Artikel
Jean Bricmont
Printvriendelijke versie

Reactie op anti-anti-oorlog links

Sinds de jaren 1990, en specifiek sinds de oorlog in Kosovo van 1999, wordt iedereen die gekant is tegen gewapende interventies door Westerse machten en de NAVO, geconfronteerd met wat men een anti-anti-oorlogsbeweging kan noemen aan de linkerzijde van het politieke spectrum. Dit anti-anti-oorlog links in Europa, bestaat doorgaans uit de reguliere sociaal-democratie, de groene partijen en een groot deel van 'radicaal' links.

De anti-anti-oorlogsbeweging verklaart zich geen openlijke voorstander van Westerse militaire interventies en heeft er soms zelfs kritiek op, maar dan alleen maar omwille van de gebruikte tactieken of de vermeende motivaties ervan -het Westen verdedigt een goede zaak, maar op een klungelige wijze en omwille van olie of geostrategische redenen. De meeste energie van deze beweging gaat echter naar het “waarschuwen” tegen het zogezegd gevaarlijk afdrijven van dat deel van de linkerzijde dat wel sterk gekant blijft tegen zulke interventies. Anti-anti-oorlog links roept ons op om “de slachtoffers” te ondersteunen in hun strijd tegen “de beulen”, en om “solidair te zijn met de bevolking tegen de tirannen”. Het maant ons aan niet toe te geven aan overhaast en simplistisch “anti-imperialisme”, “anti-Amerikanisme” of “anti-zionisme”, en bovenal niet aan dezelfde kant terecht te komen als extreem-rechts. Na de Albanezen in Kosovo in 1999, werd ons gezegd dat “wij” de Afghaanse vrouwen, de Iraakse Koerden en meer recent de Libische en Syrische bevolking moesten beschermen. Het kan niet ontkend worden dat anti-anti-oorlog links extreem doeltreffend is geweest. De oorlog in Irak, die aan de publieke opinie verkocht werd als een strijd tegen een imaginaire dreiging, wekte inderdaad nog heel wat (voorbijgaande) oppositie op, maar er is sindsdien maar weinig verzet gerezen tegen oorlogen die gepresenteerd worden als “humanitair”. Elke kritische noot over de heropleving van het imperialisme of elke uitspraak ten voordele van het aanpakken van zulke conflicten op vreedzame wijze, worden simpelweg van de tafel geveegd door 'R2P' aan te halen. R2P is het recht op inmenging, de verantwoordelijkheid om te beschermen of de plicht om mensen in nood te helpen.

Militair ingrijpen

De fundamentele tegenstrijdigheid van anti-anti-oorlog links schuilt in de vraag wie dan wel die “wij” zijn, waarvan verwacht wordt dat ze interveniëren. In de praktijk zijn alle conflicten waar “wij” zouden moeten ingrijpen, gewapende conflicten. Ingrijpen betekent dus militair interveniëren en daarvoor heeft men de gepaste militaire middelen nodig. Het is ongelofelijk evident dat links in Europa niet over deze middelen beschikt. De voorstanders van gewapende interventie zouden kunnen eisen dat Europese militairen ingrijpen in plaats van het Amerikaanse leger, maar die hebben dat nog nooit gedaan zonder de enorme steun van de Verenigde Staten. Dus in werkelijkheid is de eigenlijke boodschap van anti-anti-oorlog links: “Alstublieft Amerikanen, make war, not love!”. Bovendien staan de Amerikanen na hun debacles in Irak en Afghanistan zeer weigerachtig tegenover het zenden van grondtroepen. De boodschap van anti-anti-oorlog links komt dus eigenlijk neer op de vraag aan de Amerikaanse luchtmacht om landen te gaan bombarderen waar er mensenrechten geschonden worden. Uiteraard heeft iedereen het recht om te beweren dat de toekomst van de mensenrechten toevertrouwd moet worden aan de welwillendheid van de VS-regering, met haar bommenwerpers en drones. Maar het is belangrijk om in te zien dat dit de concrete betekenis is van al deze pleidooien voor solidariteit en ondersteuning. Rebellenbewegingen en secessionistische groeperingen die verwikkeld zijn in een gewapende strijd, hebben geen behoefte aan slogans over solidariteit die uitgeschreeuwd worden op betogingen in Brussel of Parijs. Dat is niet waar ze om vragen. Ze willen vaak zware wapens bemachtigen en hun vijanden laten bombarderen, iets waar alleen de Verenigde Staten voor kan zorgen. De anti-anti-oorlogsbeweging zou eerlijk moeten uitkomen voor zijn keuze en de VS openlijk moeten oproepen om te gaan bombarderen waar er mensenrechten geschonden worden, maar daarnaast moet het ook de consequenties van die keuze accepteren. De politieke en militaire klasse die verondersteld wordt volkeren van hun tirannen te redden, is dezelfde klasse die de oorlog in Vietnam voerde, die een embargo invoerde en een oorlog voerde tegen Irak, die sancties oplegde aan Cuba en Iran en elk ander land dat hen tegen de haren instrijkt, die massale en onvoorwaardelijke steun verleent aan Israël, die alle mogelijke middelen inzet -inclusief staatsgrepen- om sociale hervormers in Latijns-Amerika tegen te werken, en die zowat over de hele wereld schaamteloos arbeiders en natuurlijke bronnen uitbuit. Men moet al tamelijk veel goede wil aan de dag leggen om in deze politieke en militaire klasse het instrument te zien dat 'de slachtoffers' in de wereld verlossing zal brengen. In de praktijk is dit echter precies wat anti-anti-oorlog links beweert en bepleit, gewoonweg omdat er gezien de realiteit van de machtsrelaties in de wereld, geen andere autoriteit is die in staat is om zijn wil op te leggen via militaire middelen.

De Amerikaanse overheid zelf is zich uiteraard nauwelijks bewust van het bestaan van een anti-anti-oorlogsbeweging in Europa. De VS-autoriteiten beslissen al dan niet oorlog te voeren naar gelang de kansen op succes, hun strategische, politieke en economische belangen, de binnenlandse en buitenlandse oppositie ertegen, enzovoort. Maar eenmaal ze aan een oorlog beginnen, willen ze ten allen prijze winnen. Het houdt geen steek hen te vragen om alleen maar goede interventies uit te voeren, alleen maar tegen echte slechteriken en gebruik makend van zachtaardige methoden die burgers en onschuldige omstanders sparen. Al wie de NAVO heeft opgeroepen om “de vooruitgang voor de vrouwen in Afghanistan te handhaven” zoals de Amerikaanse afdeling van Amnesty International heeft gedaan via een affichecampagne tijdens de NAVO-top in Chicago (mei 2012), vraagt eigenlijk aan de VS en de EU om meer Afghaanse burgers te bombarderen en meer bewapende onbemande vliegtuigen in te zetten. Het heeft geen zin om de NAVO te vragen te beschermen zonder te bombarderen, want legers functioneren nu eenmaal door te schieten.

Geen alternatief?

Een van de favoriete terugkerende beschuldigingen van de anti-anti-oorlogsbeweging aan het adres van diegenen die tegen militaire interventies zijn, is “het verdedigen van de dictator”, doelend op de leider van het geviseerde land. Hoewel het één duidelijk niets van doen heeft met het ander, stelt zich het probleem dat elke oorlog gerechtvaardigd wordt door een gigantische propaganda-inspanning, gebaseerd op het demoniseren van de vijand, en in het bijzonder de leider van de vijand. Om doeltreffend tegen deze propaganda in te gaan, is men verplicht de leugens eruit te halen, het conflict en de misdaden van de vijand te contextualiseren en de misdaden van de zijde die “wij” verondersteld worden te steunen, ook te erkennen. Deze oefening is noodzakelijk, maar ondankbaar en riskant. De kleinste fout zal eindeloos tegen je gebruikt worden, terwijl alle leugens in het kader van de pro-oorlogspropaganda vergeten worden van zodra de operaties beëindigd zijn. Al tijdens de eerste wereldoorlog werden de anti-imperialistische filosoof Bertrand Russell en de Britse pacifisten beschuldigd van het “steunen van de vijand”. Als ze kritiek hadden op de geallieerde propaganda was dat echter niet uit liefde voor de Duitse Kaiser, maar in naam van de vrede. Anti-anti-oorlog links houdt ervan de vermeende “dubbele standaard” aan te klagen van coherente pacifisten, die de misdaden van hun eigen zijde scherper zouden bekritiseren dan de misdaden toegeschreven aan de vijand van het moment. Deze zogenaamde dubbele standaard is echter alleen het onvermijdelijke resultaat van een bewuste en legitieme keuze: de oorlogspropaganda van onze eigen media en politieke leiders proberen te ontkrachten - propaganda die gebaseerd is op het voortdurend demoniseren van de vijand die belaagd wordt en het idealiseren van de belager.

De aanhangers van anti-anti-oorlog links hebben geen enkele invloed op het Amerikaans beleid, maar dat wil niet zeggen dat ze geen enkel effect ressorteren. Hun sluipende retoriek heeft bijgedragen tot de neutralisatie van elke pacifistische of anti-oorlogsbeweging en heeft het ook onmogelijk gemaakt voor een Europees land om een onafhankelijke positie in te nemen, genre Frankrijk onder De Gaulle (die Frankrijk terugtrok uit de NAVO) of zelfs Chirac (die zich verzette tegen de oorlog van George W. Bush tegen Irak). Vandaag zou zo'n onafhankelijke houding onmiddellijk veroordeeld worden door anti-anti-oorlog links en de reguliere media, als “steun voor de dictator” of als “de misdaad van de onverschilligheid”. Wat anti-anti-oorlog links bereikt heeft is de vernietiging van de soevereiniteit van de Europeanen ten opzichte van de VS en de eliminatie van elk links onafhankelijk standpunt rond oorlog en imperialisme. De beweging heeft er ook toe geleid dat het grootste deel van Europees links posities inneemt die totaal tegenovergesteld zijn aan die van Latijns-Amerikaans links.

Er wordt ons soms opgeworpen dat er “dringend” gehandeld moet worden om slachtoffers te vermijden. Er kan geen tijd verloren worden met het bevestigen van feiten. Zelfs als we dit zouden aannemen, stellen we vast dat er na iedere crisis geen enkele reflectie volgt ter linkerzijde over een mogelijke andere toekomstige politiek dan die van de militaire interventie. De onmiddellijke reflex van “we moeten iets doen” bij een buitenlandse crisis, sluit een ernstige en grondige analyse uit. Wat soort van onafhankelijk onderzoek kan er ingesteld worden om de vaak meervoudige oorzaken van het conflict en de potentiële oplossingen beter te begrijpen? Welke rol kan diplomatie spelen?

Het overgrote deel van anti-anti-oorlog links deelt een algemene afkeer van de vroegere revoluties omdat ze hebben geleid tot het totalitarisme (Stalin, Mao, Pol Pot, enzovoort). Het is dan ook zeer opmerkelijk dat nu de revoluties aangevoerd worden door islamisten (met de steun van het Westen), we allemaal verondersteld worden te geloven dat alles wel goed zal uitdraaien. Wat als 'de les' die links uit het verleden had moeten trekken net de idee is dat gewelddadige revoluties, militarisering en buitenlandse inmenging niet noodzakelijk de beste of de enige manieren zijn om sociale verandering te bewerkstelligen? Een alternatief beleid, weg van de militaire interventies, zou een bocht van 180° betekenen voor het huidige anti-anti-oorlog links. In plaats van op te roepen tot meer en meer interventies, zouden we van onze regeringen een strikte navolging van het internationaal recht moeten eisen, het principe van de niet-inmenging in de zaken van soevereine staten, en coöperatie op voet van gelijkheid in plaats van confrontatie. We zouden beter in dialoog treden met landen zoals Rusland, China, Iran en Cuba en onze medeburgers de verschillende manieren van denken in de wereld helpen begrijpen, inclusief de kritieken die andere landen kunnen hebben op de manier waarop wij de zaken aanpakken. Het cultiveren van wederzijds begrip zou op lange termijn wel eens de beste manier kunnen zijn om de mensenrechten overal te verbeteren. Dit beleid zou uiteraard geen onmiddellijke oplossingen bieden voor de mensenrechtenschendingen of politieke conflicten in landen zoals Libië en Syrië. Maar wat lost die problemen wel gauw op? Een zaak staat vast, het beleid van inmenging en interventies drijft de spanningen en de militarisering in de wereld op. De landen die zich geviseerd voelen door dit beleid -en dat zijn er nogal wat- verdedigen zichzelf op alle mogelijke manieren. De demoniseringscampagnes belemmeren vreedzame relaties tussen staten, culturele uitwisselingen tussen hun burgers en, onrechtstreeks, de liberale ideeën die de pleitbezorgers van de humanitaire interventies net beweren te willen bevorderen.

Wanhoop

Het moment dat anti-anti-oorlog links alle andere alternatieve opties heeft opgegeven ten voordele van dit interventionistisch beleid, zag het eigenlijk af van de mogelijkheid om ook maar de geringste invloed te hebben op het wereldgebeuren. Het is niet waar dat de anti-anti-oorlogsbeweging “slachtoffers helpt”, zoals ze beweert. Behalve het vernietigen van elk verzet tegen imperialisme en oorlog hier, doet ze niets. De enigen die uiteindelijk ageren zijn de VS-administraties. Hen het welzijn van de volkeren in de wereld toevertrouwen, is een houding die getuigt van totale wanhoop. Deze wanhoop is een aspect van de manier waarop een groot deel van links gereageerd heeft op de 'val van het communisme', door het beleid te omarmen dat het totale tegenovergestelde van het communistische predikte, in het bijzonder op het vlak van de internationale betrekkingen, waarbij elke oppositie tegen imperialisme en elke verdediging van de nationale soevereiniteit beschouwd worden als 'archaïsche overblijfsels van het Stalinisme'.

De politiek van interventies is, net zoals de huidige Europese constructie trouwens, een rechts project. Het interventie-project is gelinkt aan de Amerikaanse drang naar hegemonie in de wereld. Het Europees project kadert in een beleid dat neoliberale economische maatregelen ondersteunt en de sociale bescherming afbreekt. Paradoxaal genoeg worden beide rechtse projecten grotendeels gerechtvaardigd met 'linkse' ideeën: mensenrechten, internationalisme, anti-racisme en anti-nationalisme. In beide gevallen heeft een gedesoriënteerd politiek links zich vastgeklampt aan een ruim 'humanitair' discours, dat een realistische analyse van de machtsverhoudingen in de wereld ontbeert. Met dit soort van links, heeft rechts zelfs amper nood aan een eigen ideologie, het 'discours van de mensenrechten' volstaat.

Toch bevinden beide beleidskeuzes -het interventionisme en de Europese constructie- zich in een impasse. Het VS-imperialisme wordt geconfronteerd met enorme problemen, zowel op economisch als op diplomatiek vlak. De Amerikaanse inmengingspolitiek is er in geslaagd om een groot deel van de wereld tegen het land te verenigen. Bijna niemand gelooft nog in 'een ander' sociaal Europa. De reëel bestaande Europese Unie wekt niet veel enthousiasme op onder de werkende bevolking. Momenteel komen deze mislukte politieke projecten natuurlijk alleen maar ten goede aan rechts en extreemrechts, maar uitsluitend omdat het grootste deel van de linkerzijde gestopt is met het verdedigen van de vrede, het internationaal recht en de nationale soevereiniteit als noodzakelijke voorwaarden voor democratie.

Professor Jean Bricmont geeft les aan de Université Catholique de Louvain

steun ons

© 2020 vrede vzw - website by