Artikel
Loes Debuysere
Printvriendelijke versie
Tunesië: zeven magere jaren later?

Premier Youssef Chahed (c) ITU/ J. Marchand

Tunesië: zeven magere jaren later?

“We zouden moeten revolteren, een revolutie starten. De boel afbranden en afbreken. Ze mogen ons gerust opsluiten. We hebben niets te verliezen.”

Aan het woord is, ietwat verwonderlijk misschien, een plattelandsvrouw van middelbare leeftijd uit Tbourba, een ruraal stadje ten westen van de hoofdstad Tunis. Ik sprak haar een jaar geleden, naar aanleiding van een onderzoek naar de werkomstandigheden van arbeidersvrouwen in ruraal Tunesië. Ze was niet de enige die aandrong om haar verhaal te doen. Net als vele vrouwen, jong en oud, die in de landbouwsector werken, verkeert ze in een schrijnende toestand: armoede, geen recht op sociale zekerheid, in het beste geval alleen toegang tot informele en zware arbeid, in het slechtste geval gegarandeerde werkloosheid. De wanhoop is groot en de overheid doet nauwelijks iets om deze vrouwen te helpen.

Budgetplan

Flash forward naar begin 2018. Een jongeman uit hetzelfde Tbourba sterft op 8 januari nadat een politiewagen hem omver rijdt tijdens een protestactie. Hij is het eerste dodelijke slachtoffer van een golf van protest die tijdens de maand januari het hele land overspoelt. Veel Tunesiërs pikken het niet dat de overheid op 1 januari een nieuw budgetplan lanceerde dat gepaard gaat met nieuwe taksen op consumptie (een BTW-stijging van 2 tot 300 procent) en met besparingen in de publieke sector. Ze vrezen dat deze wetgeving, die de prijzen van internet, brandstof en bepaalde voedingswaren de hoogte injaagt, de levensomstandigheden van de gewone Tunesische burgers danig zal verslechteren. In een land waar bovendien meer dan een derde van de jeugd formeel werkloos is, leidt dit soort van overheidsbeslissingen gegarandeerd tot problemen.

In de grote Tunesische steden (Tunis, Sousse, Sfax) was het een nieuwe sociale beweging, ‘Fech Nestannew’ (‘Waar wachten we op?’), die het protest trok. De beweging, voornamelijk geleid door hoogopgeleide, stedelijke jongeren en leiders van de Tunesische studentenbond, keek toe hoe vijftig van haar leden opgepakt werden in de eerste 48 uur van de protesten. Vele anderen volgden (meer dan 930 arrestaties in totaal), in een vlaag van repressie en intimidatie die deed denken aan het autoritaire tijdperk van voor de Jasmijnrevolutie van 2011. Ondertussen zetten de politieke partijen uit de regerende coalitie de betogers weg als anarchisten en plunderaars.

Uit de reactie van de Tunesische eerste minister Youssef Chahed (van de seculiere en centristische Nidaa Tounes-partij), bleek duidelijk dat hij niet van plan was om in te binden wat het budgetplan betreft. Een positie die bevestigd werd door de officiële woordvoerder van de regering, Iyed Dahmani. Hij noemde de vooropgestelde toename van de prijzen “een bittere maar noodzakelijke pil”. Hoewel de regering, onder druk van de straat, uiteindelijk een aantal cosmetische ingrepen aankondigde om de effecten van het budgetplan te verzachten voor gezinnen met de laagste inkomens, bleef het bij de politici grotendeels stil rond de legitieme grondoorzaken van het protest (werkloosheid, besparingspolitiek, gebrek aan sociale rechtvaardigheid).

Zeven jaar na zijn revolutie – de verjaardag vond plaats op 14 januari – kent Tunesië dus opnieuw woelige tijden. Hoewel het protest van januari intussen uitgedoofd is als gevolg van gebrekkige nationale en internationale media-aandacht, is het weinig waarschijnlijk dat volkswoede zal uitblijven in de toekomst. Na de grote volksopstand in 2011 is het land immers nooit helemaal gestabiliseerd, met op geregelde tijdstippen momenten van socio-economisch en politiek protest. De regering van Youssef Chahed doorstond sinds haar aantreden in augustus 2016 al twee eerdere golven van grootschalig protest in januari en april 2017.

Economische crisis

Hoewel Tunesië gezien wordt als een democratisch succesverhaal, en hiervoor zelfs een Nobelprijs kreeg (in 2015 werd de Nobelprijs voor de Vrede toegekend aan het Tunesische Kwartet voor Nationale Dialoog voor het verlenen van een vreedzaam vervolg aan de Tunesische Revolutie van 2011), kent het land ook heel wat moeilijkheden. Naast een reeks terreuraanslagen in 2015 (die de toeristische sector lam legde), een oogluikende terugkeer van autoritaire praktijken (de intimidatie van journalisten en de marginalisatie van het parlement en oppositie, om er maar een paar te noemen) en het welig tieren van corruptie, is het vooral de economie die blijft slabakken. De zware economische crisis die het land sinds jaren in zijn greep houdt, heeft tot gevolg dat de Tunesische dinar vandaag balanceert op een historisch dieptepunt. Daar waar 1 Tunesische dinar in 2012 nog een waarde had van 0,5 euro, is dat vandaag, vijf jaar later, minder dan 0,3 euro.

Onder druk van internationale instellingen besloot de regering daarom om (opnieuw) besparingen door te voeren om zo het Tunesische overheidstekort te dichten. Het is een bekend recept. Internationale organisaties zoals het Internationaal Muntfonds (IMF) zijn bereid een lening toe te kennen aan een land in crisis, op voorwaarde dat het land in kwestie zwaar gaat besparen. Jobs in de publieke sector worden opgedoekt, de economie wordt gederegulariseerd en geprivatiseerd, en overheidssubsidies worden afgeschaft. Tunesië kreeg reeds verschillende dergelijke leningen in het verleden en het is ook niet de eerste keer dat de interventies van de internationale financiële instituties voor grote onrust zorgen in het land.

Het is het meest recente IMF-hulppakket uit 2016 dat nu voor heibel zorgt. Om aan de voorwaarden van deze leningen te voldoen, worden de staat en de publieke sector stelselmatig afgebouwd in het voordeel van een private sector die nauwelijks uitgebouwd is in Tunesië. De gevolgen zijn een toenemende formele werkloosheid, een groeiende informele economie en een staat waarvan de slagkracht (om bijvoorbeeld nieuwe jobs te creëren) uitgehold is. Dit staat in schril contrast met de sociale contracten die de regio kende in de jaren 1960 en 1970, waarbij de staat werkgelegenheid voorzag via de publieke sector.

Besparingsbeleid

De IMF-leningen dienen uiteraard ook terugbetaald te worden. In 2018 zal maar liefst 22 procent van het nationale budget naar schuldvereffening gaan – een percentage dat de afgelopen jaren systematisch steeg. Het aangekondigde budgetplan is duidelijk bedoeld om de staatskas te spijzen, maar het ziet ernaar uit dat deze besparingen voornamelijk de armste lagen van de bevolking en een aangroeiende verarmde middenklasse zullen treffen. Het antwoord laat zich daarom raden: woede en volksprotest.

Het is niet de eerste keer dat een opgelegde besparingspolitiek tot protest leidt in Tunesië. In januari 1984, in een erg gelijkaardige context, trokken Tunesiërs de straat op om net aangekondigde prijsstijgingen op basisproducten als brood aan de kaak te stellen. De protesten en de hardhandige reactie erop van de ordehandhavingstroepen, eisten in totaal meer dan 100 dodelijke slachtoffers en gingen de geschiedenis in als de ‘Broodrellen’. De rellen van 1984 misten hun doel echter niet. De toenmalige president Habib Bourguiba annuleerde de aangekondigde prijsstijgingen. Hoewel de manifestanten van ‘Fech Nestannew’ hoopten dat ook het budgetplan uiteindelijk begraven zou worden, is dat vooralsnog niet gebeurd.

Het protest begin dit jaar doet vragen rijzen over de rol van het IMF en andere internationale partners (zoals de EU en de VS) in Tunesië. Sinds de revolutie van 2011 nam Tunesië tot driemaal toe een lening van het IMF in ontvangst, maar de economische toestand van het land blijft uiterst penibel. Wil de Tunesische revolutie van de Waardigheid (‘Karama’ in het Arabisch) zeven jaar na datum toch slagen, dan zal volgens experts een nieuwe economische wind nodig zijn die de dagelijkse besognes van de bevolking centraal stelt en niet de neoliberale dogma’s. Regionale ongelijkheid, corruptie en belastingontwijking dienen structureel aangepakt te worden, in plaats van de kosten van de economische crisis disproportioneel over te hevelen naar de armste sociale klassen, zoals nu gebeurt via besparingen.

Besluit

En zo komen we terug uit bij de rurale vrouwen in Tbourba. Zoals overal ter wereld is het de vrouwelijke helft van de lagere sociale klassen die het zwaarst getroffen wordt door de besparingspolitiek. Besparingen op publieke diensten (onderwijs, gezondheidszorg, kinderopvang) zorgen ervoor dat deze vrouwen steeds vaker vervallen in klassieke rolpatronen, met meer onbetaalde thuisarbeid om extra kosten te mijden. Daarnaast blijken vrouwen ook het ultieme doelpubliek voor de halftijdse, flexibele en onderbetaalde arbeid die de nieuwe neoliberale economie vereist. Voeg daar dan nog een schepje patriarchale cultuur aan toe en je merkt dat het doorgaans de overwerkte Tunesische vrouwen zijn die hun families koste wat kost proberen recht te houden, terwijl de werkloze mannen op café moedeloos toekijken. De soms grimmige protesten van afgelopen januari, in Tbourba en elders in Tunesië, tonen aan dat die situatie niet langer houdbaar is.

Loes Debuysere is wetenschappelijk onderzoekster voor de 'Middle East and North Africa Research Group' (MENARG) aan de Universiteit van Gent.

steun ons

© 2018 vrede vzw - website by