Artikel
Luc Mampaey
Printvriendelijke versie
Oorlog, recht en milieu
Foto: Patrick Gruban

Oorlog, recht en milieu

De Algemene Vergadering van de VN nam in 2001 een resolutie aan die 6 november uitriep tot de 'Internationale Dag voor de Preventie van de Exploitatie van het Milieu ten tijde van Oorlog en Gewapende Conflicten'. In de aanloop naar de 21ste Klimaatconferentie – COP21 – die van 30 november tot 11 december 2015 zal plaatsgrijpen in Paris-Le Bourget, is deze 'internationale dag' een goede gelegenheid om te wijzen op een grote lacune in de voorbereiding van deze top: de impact van legers op de klimaatverandering zowel in tijden van oorlog als in tijden van vrede.

Dit artikel wil niet aantonen waarom de stijgende militarisering van onze planeet een belangrijke oorzaak is van de achteruitgang van onze ecosystemen. Het wil ook niet opnieuw de evidentie onderstrepen dat oorlog een intrinsiek destructieve invloed op het milieu uitoefent, noch de vraag stellen waarom de ecologische voetafdruk van militaire activiteiten nergens in rekening wordt gebracht. Het leek me van belang om erop te wijzen dat het milieu – 'collateral damage' van elke oorlog en militaire activiteit – ook een wapen op zich kan worden, en dat we ons dringend moeten buigen over de rechtsmiddelen om dit risico te voorkomen.

Oorlog, recht en milieu

Het internationaal recht beschikt hoofdzakelijk over twee instrumenten om specifiek te waken over de bescherming van het milieu bij vijandigheden. Er is het Aanvullend Protocol van 8 juni 1977 bij de Verdragen van Genève (12 augustus 1949) betreffende de bescherming van slachtoffers van internationale gewapende conflicten. In Artikel 55 van dit Protocol staat dat "oorlog op zo'n manier gevoerd moet worden dat het milieu beschermd wordt tegen wijdverspreide, langdurige en ernstige schade. Deze bescherming omvat een verbod op oorlogsmethoden en middelen die beogen dat-, of waarvan verwacht kan worden dat ze dergelijke schade aan het milieu veroorzaken, en derhalve de gezondheid of overleving van de bevolking in gevaar brengen".

Als antwoord op bepaalde ontwikkelingen gaat het oorlogsrecht echter verder dan de simpele aanmaning tot bescherming. Reeds vanaf de jaren 1940 werd er immers bewust militair onderzoek verricht naar procedés die klimaatelementen zouden kunnen verstoren. De eerste experimenten om het milieu te wijzigen kregen vorm eind de jaren 1940 met het Cirrus-project, de eerste belangrijke wetenschappelijke poging van het VS-leger om regen te veroorzaken via 'cloud seeding', het 'bezaaien' van wolken met chemische producten. Tijdens de Vietnam-oorlog won dergelijk onderzoek aan belang. In 1966 lanceerde de VS het POPEYE-project, waarbij wolkenmassa's door vliegtuigen werden bezaaid met grote hoeveelheden zilverjodide om het te doen regenen. De bedoeling was om overstromingen te veroorzaken die de vijandelijke bewegingen op de Ho Chi Minh-bevoorradingsroute zouden vertragen. Het Pentagon was tevreden met het resultaat en zette deze operaties verder van 1967 tot 1972.

De bekendmaking van deze experimenten bracht wel wat opschudding teweeg, zowel bij de Sovjet-Unie als in de Amerikaanse Senaat. Een en ander leidde ertoe dat op de VN-Ontwapeningsconferentie besluiten werden aangenomen over een verbod om het milieu als oorlogswapen te gebruiken. Aldus werd op 10 december 1976 het Verdrag aangenomen 'Inzake het Verbod op het Gebruik van Milieuveranderingstechnieken voor Militair of Ander Vijandig Gebruik', gekend onder de afkorting ENMOD-conventie. Het verdrag werd opengesteld voor ondertekening in Genève op 18 mei 1977 en ging van kracht op 5 oktober 1978.

Vandaag telt deze Conventie wereldwijd 77 ondertekenende partijen. Dat is niet veel, maar de militaire wereldmachten staan wel op de lijst. De Sovjet-Unie (nu Rusland) en het Verenigd Koninkrijk ratificeerden ENMOD in 1978, de VS in 1980 en China, recenter, in 2005. Alle lidstaten van de Europese Unie ondertekenden of ratificeerden het verdrag behalve Kroatië, Malta, Letland en... Frankrijk, kernwapenstaat en gastland voor COP21! Nog maar eens een 'Franse uitzondering' die niet lekker valt. Frankrijk maakt op die manier deel uit van het trio kernwapenstaten dat ENMOD niet ondertekende, naast Israël en Noord-Korea.

Onvolmaakt en vergeten

Door ENMOD te ratificeren beloven de landen "geen milieuveranderingstechnieken die wijdverspreide, langdurige en ernstige gevolgen hebben, te gebruiken voor militaire doeleinden of als middel om vernieling of schade toe te brengen aan een andere staat die ondertekenaar is van deze conventie" (Artikel 1).

De term "milieuveranderingstechnieken", zoals gedefinieerd in Artikel 2, betreft "elke techniek die tot doel heeft door middel van een moedwillige manipulatie van de natuurlijke processen, de dynamiek of de samenstelling te veranderen van de aarde, met inbegrip van haar biotopen, de aardkorst, het water, de atmosfeer en de extra-atmosferische ruimte".

Artikel 8 voorziet de organisatie van conferenties, met tussenpozen van tenminste vijf jaar, ter controle van het functioneren van de Conventie. De eerste controleconferentie had plaats in Génève in september 1984. De tweede in september 1992. Op de derde conferentie is het nog steeds wachten. Op 20 maart 2013 vroeg de secretaris-generaal van de VN de ENMOD-staten naar hun advies over de organisatie van de derde conferentie, die onmiddellijk samengeroepen zou worden indien tenminste tien landen positief reageerden. Slechts twee Centraal-Aziatische staten gaven een antwoord.

De ENMOD-conventie kampt nochtans met verschillende lacunes die tijdens de eerste twee controleconferenties niet opgelost geraakt zijn, ondanks de inzet van verschillende staten, in het bijzonder Zweden, Finland en Nederland. Een eerste zwakte betreft het feit dat de onderhandelaars zeer vaag zijn gebleven over de noties 'wijdverspreid', 'langdurig' en 'ernstig' uit Artikel 1, ondanks het bestaan van een interpretatie-akkoord als bijlage bij de Conventie. Het is ook tamelijk zorgwekkend dat de Conventie het enkel heeft over een verbod op het 'gebruik' van milieuveranderingstechnieken en uitsluitend tegen 'andere ENMOD-staten'. Onderzoek en ontwikkeling zijn dus niet verboden, evenmin als het gebruik van dergelijke technieken tegen staten die de Conventie niet ondertekenden. Bovendien is de term 'milieuveranderingstechnieken' vaag en beperkt tot een niet-exhaustive lijst opgenomen in een interpretatie-akkoord van Artikel 2: "aardbevingen; tsunami's; verstoring van het ecologisch evenwicht van een regio; veranderingen in de atmosferische omstandigheden (wolken, neerslag, verschillende types cyclonen, tornado's); verandering in de klimatologische omstandigheden, de oceaanstromen, de staat van de ozonlaag of de ionosfeer". Hier verwart de Conventie technieken en hun gevolgen, wat helemaal in tegenstrijd is met de technologische evoluties van de laatste twintig jaar.

Militarisering van geo-engineering

Er gaapt een grote kloof tussen de hoogdringendheid van de strijd tegen de klimaatopwarming en de terughoudendheid van de regeringsmaatregelen hieromtrent. Hierdoor wordt klimaat-'engineering' (of 'geo-engineering') – d.w.z. een moedwillige, grootschalige, technologische interventie in het klimaatsysteem met de bedoeling de opwarming van de planeet tegen te gaan of om de effecten ervan te verzachten – door bepaalde wetenschappers steeds meer als een mogelijk antwoord beschouwd op de uitdagingen voor onze planeet. De chemische samenstelling van de oceanen wijzigen of de planeet wikkelen in een laag partikels die de zonnestralen weerkaatst, zijn slechts twee voorbeelden van de wel dertig technieken waarmee deze leerling-tovenaars beogen de klimaatopwarming tegen te gaan en tegelijk CO2 op te slaan, zodat we onze uitstoot van broeikasgassen niet zouden moeten verminderen.

In de civiele sector zijn er talrijke stemmen die zich verzetten tegen deze gevaarlijke manier van handelen, bij de militairen daarentegen zijn er minder scrupules en genoeg tekenen van een effectieve militarisering van klimaat-engineering. De eerste hieromtrent gepubliceerde rapporten uit de jaren 1990 bevatten nog veel fictie en fantasieën. Maar de werkgroepen die recent werden opgericht door het Amerikaans leger – met name het DARPA-agentschap van het Pentagon, in samenwerking met de 'Lawrence Livermore National Laboratory' (een onderzoeksfaciliteit gefinancierd door het ministerie van Energie) en de 'Rand Corporation' (een denktank die nauw verbonden is met de VS-luchtmacht) – laten er geen twijfel over bestaan dat deze technologieën voor hen een reële strategische waarde hebben.

De wetenschapshistoricus James Fleming stelt dat fantasieën over de controle van het weer en het klimaat altijd nauw verbonden zijn geweest met commerciële en militaire belangen. Dat zal in de toekomst niet anders zijn en de militaire beroering van de laatste jaren voor klimaat-engineering zou de alarmbel moeten doen rinkelen. Bij gebrek aan een dringende en regelmatige herziening die de technologische vooruitgang in rekening brengt en mogelijk vijandig gebruik voorziet, dreigt de ENMOD-conventie definitief ten onder te gaan in het 'voorgeborchte' van het internationaal humanitair recht. Tijdens de eerste herzieningsconferentie van 1984 gaf de Nederlandse delegatie nochtans een pertinente historische terugblik die op het gevaar moest wijzen van een verouderd internationaal instrumentarium voor wapenbeheersing. In 1899 sprak de Eerste Internationale Vredesconferentie van Den Haag zich uit voor "het verbod op het gooien van projectielen of andere explosieven vanuit luchtballonnen of gelijkaardige middelen". Het ging met andere woorden over een verbod op bombardementen. Tijdens de Tweede Vredesconferentie in 1907 werd eenzelfde verklaring aangenomen die van kracht zou blijven tot de Derde Internationale Vredesconferentie. Die derde conferentie is er nooit gekomen, en de verklaring van 1907 is in de vergeethoek geraakt, waardoor een proces van herhaaldelijke herzieningen werd afgebroken dat vandaag had kunnen leiden tot niet minder dan een algemeen verbod op luchtbombardementen.

De ENMOD-conventie verdient beter. Ze is het enige juridische instrument dat militaire toepassingen zou kunnen verhinderen van de technologische vooruitgang rond milieu- en klimaatengineering. Frankrijk moet ENMOD ratificeren en de Europese Unie moet zonder verwijl oproepen tot een nieuwe controleconferentie.

Luc Mampaey is directeur van GRIP, www.grip.org
Dit artikel werd vertaald door Georges Spriet

steun ons

© 2019 vrede vzw - website by