben ze er vooralsnog niet bij ingeschoten. Maar het blijft spartelen om 'op niveau' te blijven. Zelfs de echt rijken, in de ban van hun inkomenschauvinisme zien overal bedreigingen voor hun positie die ze in geen geval willen relativeren. Er is een baaierd aan meningen daaromtrent, een bont pallet aan 'oplossingen', een veelheid aan strategieën,... Om al die subjectieve meningen en particuliere wrok om te vormen tot een objectieve kracht is er een ideologie nodig die zich expliciet aandient als non-ideologie. Een kracht die enkel een spiegel is van wat de mensen denken, en het terzelfdetijd voor hen vertaalt in een samenhangend en herkenbaar verhaal. Hier komt het neo-populisme op het toneel als politieke factor.

Het volk is niet zo volks

Een, zoniet het, dominante punt van neo-populisme draait rond de identiteit van individu en gemeenschap. Daarbij wordt de notie 'volk' door de neo-populisten als een soort gouden kalf voorgehouden dat de aanbidders spontaan herkennen. In bijbelse termen: ‘ik ben die ben’, dwz: autonoom, ongeschapen en onbevraagbaar. Stellen dat het een constructie is jaagt neo-populisten de gordijnen in voor deze uiting van intellectualistisch negativisme. Omgekeerd heeft links het eigen nationalisme vaak te gemakkelijk afgekat als loutere illusie (en dit van de onafhankelijkheidsstrijders in de kolonies aan de borst gedrukt). Natuurlijk gaat het altijd om volk en natie als ‘imagined community’, maar je kan de bevolking niet om het even wat wijsmaken. Zonder dat er een ' ietsisme', verspreid, misschien tegenstrijdig, met wisselende klemtonen ... aanwezig is, construeer je geen wervend nationalisme. Die identiteitsopbouw steunt momenteel op twee pijlers, een positieve en een negatieve.

* ‘Wir sind das Volk’

Een populaire slogan van de voormalige Oost-Duitse oppositie, overgenomen van Egypte tot Syrië. Ook in West-Europa is het een centraal thema. Wat vooreerst opvalt is dat er volgens de neo-populisten niet alleen een eenheid is, maar tevens behoort te zijn. Wie die eenheid in het gedrang brengt is per definitie volksvreemd en plaatst zichzelf in een positie die analoog is met wie zich kant tegen de 'volonté générale' van Rousseau. Die eenheid is niet, of niet openlijk, gebaseerd op oude raciale concepten, of verwijzingen naar nazisme. Meer zelfs, het neo-populisme dweept openlijk met hyper-individualisme. Niemand schrijft mij voor hoe ik mij moet gedragen, en al zeker de overheid niet die gedomineerd wordt door beroepspolitici. Niemand kan mij verbieden te denken en te zeggen wat ik wil, en in geen geval die linkse correct denkende multiculturele kerk niet. Er is een vreemdsoortige asymmetrie tussen de absolute rechten die men voor zichzelf opeist en de verontwaardiging wanneer men bekritiseerd wordt. Plots komt de vrijheid van denken in gevaar. De 'nieuwe hufterigheid' heet zoiets in Nederland. Al die ‘ikken’ maken tezamen het soevereine volk uit, waarvoor geldt ‘vox populi, vox dei’(‘de stem van het volk, de stem van God’). Hoe dit precies werkt zonder sturing is een precaire kwestie. Hoe je dit rijmt met de rechtsstaat is dat niet minder.

Het zijn de politieke ondernemers – in termen van Gramsci, de intellectuelen - die vorm en inhoud verlenen aan het neo-populisme en die, wat fragmentarisch aanwezig is, omvormen tot ideologie. Neo-populisme als hedendaags politiek verschijnsel is dus wel degelijk een ideologie en niet zomaar de directe uitdrukking van het gezond verstand of de stem van het volk. De consument wordt de schijn verkocht dat de klant koning is, maar anderzijds, indien het product louter gebakken lucht is, zal blijvend succes zeer onwaarschijnlijk zijn (hoewel er veel variaties van gebakken lucht te bedenken vallen). De neo-populistische ideologie verkondigt luidkeels dat het enkel zegt wat de gewone man denkt - wat een oude truuk van de foor is - maar, mocht er geen enkele herkenbaarheid zijn, dan zou de aanhang marginaal of voorbijgaand zijn. Deze wisselwerking van tafel vegen als ‘vals bewustzijn’ getuigt van een pretentieuze betweterigheid ober het eigen bewustzijn. Natuurlijk kun je niet elk bewustzijn als gelijkwaardig beschouwen, noch verstandelijk, noch moreel. Zo niet kunnen we alle partijen vervangen door technocratische thinktanks en de mensenrechten bij het groot huisvuil zetten. Daarenboven dreigt het gevaar om 'Jan en Mieke' te idealiseren en enkel te zien als slachtoffer van de machthebbers of van de Zeitgesit, zodat ze zich willoos laten inlijven in antidemocratische strekkingen. Elk autoritair regime heeft ook steeds kunnen rekenen op de enthousiaste medewerking van mannen en vrouwen uit de straat. En misschien nog meer op stilzwijgend gedogen en wegkijken.

Wat indien het volk pleit voor de herinvoering van de doodstraf, vindt dat de rechtsgevoelens van de man in de straat miskend worden, dat experimenteel theater niet gesubsidieerd moet worden … ‘Power to the people!’: menig geëngageerd zanger had het op het repertoire staan, maar wellicht bedoelden ze iets anders. Een van de kernideeën rond de macht die rechtstreeks bij het soevereine volk ligt, is dat dit volk een onfeilbaar begrip heeft over wat rechtvaardigheid inhoudt. Uiteraard heeft rechtvaardigheid van doen met afwegen van terechte belangen. Aangezien volgens neo-populisten het volk een fundamentele eenheid vormt is er ook een allesoverstijgend belang. Het is onrechtvaardig dat er reusachtige financiële transfers naar Wallonië gaan, dat stakingen het land verlammen, dat het geld verdwijnt in bodemloze putten zoals ontwikkelingssamenwerking, enz... Vraag het maar eens in die Mythische dorpsstraat wat ze daar 'spontaan' over denken. Let wel, het gaat niet zomaar om een doorslag van de oude rechts-links tegenstellingen, die overigens volgens neo-populisten voorbijgestreefd zijn. Ze pikken wel degelijk sociale items op - hogere pensioenen voor de minderbedeelden, meer kindergeld voor wie het echt nodig heeft, bescherming van werknemers tegen grove uitbuiting … - al maken ze daar in de praktijk geen halszaak van. Je zou het haast vergeten: maar tussen volk en staat heerst vaak spanning. Bij ons maakt de grootste neo-populistische formatie zich sterk dat ze Vlaanderen naar de onafhankelijkheid leidt. Gezien de sleutelrol binnen de Vlaamse deelregering en hun dragende inbreng in de nationale regering leidt dit vaak tot een grote spreidstand. Als voorstander van law-and-order en een gespierde democratie bouwen hun ministers Belgische geweldapparaten uit waarvan VdB (oudpremier Paul Vanden Boeynants) en CEPIC (Centre Politique des Indépendants et Cadres Chrétiens, een uiterst rechtse organisatie die de toenmalige PSC, de Franstalige Sociale Christelijke Partij, infiltreerde) enkel konden dromen, Hand in hand met het vorstenhuis  - ooit uitgespuwd als de kroon op het verfoeide Belgicistisch patriotisme - worden kransen neergelegd en linten doorgeknipt. Een ideologie verwerft dominantie wanneer het conceptueel raamwerk behapbaar is. Wat een inclusief Vlaanderen en het ' opheffen ' van België betreft: ga er maar eens tegenaan staan om dit uit te leggen. Verraad, bochtenwerk, notarispartij... het flamingantisme heeft een lange traditie in het afwijzen van het haalbare. En soms opteert een minderheid voor een autoritaire afslag. Wie Burke kan verbinden met de Verlichting en Darymple met de welvaartsstaat beschikt uiteraard over retorische vindingrijkheid. Maar, indien de spanningen tussen rekkelijken en preciezen oplopen en dit ten koste gaat van de verworven machtsposities zullen zakelijken het laken naar zich toe halen. Een scheut Robert Michels kan er ook nog wel bij. Neo-populisme als variant van conservatisme en marktdenken met een nationalistisch randje. Die ' normalisering' ' met radicalisme enkel als verbaal geweld: het zal de duurzaamheid van de partij ten goede komen. Iedereen zijn eigen ' Hineinwachsen ', elkeen zijn strijdleuzen op de jaarlijkse manifestaties. Een uiterst rechtse zweeppartij is wellicht de onvermijdelijke prijs.

Hoe kun je van deze mix en soms tegenstrijdige items een eenheid maken? In de dagelijkse politieke realiteit wordt coherentie niet getoetst op een rooster van de logica, maar op het mobiliserend effect. Als je wilt, op de verkoopbaarheid. En twee, het helpt natuurlijk wanneer er sprake is van charismatisch leiderschap. Dit impliceert dat de leider, veel meer dan de teksten, de boodschap incarneert. Charisma is voor een deel een persoonlijke eigenschap, maar al even zeer een sociologisch fenomeen. Vooral in tijden van crisis en verwarring gedijen charismatische leiders, die op rustiger tijden randfiguren zouden blijven, zeer goed.

Er is nog een recente factor die hen de wind in de zeilen geeft: de mediatisering van de politiek. De personalisering verdringt al lang de programmatorische boodschap. Nu namen kiezers nooit de programma's grondig door, maar de balans is nu volkomen doorgeslagen. Ook binnen de klassieke partijen laten politici zich de sterallures gewillig aanleunen. Wie enige kennis heeft van hoe bv. verkiezingsfolders tot stand komen na een bittere strijd om de beste kleurenfoto in te palmen weet wat dit betekent. En, ondanks openlijk gemopper daarover, zoeken ze zelf de media -  met inbegrip van de 'boekskes' - op. Het zou niet verstandig zijn het succes van Pim Fortuyn af te meten aan zijn media-optredens, maar het was wel een van de constituerende factoren. Om in het klimaat waarin hij groot werd een afdoend antwoord te vinden op ‘At your service!’ te bedenken heb je geen doctor in de politieke wetenschappen nodig, maar een reclame-bolleboos. Dat studiediensten werden afgebouwd ten voordele van PR-lui was geen toeval, vooral niet wanneer men onderbouwde analyses als te 'moeilijk' had bestempeld.

* De negatieve eenheid

Een identiteit wordt evenzeer opgebouwd via het vijandsbeeld, de negatie en vaak de bedreiging van de volkseigenheid. Gedurende decennia bloeide bij ons het kaakslagnationalisme waarbij na iedere belediging de leeuwen nog eens dansten. De huidige neo-populistische leiders zijn eerder koele minnaars hiervan, al kunnen ze dit gedachtegoed electoraal niet volkomen negeren. Zij presenteren zich liever als anti-establishment en verdedigers van het Europese erfgoed. ‘Jan en Mieke’ belijden geen ideologie, ze belichamen ze. Ze vertegenwoordigen – sorry voor de beladen term - ‘das gesundes Volkempfinden’. Dat staat mijlenver af van wat Martin Bosma (Nederlands PVV-kamerlid) omschreef als de ‘schijnelite van de valsemunters’. Politici zijn postjesjagers, poenscheppers, corrupte sjoemelaars die de echte belangen van het volk opofferen voor geld en macht. ‘Wie vertrouwt die mensen nog?’ luidde het. Ze zijn met handen en voeten gebonden aan vakbonden, mutualiteiten of bedrijven en maken van achterkamertjespolitiek – al dan niet binnen de loge - hun dagelijkse bezigheid. Uiteraard zijn de eurocraten daarvan de overtreffende trap en het aanzwellend euroscepticisme moet dat bevestigen. Het zou een ongelooflijke opsteker zijn mochten we dit alles kunnen toeschrijven aan de perfide redactie van de Fabeltjeskrant. Helaas: het moge dan al gaan om een uitvergroting, geheel zonder grond is dit alles niet. Met recht en reden kun je het waarheidsmonopolie van de neo-populisten aanklagen en weten we dat nuancering niet hun sterkste punt is, maar totaal onterecht zijn hun beschuldigingen nu ook weer niet. Het succes van de perceptie bij veel mensen is niet enkel toe te schrijven aan hun onwetendheid en het aanzwengelen van schandalen. Natuurlijk trachten neo-populisten zichzelf op het schild te heffen als de onverschrokkenen die de laatste steen zullen lichten. De verdediging van de klassieke partijen, met verwijzingen naar de schaarse rotte appelen en de beloftes om de zaken tot op het bot uit te spitten kunnen veelal de imago-schade niet verhelpen. De neo-populisten kunnen, omdat ze nooit of nog niet lang tot de macht zijn doorgestoten zich voorlopig blijven aandienen als de enig zuiveren van geest. Maar, Pareto wist het reeds: leeuwen worden vossen eenmaal ze zelf aan de macht zijn. Of het met Vlaamse leeuwen anders verloopt valt nog af te wachten.

Volgens neo-populisten wil de hardwerkende Vlaming zijn rechtvaardig verworven inkomen in eigen handen houden en niet omwille van een herverdelingsverhaal terecht zien komen bij de hangmatpopulatie. Lafontaine's krekel en de mier anno 2016.

Een tweede interne slag wordt gezien als een ‘Kulturkampf’: de strijd tegen de zgn. linkse kerk en de multiculturalisten. Waarvoor die kerk precies staat is niet zeer duidelijk, maar volgens hen gaat het om een aantal dogma's die de gemeenschap tegen haar zin opgedrongen kreeg. Voor een groot deel is dit een erfenis van '68, waarbij men gemakshalve voorbij gaat aan het feit dat de meerderheid der oudstrijders naadloos aansluiting vond bij het bedrijfsleven. In eerste instantie gaat het om het gelijkheidsprincipe, een hersenschim die onvermijdelijk leidt tot planeconomie, sputterende Trabants en Stasi's. Neo-populisten sluiten aan bij theoretici die niet uitgaan van een utopie, maar van de reële mens. In Vlaanderen staat vooral Dalrymple hoog aan geschreven met zijn update van de tooth-and-claw society. Volgens neo-populisten wil de hardwerkende Vlaming zijn rechtvaardig verworven inkomen in eigen handen houden en niet omwille van een herverdelingsverhaal terecht zien komen bij de hangmatpopulatie. Lafontaine's krekel en de mier anno 2016.

Het multiculturalisme van de culturo's, grotendeels gepredikt door diezelfde herverdelingsprofeten, is een andere dwangideologie. Wie hier enige twijfel rond formuleert wordt afgedaan als racist, en, in de lijn van het vorige, verketterd als kortzichtige egoïst die zijn mening beter achter de kiezen houdt. Het is de gekende riedel van de vervolgde neo-populist in bange dagen, het thema van Nixon (oud Amerikaans president) die de 'silent majority' tot slachtoffer verhief. Het is niet van vandaag dat ik zeg dat de multiculturele samenleving geen gezellig tuinfeestje wordt, dat een keer per week couscous eten geen band smeedt met Maghrebijnen en dat cultureel relativisme alles behalve een probleemloos concept vormt. Maar grote scharen multiculturalisten zoals de neo-populisten die definiëren heb ik zelden ontmoet (alhoewel je overal domkoppen aan treft). Die aantijgingen van volksverlakkerij komen neer op wat in Amerika wordt aangeduid met 'ratfucking': het demoniseren van de tegenstander door er een karikatuur van te maken  (bv via het introduceren van een term als islamo-gauchisten’). Wel hebben overijverige gelovigen de risico's van een multiculturele samenleving onderschat en zich al te vaak opgeworpen als verschoningsmachine voor alles wat verkeerd liep. Neo-populisten hebben dit alles opgeblazen en zich geprofileerd als verdedigers van de gewone man (wie dat ook moge zijn).

Het zou van weinig inzicht getuigen om de klassentegenstellingen af te doen als iets uit het verleden, ook al zijn de verschijningsvormen verschoven. Maar, er is een tweede kloof bijgekomen die slechts gedeeltelijk spoort met de eerste: de formele opleidingsgraad. Kennis wordt steeds belangrijker als vorm van sociaal kapitaal. De afstand tussen diegenen met een gebrekkige opleiding en diegenen die vaak over-gespecialiseerd zijn neemt toe. De stedelijke hoog-opgeleiden zijn meer geneigd om in te stappen in een geglobaliseerde wereld, multiculturalisme niet eenzijdig te verwerpen en herverdeling te zien als iets waar iedereen baat bij heeft. Neo-populisten zien deze groep als volksvreemd, en een anti-intellectueel discours is hen niet vreemd, ook al behoort de leiding zelf bij die opleidingselite (Dat diploma's niet automatisch intellectuelen opleveren – dwz., personen die actief deelnemen aan het publieke debat - is natuurlijk ook juist). Daarmee scharen ze zich achter een lange traditie die het volk beschermt tegen de intellectuelen die op hen neerkijken.

Je kan stellen dat migratie van alle tijden is (met een heel wisselende invulling), maar je dient daar gelijk aan toe te voegen dat verzet tegen massale inwijking dat eveneens is. In dat opzicht kan populisme terugvallen op een eeuwenoude onderstroom van angst en afwijzing, gebaseerd op ras, religie en mogelijke inkomensderving.

En dan is er natuurlijk ‘de’ bindende negatieve factor: de migranten. Je kan stellen dat migratie van alle tijden is (met een heel wisselende invulling), maar je dient daar gelijk aan toe te voegen dat verzet tegen massale inwijking dat eveneens is. In dat opzicht kan populisme terugvallen op een eeuwenoude onderstroom van angst en afwijzing, gebaseerd op ras, religie en mogelijke inkomensderving. In Vlaanderen doet de leiding van de belangrijkste neo-populistische strekking haar best, en naar buitenuit, niet toe te geven aan de druk van haar rechtuit ranzige deel-achterban die openlijk islamofoob en racistisch is. Het neemt niet weg dat migratie en islam voor de leiding overgedetermineerd is door de notie van dreiging voor de volkseigenheid en van geweld. Wij tegen ‘de’ anderen is nooit ver weg en ondanks de inspanningen tot taalverbraving creëren termen als invasie, vloedgolf, overspoeld worden,... een frame waarbij de migrant als individu vastgenageld wordt als stereotype en de groep wordt geconcipieerd als gevaar.

Het ontstaan van de Islamitische Staat (IS) heeft dit alles in een nieuwe context geplaatst. Politieke vluchtelingen, ‘gewone’ gelukszoekers, teruggekeerde Syriëreizigers… er mag daarover een duidelijk onderscheid bestaan bij juristen, voor de basis van de neo-populistische beweging is het een pot nat. De leiding pretendeert een haarscherp onderscheid te maken op grond van objectieve criteria, in de praktijk komt het neer op machtsdenken: het is de selecterende die de normen vastlegt en ze met minder of meerdere graad van arbitrair handelen in een praktijk omzet. Parijs, Brussel, Nice… plaatsen alle partijen in een haast onmogelijke situatie. Terecht vraagt de bevolking - roept ze - om bescherming en het heeft er alle schijn van dat de basisrechten van ‘verdachten’ niet hoog op de agenda worden geplaatst. Neo-populisten doen soms amper moeite om een vorm van ‘Schadenfreude’ te verbergen. Indien ‘ze’ maar naar ons, het volk dus, geluisterd hadden… Niet alleen zijn die terreuraanslagen een mokerslag voor het veiligheidsgevoel in het algemeen: je kan niet meer met de kinderen naar vuurwerk gaan kijken, een terrasje doen,… Een concert bijwonen wordt problematisch en inchecken is een stress-moment. En wat meer is: de terroristen worden niet geïmporteerd uit woestijnlanden, ze zijn geboren en getogen in Molenbeek, de Parijse banlieus of Verviers. Het gevaar is groot dat mensen compleet in de ban raken van onmacht en je hoeft er Erich Fromm niet bij te sleuren om te vrezen wat de reactie kan zijn. IS moge dan Raqqa en Faludjah verliezen, misschien winnen ze wel Brussel en Parijs. De strijd tussen wij en zij wordt dan een spiegelbeeld van die tussen dar-al-islam (‘het huis van de vrede’, het gebied waar de islam heerst) en dar-al-harb (het ‘huis van de oorlog’, het gebied waar de ‘heidenen’ heersen). Dan valt meteen het doek over de open en pluralistische samenleving: Osama haalt postuum zijn gram .

De volksmond tussen haakjes

Het punt is, eenmaal aangenomen dat neo-populisme niet staat voor een kortstondige koortsopstoot: wat te doen om het initiatief over te nemen? Indien we Chantale Mouffe volgen dan zijn neo-populisten politieke tegenstanders van het progressieve kamp, maar niet onze vijanden. Hoewel ze soms aanschurken tegen de grenzen van de rechtsstaat respecteren ze die in Vlaanderen met enige rekkelijkheid. Niet dat we niet alert hoeven te zijn, maar dit geldt ook ten overstaan van traditionele partijen. Je zou, om het enigszins provocatief te stellen, zelfs kunnen beweren dat neo-populisme ons dwingt de (vertegenwoordigende) democratie her uit te vinden. De tijd dat democratie in termen van Dick Pels stond voor een 'internationaal hoerawoord' ligt achter ons nadat bleek dat autoritaire regimes veelal uitmondden in nieuwe autoritaire systemen. In het geval van Turkije leek zelfs een verkozen beleid geen garantie te bieden voor de eerbiediging van fundamentele rechten. En wat indien de vaandeldrager van ‘free and fair elections’ geregeerd wordt door Donald Trump? De socio-economische barometers voorspellen evenmin mooi weer, ondanks alle bombarie op de milieu-conferentie van Parijs kun je moeilijk spreken van een trendbreuk, de secretaris-generaal van de NAVO, Stoltenberg sprak in zeer verontrustende termen over de nieuwe dreiging uit Rusland ...en zo kunnen we nog wel even doorgaan. Misschien wordt de ramshoorn wel wat al te driftig gestoken en niet steeds met nobele bedoelingen. Maar de grond voor toekomstpessimisme is zeker niet verdwenen en de potgrond voor populisme is ergo nog steeds vruchtbaar. Des te meer omdat de klassieke partijen denken dat een paar gevelversieringen volstaan om terug te keren naar de normaliteit, dwz een waarin regeringsdeelname een quasi-certitude is. Dit geldt ook voor de sociaaldemocraten, terwijl, alle vernieuwings- en toekomstcongressen ten spijt, en ondanks verruimingsoperaties en netwerkinspanningen, de afkalving van het ledenbestand en de gebrekkige bezieling zich doorzet. Zo langzamerhand krijgt de aanduiding ‘klein links’ een nieuwe invulling. Van diegenen die de kerk de rug toekeerden kun je misschien nog zeggen dat ze ‘croyants mais plus pratiquants’ zijn, maar zelfs dit geldt niet ter linkerzijde.

Juist, maar zonder herstel van de geloofwaardigheid, indien mensen niet ervaren dat het er wel degelijk toe doet wat ze doen en denken, blijven we de loper uitrollen voor het neo-populisme.

Is er nog een alternatief?

Laten we vooral niet zitten wachten op een messias met een verlossende boodschap, het wordt een werk van velen, met ups en downs. Progressieve partijen moeten hun waarheidsdwang durven opzeggen, niet onder dwang van een coalitievorming, maar uit principe. Dit impliceert niet dat men de waan van de dag achterna holt, noch een afkooksel van wat anderen zeggen opwarmt. Het lijkt wel de kwadratuur van een cirkel. Enerzijds is er de asymmetrie in de strijd met diegenen die een totalitaire invulling geven aan hun groot gelijk. Anderzijds mag relativering niet uitmonden in kontendraaierij of het nabauwen van wat de vox populi voorhoudt. De aanzet tot grondige verandering zal het werk zijn van een nieuw historisch blok dat partijen en bewegingen een tijdelijke eenheid verleent. Met respect voor elkaars eigenheid en zonder verborgen agenda om stiekem mekaar een poot uit te draaien. Een beetje cynicus merkt meteen op dat dit ingaat tegen wat tot dusverre de politieke praktijk uitmaakte. Juist, maar zonder herstel van de geloofwaardigheid, indien mensen niet ervaren dat het er wel degelijk toe doet wat ze doen en denken, blijven we de loper uitrollen voor het neo-populisme. Vreemd genoeg is de opvatting dat democratie meer inhoudt dan periodiek naar de stembus te trekken, maar te streven naar meer dialoog tevens een pleidooi voor politiek leiderschap. Dwz dat de verkozenen of het politiek personeel in het algemeen zich niet overgeven aan suivisme. Dialoog veronderstelt dat ze enthousiasmerende ideeën bezitten, die uitleggen en verdedigen, zelfs tegen de achterban in. Mensen haken heus niet af wanneer ze niet altijd gelijk krijgen, tenminste indien ze au serieux genomen worden. De politieke leiders vormen als groep geen spiegelbeeld van de kiezers, laat staan van het volk. Ze bezitten een zekere autonomie op het speelveld maar worden door het middenveld wel binnen zekere perken gehouden. Dat dit tevens een spanningsveld inhoudt is net een van de wezenskenmerken van democratie: het beschaafd oneens zijn. De term ' voorhoede' is historisch besmet, omdat hij verweven is met zg. wetenschappelijke wetmatigheden, hetgeen een vrijgeleide opleverde voor totalitaire beslissingsstructuren. In België heeft Hendrik Deman - tot voor kort althans - de visie van een politieke voortrekkersgroep gehypothekeerd door de Nazi-afslag die hij uiteindelijk nam. En toch, denk ik, moeten we het concept van een nieuwe voorhoede, van onderuit gecontroleerd, een kans geven.

Neo-populisme is, om redenen hoger opgesomd, wellicht een blijver in het politieke landschap. Zolang de beweging zich binnen de krijtlijnen van de rechtsstaat manifesteert is dit overigens volkomen legitiem. Dat het neo-populistisch succesverhaal ons hoogst onaangenaam is, is een andere kwestie. Het is aan het progressieve kamp om die tegenstander zowel getalsmatig als qua greep op de samenleving met democratische middelen af te blokken. Of de betrokken partijen de kracht en de inspiratie zullen vinden om te vervellen valt alleen maar te hopen. Op afroep verkrijg je dit evenwel niet. Of de mensen hun politieke apathie zullen afschudden is al evenzeer onduidelijk.  Wanneer die combinatie van politieke vernieuwing uitblijft - een leiding die leiding geeft en een achterban die kritische steun verleent - kun je met recht en reden zeggen dat het volk het beleid heeft dat het verdient dat dit mee het gevolg is van ' La nouvelle trahison des clercs ' valt evenmin te betwijfelen. Zoals steeds fascineert succes, en op de maat van Dutroncs ' je retourne ma veste, toujours du bon cote...' doet een deel van de opiniërende  intellectuelen de overstap, of neemt delen van het discours over. Het hoeft niet eens een reuzensprong  te zijn wanneer andere stromingen hun uitgesproken profiel aan de wilgen gehangen hebben.Je kan echter niet ontkennen dat het neo-populistisch discours op zich aantrekkingskracht uitoefent. De combinatie van marktdenken, individualistische anti-establishment allures en de nadruk op ' rechtvaardigheid ' doet het blijkbaar. Samen met de geclaimde rechtlijnigheid inzake migratie, de forse aanpak van terrorisme  en de verzekering dat ze pal staan tegen een onverdraagzame islam, lijkt neo-populisme een antwoord te bieden op de vele onzekerheden van deze tijd. Natuurlijk zijn er veel tegengeluiden en dissonante opvattingen, we hoeven nu niet onmiddellijk  te overdramatiseren. Die komen niet altijd aan bod in de mainstream media en ze worden al eens geminimaliseerd of gebagatelliseerd, maar laten we ons niet wentelen in zelfbeklag. Indien de ' organische intellectuelen' - toch nog maar eens Gramsci - er niet in slagen een vuist te maken, dan is een grondig zelfonderzoek de eerste taak.

Afronden

Alsof dit al geen aartsmoeilijke taak is, dringt zich een nieuwe afbakening af van 'intellectuele arbeid'. Voor Gramsci is dit veel meer dan de neerslag van wat de 'grote denkers' schrijven (en al zeker niet van wat kamergeleerden en wereldvreemde filosofen aan het papier toe vertrouwen). Het gaat om de productie van wat een brede laag van maatschappelijk geëngageerde 'overreders', van uiteenlopend pluimage, de samenleving voorhoudt. Aangezien hij zelf benadrukt dat de intellectuelen moeten gezien worden binnen concrete historische processen, zou hij de eerste zijn om aan te dringen op een update. Anno 2016, met TV, internet, sociaalnetwerksites, steekvlamberichtgeving via tweets, de vele 'verborgen verleiders', enz..., bevinden we ons in een totaal ander communicatielandschap. Zowel de aard van de boodschap, als deze van de boodschapper zijn veranderd en de ontvanger wordt overspoeld door de meest uiteenlopende en contradictorische gegevens en analyses. Hoe links-progressief hierop kan inspelen, zonder te vervallen in de euvels die men verwijt aan de dominerende berichtenstroom zonder die nieuwe kanalen als 'gevaarlijk' te beschouwen, blijft vooralsnog een huizenhoog probleem. Wellicht is het een onderdeel van het hogervermeld 'Risicogesellschaft', een onontwijkbare prijs voor een paradoxale modernisering.

FERRET, la place des Ch'tis, 2016.

Ruddy Doom was de stichter van de vakgroep 'Studie van de Derde Wereld' nu Conflict and Development (UGent). Sinds 2012 is hij op emeritaat.

steun ons

© 2019 vrede vzw - website by