Dossier
Han Vandenabeele
Printvriendelijke versie
Tibet en China – een conflict in retrospectie
Mars voor Tibet, 10 maart 2019

Tibet en China – een conflict in retrospectie

Op 1 oktober 1949 riep Mao Zedong de Volksrepubliek China uit, met de hereniging tussen Tibet en het 'moederland' hoog op de agenda.

Niet opgewassen tegen China’s militaire superioriteit tijdens de invasie van Oost-Tibet en internationaal geïsoleerd, ondertekenden de Tibetanen in 1951, onder dwang, het 17 puntenakkoord voor de vreedzame bevrijding van Tibet. Daarmee erkende de Tibetaanse overheid officieel de suzereiniteit van China, terwijl die laatste het behoud van het bestaande politiek-religieuze systeem garandeerde.

Het was een propaganda-overwinning die China de juridische legitimiteit gaf verder op te rukken in de richting van de Tibetaanse hoofdstad Lhasa. Er volgde een periode van breekbare co-existentie tussen de traditionele Tibetaanse regering met de toen minderjarige Dalai Lama (de religieuze en wereldlijke machthebber van Tibet) en het revolutionaire Maoïstische China. Een gedoemd huwelijk dat escaleerde op 10 maart 1959 met een volksopstand in Lhasa en de vlucht van de Dalai Lama richting India. Het was een breekpunt dat het Sino-Tibetaans conflict in de internationale arena van de hedendaagse geschiedenis katapulteerde. Van Mao tot Xi, voor de Chinese Volksrepubliek staat het buiten kijf: Tibet maakt al ruim 700 jaar integraal deel uit van China en het conflict betreft een interne aangelegenheid. Een stelling die loodrecht op de Tibetaanse zijde van het verhaal staat.

Tibetaans rijk

De prelude van het huidige conflict gaat terug tot de geboorte van de Tibetaanse natie onder het bewind van koning Songtsen Gampo (617-650) en tot de opmars van Tibet als militaire grootmacht in Centraal-Azië. Als grondlegger van de Tibetaanse staat slaagde Songtsen Gampo er in de voorheen losse clanstructuur en nomadische stammen te onderwerpen en verenigen onder één bestuur. Hij legde de basis voor een op het Sanskriet gebaseerd schrift en voerde de eerste geschiedschrijving en rechtspraak in. Een historisch rijk, dat bloeide tussen de 7de en 9de eeuw, omvatte alle Tibetaans-sprekende regio’s: de provincies U-Tsang, met hoofdstad Lhasa, in het centrum en het westen van het land, het noordoostelijke Amdo en het zuidoostelijke Kham.

Geografisch gezien beslaat dit Groot-Tibet ruwweg een vierde van het hedendaagse China en vormt het het uitgangspunt van de Tibetaanse onafhankelijkheidsclaim. Een eis die de Dalai Lama in 1988 voor het Europees Parlement in Straatsburg liet varen in ruil voor de 'Middenweg'-aanpak, d.w.z. verregaande autonomie en de unificatie van alle Tibetaanse gebieden binnen het kader van de Volksrepubliek China via vreedzame dialoog. De meer pragmatische aanpak van de Middenweg kon rekenen op mondiale sympathie, maar creëerde tevens verdeeldheid binnen de Tibetaanse samenleving en leverde -tot op heden- niet de beoogde resultaten op.

Beijing, van het keizerlijke tot het communistische, ziet de zaken enigszins anders en beschouwt enkel het centrale U-Tsang -waar de Tibetaanse overheden onder leiding van de Dalai Lama's regeerden- als feitelijk Tibet. Het herdoopte dit gebied in 1965 officieel tot de Tibetaanse Autonome Regio (TAR). Het bestuur van de Tibetaanse grensregio’s Amdo en Kham kende een minder eenduidig verloop en wisselde doorheen de eeuwen vaker van handen en loyaliteiten. Uiteindelijk gingen ze op in de hedendaagse Chinese provincies Yunnan, Sichuan, Qinghai en Gansu onder de noemer 'autonome Tibetaanse prefecturen'. In de oostelijke Tibetaanse provincies Amdo en Kham, die niet beschermd werden door het 17 puntenakkoord, introduceerde Beijing begin de jaren 1950, net zoals in de rest van van het land, democratische hervormingen en een socialistische transformatie. De landherverdeling met de vervolging van grondbezitters en de creatie van een klassenbewustzijn, gecombineerd met de eerste stappen richting collectivisme, ontaardde in gewapend verzet in het oosten van Tibet. De harde repressie die erop volgde, leidde tot een vluchtelingenstroom richting Lhasa, de voorbode van de Tibetaanse volksopstand in 1959.

Tibetaanse expansie

Terug naar het Tibetaanse rijk van de 7de tot de 9de eeuw. Na de consolidatie van de macht richtten de Tibetaanse koningen hun pijlen op de verdere uitbreiding van het imperium. Op het hoogtepunt van Tibets expansiedrift veroverde het onder meer grote delen van het historische Turkestan (een gebied in Centraal-Azië dat de huidige staten Kirgizië, Turkmenistan, Oezbekistan en een deel van Kazachstan omvat), Pakistan, Nepal en Noord-India. Het kwam ook tot gewapende confrontaties met de Chinese Tang-dynastie (618-907). Hierbij veroverde het Tibetaanse rijk in 763 kortstondig de toenmalige Chinese hoofdstad Chang’an, hedendaags Xian.

Onder dreiging van de oprukkende Tibetaanse troepen maakten ook huwelijksallianties deel uit van de toenmalige politieke strategieën. Songtsen Gampo huwde naast vrouwen van toonaangevende clans, zowel een Nepalese als een Chinese prinses. De Chinese prinses Wencheng introduceerde het boeddhisme aan het Tibetaanse hof, een ijkpunt binnen de Tibetaans boeddhistische geschiedenis en mythologie. Zo bracht Wencheng als onderdeel van haar bruidsschat de Jowo Shakyamuni mee, een boeddhabeeld dat tot op vandaag het meest vereerde en belangrijkste voorwerp in Tibet is.

De huidige Chinese retoriek beschouwt de introductie van het boeddhisme als een van de eerste stappen van de Tibetaanse culturele en politieke assimilatie met China. De uiteindelijke proclamatie van het boeddhisme als staatsgodsdienst -waarbij de Indische variant het won van de Chinese- kwam er pas honderd jaar later. De groei van de religie in het Tibetaanse rijk leidde tot een interne machtsstrijd en tot gewapende conflicten met de aanhangers van het animistische böngeloof.

Tijdens de twee glorie-eeuwen van het Tibetaans koningshuis wisselden periodes van vrede en oorlog met de Chinese Tang-dynastie elkaar af, waarbij de controle over de Tibetaanse grensgebieden verschillende malen van kant veranderde. De vele officiële missies en bilaterale vredesovereenkomsten in zowel de Tibetaanse als de Chinese annalen spreken van twee afzonderlijke en onafhankelijke politieke entiteiten.

Halverwege de 9de eeuw kwam er een einde aan het Tibetaans militair succesverhaal. Betwistingen omtrent de troonopvolging en de rivaliteit tussen boeddhisten en aanhangers van het böngeloof - met de uiteindelijke vervolging en verdrijving van het boeddhisme uit Centraal-Tibet tot gevolg - luidden een periode van fragmentatie in. Het koninkrijk viel uiteen, in elkaar beconcurrerende vorstendommen, waarna het vierhonderd jaar zou duren vooraleer er terug sprake was van enig centraal bestuur. Ook de Chinese Tang-dynastie raakte kort daarop in verval, wat het einde betekende van de politieke en diplomatieke banden tussen beide machten.

Op het Tibetaans hoogplateau werd het politiek vacuüm midden de 11de eeuw geleidelijk aan ingevuld door de groeiende macht van diverse boeddhistische scholen die een ware renaissance kenden. Verschillende stromingen, waaronder de Sakya en Kagyu, domineerden al snel het politieke en economische landschap. De lokale adel trad daarbij op als beschermheer en profiteerde mee van de religieuze heropleving. Om de onafhankelijkheid, macht en bezittingen van de monastieke instituties te verzekeren, ontstond het systeem van de tulku of gereïncarneerde religieuze leraars (lama's). Hiermee werd een lineaire opvolging gewaarborgd door telkens een nieuw kind te ontdekken en te installeren dat al het prestige en de bezittingen van zijn geestelijke voorganger erfde.

Mongoolse heerschappij

Vanaf het begin van de 13de eeuw bepaalde een nieuwe grootmacht de wereldorde. Onder leiding van Djengis Khan en zijn nakomelingen veroverde Mongolië een grondgebied dat zich uitstrekte van Azië tot Europa. Ook Tibet en China bleven niet gespaard van de Mongoolse horden, hoewel de annexatie-tactiek in beide gebieden van elkaar verschilde. In 1240 zond Godan, kleinzoon van de grote Khan, een verkenningsmissie richting Tibet. De belangrijkste Tibetaanse religieuze leider, Sakya Pandita (een van de vijf oorspronkelijke stichters van de Sakya-traditie binnen het Tibetaans boeddhisme), werd ontboden aan zijn hof. Om een verdere invasie van de Mongolen te vermijden, onderwierp het hoofd van de Sakya-school zich aan Godan. Hoewel geen van beiden de autoriteit had om uit naam van alle Mongolen of alle Tibetanen te spreken, betekende dit het begin van de periode van de chöyön of patroon-priester relatie (de symbolische en persoonlijke relatie tussen een wereldlijke machthebber en een geestelijke leider). Hierbij traden de Mongoolse khans op als de politiek-militaire beschermheren en de boeddhistische lama’s als hun spirituele meerderen die instonden voor de religieuze vorming en de spirituele legitimatie van het leiderschap van de khans.

Het Mongoolse patronaat zou cruciaal blijken voor de bekrachtiging van de politieke dominantie van de boeddhistische kerk binnen Tibet. Door het universalistisch karakter van het boeddhisme lag de primaire interesse van de Tibetaanse geestelijken eerder bij de verspreiding van de dharma (de boeddhistische leer) dan bij de politieke status van Tibet. Dit lag helemaal anders bij de seculiere, nationalistische Tibetaanse aristocratie, die beduidend minder voordelen haalde uit een buitenlands protectoraat.

Kublai Khan, de vijfde grootkhan (opperste leider) van het Mongoolse rijk, en Pagpa, de neef van Sakya Pandita, tilden de chöyön tot een hoger niveau. De Sakya-school verkreeg hierdoor de politieke en religieuze suprematie over Tibet, zij het nominaal onder Mongoolse dominantie. Dit alles resulteerde in een tijdelijke politieke eenheid in Groot-Tibet. De grensprovincies Amdo en Kham zouden na verloop van tijd een afzonderlijke politieke administratie krijgen, wat een precedent schepte voor de latere opsplitsing van Tibet door China.

Kublai Khan maakte het werk van zijn Mongoolse voorgangers af met de complete verovering van China in de tweede helft van de 13de eeuw. Hij richtte vervolgens de Yuan-dynastie (1271-1368) op, waarbij hij zichzelf uitriep tot keizer van China. Onder een gemeenschappelijke -buitenlandse- noemer kwamen zowel Tibet als China zo onder eenzelfde heerschappij terecht. Hoewel Tibet officieel deel uitmaakte van het Mongoolse rijk, behield het dankzij de chöyön een unieke positie, met een zekere graad van autonomie, in tegenstelling tot China dat onder direct Mongools bestuur kwam te staan. Hoewel deze periode gedefinieerd werd door Mongools-Tibetaanse relaties en niet Sino-Tibetaanse, beschouwt de Chinese geschiedschrijving de Yuan-dynastie als het moment van de Tibetaanse unificatie met het Chinese moederland. Eén multi-etnische staat die zou overgaan van dynastie naar dynastie... naar volksrepubliek.

Reformatie

Met de tanende macht van de Mongolen halverwege de 14de eeuw verloren de Sakya hun politiek overwicht en geraakte Tibet verwikkeld in een periode van interne sektarische en regionale strijd. Een opeenvolging van adellijke families die seculiere en religieuze afstamming combineerden, bestuurde afwisselend het land. Ondanks de religieuze affiniteit van deze families met bepaalde kloosters poogden ze vooral de politieke hegemonie van de geestelijken en de afhankelijkheid van externe beschermheren te doorbreken.

De heersende nostalgie naar Tibets glorieperiode vertaalde zich in een nieuwe wetgeving en een streven naar een bestuur zonder buitenlandse inmenging. De chöyön zou echter typerend blijven voor het toekomstig Tibetaans buitenlands beleid onder de aangroeiende religieuze klasse. Deze afhankelijkheid van buitenlandse actoren zou bepalend zijn voor de toekomst van het land.

De omverwerping van de Yuan-dynastie bracht een nieuwe speler op de imperiale troon: de Ming (1368-1644), de eerste etnisch-Chinese dynastie sinds de val van de Tang die heel China onder haar controle zou brengen. De Ming-keizers grepen terug naar het Tang-rijk als blauwdruk voor hun beleid en baseerden zich inzake Tibet op de aanpak van hun Mongoolse voorgangers, zij het louter in theorie. In de praktijk werden Tibetaanse prominenten, zowel religieuze als seculiere, overstelpt met eerbare titels en kostbare geschenken, maar dit bleef zonder feitelijke politieke gevolgen. De invloed van de Ming drong niet door tot de hoogste regionen van het Tibetaanse hof of de clerus, waar het hen aan de nodige legitimiteit ontbrak om een nieuwe chöyön te bewerkstelligen. Tibet vormde evenwel geen bedreiging voor de Ming-heerschappij - de Mongolen bleven dit initieel wel - waardoor invloedrijke lama’s graag geziene gasten waren aan het Chinese hof.

Wat voor Tibet niet meer betekende dan ceremoniële diplomatie -die tevens rijkdom en prestige met zich meebracht- beschouwde China als een tribuutsysteem onder 'hemels mandaat'. Hierbij erkende de ontvanger zijn onderdanigheid aan de keizer en aan het 'Chinese Rijk van het Midden', het centrum van de wereld. Het was een proces dat dankzij de superioriteit van de Chinese cultuur moest leidden tot de sinificatie (of verchinezing) van alle barbaarse regio’s. Ook vandaag wordt deze lijn van assimilatie aangehouden door de Volksrepubliek, door middel van haar soft power-beleid. En de buitenwereld buigt zich naar de Chinese visie. In recente incidenten sloegen internationale bedrijven als Mercedes Benz en Marriott Hotels bijvoorbeeld nog mea culpa voor het beledigen van de Chinese consument met reclame en informatie die botste met de officiële positie van Beijing over Tibet.

Onder de geestelijke Tsongkhapa (1357-1419), wiens activiteiten leidden tot de komst van een nieuwe boeddhistische school, onderging het religieuze landschap in Tibet een ware reformatie. De nieuwe school van de Gelugpa of de Deugdzame orde kwam er als een tegenreactie op het monastieke morele verval. De orde kon zijn succes al snel verzilveren, zowel in aanhang als in territorium, geruggensteund door Mongoolse troepen. Een nieuwe chöyön tussen de Gelugpa-abt Sonam Gyatso (1543-1588) en Altan Khan, de leider van de Qoshot-Mongolen, consolideerde de macht. In een uitwisseling van politieke en religieuze legitimaties ontving Sonam Gyatso de titel Dalai Lama of Oceaan van wijsheid, die hij postuum ook aan zijn twee voorgangers gaf, en werd Altan Khan erkend als de directe afstammeling van Kublia Khan. Met het oog op de hereniging van de oostelijke en westelijke Mongoolse fracties verbonden de Qoshot zich met een religie die in Centraal-Azië aan prestige won, terwijl de Gelugpa-school de steun verkreeg van een machtige beschermheer. Deze alliantie zou doorslaggevend zijn bij het beslechten van gewelddadige regionale en sektarische conflicten in het Tibet van de 15de en 16de eeuw.

Panchen Lama

Het vernieuwde religieus-militaire verbond leidde in 1642 tot de eenmaking van Tibet onder de 5de Dalai Lama (1617-1682) als hoogste wereldlijke en religieuze autoriteit. Lhasa, het onbetwiste centrum van de Tibetaanse cultuur en administratie, werd de thuisbasis van een theocratisch bestuur geleid door een lijn van elkaar opvolgende gereïncarneerde Dalai Lama’s. Dit bestuurssysteem zou ongewijzigd blijven tot de inval van communistisch China halverwege de 20ste eeuw.

Vandaag ondernemen zowel de Tibetaanse regering in ballingschap (officieel de Centraal-Tibetaanse Administratie) als het instituut van de huidige, 14de Dalai Lama stappen richting democratisering. De Dalai Lama droeg in 2011 zijn politieke macht over aan een rechtstreeks verkozen Sikyong of eerste minister.

De 5de Dalai Lama of 'Grote Vijfde' liet het Potalapaleis bouwen, de indrukwekkende residentie van de Dalai Lama's in Lhasa, en riep ook het instituut van de Panchen Lama in het leven: een reïncarnatielijn voor zijn spirituele mentor en tweede hoogste geestelijke binnen de Gelugpa-orde. De Dalai Lama en de Panchen Lama speelden een belangrijke rol in elkaars opleiding en opvolging. Hoewel deze religieuze tandem versterkend moest werken, leidde ze uiteindelijk tot een intersektarische breuk tussen Lhasa, de thuisbasis van de Dalai Lama, en Shigatse, de hoofdzetel van de Panchen Lama.

Deze interne twist werd in het verleden vaak uitgespeeld door China en droeg bij tot de verzwakking van de Tibetaanse staat. De Panchen Lama diende daarbij geregeld als speelbal van China’s verdeel-en-heers strategie. Een recent voorbeeld daarvan ontvouwde zich in 1995, toen een kersverse 11de Panchen Lama publiekelijk erkend werd door de huidige Dalai Lama, maar zonder het medeweten of de goedkeuring van Beijing. De toen zesjarige uitverkorene, Gedhun Choekyi Nyima, werd in hechtenis genomen door de Chinese autoriteiten en onder huisarrest geplaatst. Amnesty International riep hem uit tot jongste politiek gevangene ter wereld. Via de aanstelling van een nieuwe voorzitter van het comité dat de 11de Panchen Lama moest identificeren, kon Beijing een andere kandidaat naar voor schuiven en onrust stoken onder het Tibetaanse volk.

Qing-dynastie

De opkomst in de 17de eeuw van de Mantsjoes, een Toengoezisch volk uit het noordoosten van China, herschikte de geopolitieke kaart van Centraal-Azië en bracht een nieuwe, buitenlandse dynastie aan de macht in Tibet: de Qing. Onder de Qing-dynastie (1644-1911) kwam Tibet meer en meer binnen de Chinese invloedssfeer terecht – een evolutie die door Beijing gebruikt zou worden als rechtvaardiging voor zijn latere Tibet-politiek.

Begin 18de eeuw konden de Mantsjoes de belangrijkste rivaliserende Mongoolse fracties aan zich onderwerpen, waardoor de rol van de Gelugpa als intermediair was uitgespeeld. De Qing-dynastie ging een chöyön aan met de Tibetaanse lama’s. Zo verkregen ze het hoofdsponsorschap van de boeddhistische doctrine. De keizerlijke troepen schoten de Tibetaanse lama's meermaals te hulp: van het afslaan van afvallige Mongolen, over een burgeroorlog, tot de verdediging tegen een inval van Nepalese Gurkha's. Maar het militair optreden kwam niet zonder prijskaartje.

Vanaf 1720 tot aan de vooravond van de Chinese revolutie in 1911 was er sprake van een permanente Chinese aanwezigheid in Tibet in de persoon van de amban, al dan niet vergezeld van een garnizoen. Als vertegenwoordiger van het keizerlijke gezag evolueerde de functie van de amban van controle en supervisie tot directe inspraak en bestuur. De Tibetaanse provincies Kham en Amdo kwamen politiek los te staan van Centraal-Tibet in de jaren 1720 en vielen voortaan onder het indirect bestuur van lokale stamhoofden en krijgsheren. In 1792 volgde een verdere reorganisatie van de Tibetaanse regering onder impuls van de Qing.

De keuze van een nieuwe Dalai Lama of Panchen Lama zou onder de Qing-dynastie via de Gouden Vaas-ceremonie gebeuren: een loterijsysteem waarbij de amban de uitverkorene lootte uit verschillende geselecteerde kandidaten. Hedendaags Beijing doet dit dunnetjes over. De staat eigende zich in 2007 immers de officiële controle toe over de opvolging van de tulku's, waaronder de Dalai Lama en de Panchen Lama. Elke reïncarnatie moet sindsdien officieel geregistreerd en goedgekeurd worden – een preventieve zet met het oog op een ouder wordende Dalai Lama.

De periode van de Qing werd verder gekenmerkt door binnenlandse opstanden, zoals bijvoorbeeld de Taiping-rebellie, en door buitenlandse dreigingen. Vanaf het begin van de 19de eeuw werd de dynastie onder meer geteisterd door het Brits en Japans imperialisme. China belandde in de 'eeuw van vernedering', waarin het oorlogen en grondgebied verloor en onevenwichtige verdragen opgelegd kreeg door externe mogendheden. Met het oog op de consolidatie van de Mantsjoe-macht in het Chinese binnenland nam de greep van de Qing-dynastie op zijn protectoraten af.

Mede ten gevolge de politieke instabiliteit vielen de meeste hervormingen die in Tibet doorgevoerd waren door het Chinese centrale gezag in onbruik. De autoriteit van de amban werd gereduceerd tot een puur symbolische rol. Een nieuwe invasie van Nepalese Gurkha’s onderstreepte bovendien het onvermogen van de Chinese keizer om Tibet militair bij te staan. Tibet creëerde daarop autonome overheidsinstellingen die seculiere en religieuze belangen combineerden, zonder de buitenlandse afhankelijkheid die zo kenmerkend was voor het beleid in het verleden.

De facto onafhankelijkheid

Onder het leiderschap van de 13de Dalai Lama geraakte Tibet rond de overgang van de 19de naar de 20ste eeuw verwikkeld in 'The Great Game', een geopolitiek getouwtrek om invloed in Centraal-Azië tussen Groot-Brittannië, Rusland en China. Tibet als bufferstaat vormde een belangrijk onderdeel van de Britse strategie ter bescherming van Brits India, die het veiligstellen en uitbreiden van de Indo-Tibetaanse grenslijn tot doel had. De komst van de Britten naar Tibet en hun dubbelzinnige houding zou verder bijdragen tot het troebele statuut van het land.

Angst voor Russische expansie leidde in 1903-1904 tot de Britse Younghusband-expeditie: een militaire missie naar Tibet om grensdisputen op te lossen, de handel te reguleren en de Britse invloedssfeer te vergroten. Ondanks initiële verdragen met- en fiats van Beijing voor de expeditie legde een totaal gebrek aan Tibetaanse medewerking de effectieve machteloosheid van de Qing-dynastie bloot. De expeditie werd op die manier een de facto invasie van Tibet. Manu militari bereikten de Britten uiteindelijk de hoofdstad Lhasa, waarop de Dalai Lama richting Mongolië vluchtte. De amban informeerde de Britten dat hij niet over de autoriteit beschikte om met hen te onderhandelen. Younghusband, die de expeditie leidde, dwong een overeenkomst af met de in Lhasa overgebleven Tibetaanse overheid. Naast unieke handelsrechten en schadeloosstelling met territoriaal onderpand, transformeerde het Anglo-Tibetaans Verdrag de Himalaya-staat nagenoeg in een Brits protectoraat.

Onder meer om de rest van de Chinese markt veilig te stellen, kreeg het verdrag 2 jaar later een Anglo-Chinese dimensie. Daarin beloofden de Britten geen Tibetaans grondgebied te annexeren en erkenden ze unilateraal de Chinese suzereiniteit over Tibet. De Qing-dynastie oefende op dat moment nochtans geen enkele macht uit over de Tibetaanse gebieden. Alsnog uit angst voor verdere Britse expansie en zich bewust van de internationale onduidelijkheid omtrent zijn claim over Tibet, zond de Qing-keizer zijn troepen richting Kham en vervolgens U-Tsang. Wat een finale poging leek te zijn om Tibet politiek en socio-economisch in te lijven, draaide door de Chinese revolutie van 1911-1912 uit op een periode van de facto onafhankelijkheid voor Tibet.

Na de val van de Mantsjoe ten gevolge van de Chinese revolutie en de uitwijzing na 200 jaar van de laatste Chinezen uit Tibet, kondigde de 13de Dalai Lama in februari 1913 een verklaring van onafhankelijkheid af en verwierp hij de bestaande chöyön met China. Tijdens de Simla-conventie, bedoeld om het Sino-Tibetaans conflict onder Britse bemiddeling op te lossen, erkende Tibet alsnog de suzereiniteit van de nieuwe republiek China over U-Tsang en het westen van Kham, zij het nominaal. De Chinezen zouden zich m.a.w. niet mengen in het binnenlandse Tibetaanse bestuur. Amdo en het oosten van Kham werden opgeëist door de Chinese regering. Tibets territoriale claim op Amdo en Kham baseerde zich nochtans op nationale criteria zoals etniciteit en cultuur. Hoewel de Tibetaanse regering de politieke controle over de grensregio’s verloren had, eiste ze het zelfbeschikkingsrecht op voor alle Tibetaanse culturele gebieden.

Het Simla-akkoord wilde ook de grenzen vastleggen tussen China en Tibet enerzijds en tussen Tibet en Brits-India anderzijds (de zogenaamde McMahon-linie, die aan de basis ligt van een nog steeds voortdurend grensconflict tussen China en India). Onenigheid over de grenzen zorgde er echter voor dat het Republikeinse China het verdrag uiteindelijk niet ratificeerde.

In een poging om Tibet om te vormen tot een moderne staat, up-to-date met de nieuwe tijden, stuitte de 13de Dalai Lama op weerwerk van de conservatieve religieuze en aristocratische Tibetaanse elites. Een belastingdispuut met de Dalai Lama over de hervorming van het leger, zorgde bovendien voor de vlucht van de Panchen Lama richting China, waar hij met open armen ontvangen werd. Twintig jaar later speelde de terugkeer van zijn reïncarnatie naar Tibet, onder escorte van het Volksbevrijdingsleger, perfect in de kaart van de Chinezen, de zogenaamde vreedzame bevrijders.

Met de dood van een vooruitstrevende en hervormingsgezinde Dalai Lama in 1933 herviel het land terug in zijn oude gewoonten. Desalniettemin zou Tibet tot aan de oprichting van de Chinese Volksrepubliek in 1949 fungeren als een de facto onafhankelijke staat, met controle over zijn eigen binnenlands en buitenlands beleid. Wegens een gebrekkige kennis van de internationale politieke en diplomatieke regels, slaagde het land er niet in dit statuut universeel te laten valideren.

Conclusie

Tot op vandaag erkent geen enkele staat de onafhankelijkheid van Tibet en proberen de Tibetanen hun plaats te claimen binnen de geglobaliseerde wereld.

Hoewel de mensenrechtensituatie in Tibet en China wordt veroordeeld en het onderwerp vormt van verschillende resoluties en rapporten, is de Tibetaanse vreedzame strijd voor zelfbeschikking niet opgewassen tegen de almacht van de Chinese markt. De internationale gemeenschap blijft met twee monden praten, terwijl de Tibetaanse cultuur probeert te overleven onder een repressief en koloniaal systeem. Beijing beschouwt elke uitdrukking van Tibetaanse identiteit als een bedreiging van zijn autoriteit en brandmerkt iedere afwijking van de partijlijn als dissident en separatistisch. Wie verdacht wordt van dissidente ideeën riskeert een gevangenisstraf of erger.

China hoopte de harten en de geesten van de Tibetanen te winnen, aanvankelijk ideologisch en wanneer dit faalde via grote infrastructuurwerken, industrialisering en materiële vooruitgang. Deze strategie resulteerde in mooie ontwikkelingsstatistieken, waarmee Beijing graag uitpakt. De laatste golf van protesten in 2008, die zich verspreidde over het hele Tibetaanse plateau, en de ondertussen 155 zelfverbrandingen sinds 2009 schetsen echter een ander beeld van China’s politieke en economische wonderprestaties in het land.

Han Vandenabeele is medeoprichter van LUNGTA – Actief voor Tibet en maakt deel uit van het International Tibet Network.

 

steun ons

© 2019 vrede vzw - website by