Vijftig jaar straffeloze Israëlische kolonisatie

Vijftig jaar straffeloze Israëlische kolonisatie

Vijftig jaar al voert Israël straffeloos een kolonisatiepolitiek. Al even lang beloven de VN en de internationale grootmachten dat de Palestijnen er hun staat mogen vestigen

De Israëlische bouwwoede, met nederzettingen en bijhorende bezettingsinfrastructuur zorgt er evenwel voor dat de internationaal geproclameerde tweestatenoplossing zo goed als onmogelijk is geworden. Dit en de de talrijke Israëlische schendingen van het internationaal recht lijken echter weinig invloed te hebben op de goede relaties die de zionistische staat onderhoudt met de VS en de EU.

Zes dagen, zolang duurde het voor het Israëlische leger om Egypte, Jordanië en Syrië in juni 1967 met een verrassingsaanval op de knieën te dwingen. De toenmalige Israëlische minister van Defensie, Moshe Dayan, doopte de 'miraculeuze' overwinning tot 'de Zesdaagse oorlog', een wenk naar de zes scheppingsdagen in Genesis, het eerste boek uit het Oude Testament. Het toen nog hoofdzakelijk seculier politiek establishment in Israël kreeg plots de controle over een groot stuk van het Bijbelse Land van Israël (Eretz Yisrael), het gebied dat volgens de Hebreeuwse Bijbel door God aan de Israëlieten werd beloofd. Israël had namelijk de Sinaï woestijn, de Gazastrook, de Westelijke Jordaanoever en de Syrische Golanhoogte bezet. Voor de Arabische wereld was het een traumatische ervaring: de an-naksah (“de tegenslag”), een tweede grote naoorlogse ramp na de al-nakba (“de catastrofe”) van 1948, de oorlog in Palestina die aan de wieg stond van de Israëlische staat en die meer dan 700.000 Palestijnen op de vlucht dreef.

In hetzelfde jaar als de Zesdaagse Oorlog, op 22 november 1967, stemde de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties Resolutie 242, waarvan de preambule benadrukt dat de overname van grondgebied door oorlog ontoelaatbaar is. Resolutie 242 lanceert het principe van 'land in ruil voor vrede': de terugtrekking van de Israëlische troepen uit de bezette gebieden en het recht van twee staten om in vrede te leven. De resolutie wacht nog altijd op haar uitvoering.

Van meet af aan maakte Israël duidelijk dat het niet van plan was om de gebieden die het had veroverd in 1967 te ontruimen.

Van meet af aan maakte Israël duidelijk dat het absoluut niet van plan was om de gebieden die het had veroverd in de Zesdaagse Oorlog te ontruimen. “Jullie Palestijnen, als een natie, willen ons niet vandaag, maar we zullen jullie houding veranderen door onze aanwezigheid aan jullie op te leggen”, aldus Moshe Dayan. Dat principe werd amper drie dagen na de val van Oost-Jeruzalem op 7 juni 1967, ten uitvoer gebracht met de vernietiging van de acht eeuwen oude Marokkaanse wijk naast de klaagmuur om er een grote esplanade aan te leggen voor de biddende joden. De 650 bewoners van deze wijk waren de eerste slachtoffers van de politiek van huizenvernietigingen zoals die in de komende decennia systematisch zou doorgevoerd worden in de sinds 1967 bezette Palestijnse gebieden. Moshe Dayan bezegelde de verovering van het oostelijke stadsdeel van Jeruzalem met de woorden: “We zijn teruggekeerd naar de heiligste van onze plaatsen. We zijn teruggekeerd om nooit meer te vertrekken.”

Oost-Jeruzalem

Het bleef niet bij holle woorden. Oost-Jeruzalem was de parel van de nieuwe veroveringen. Op 30 juli 1980 zou de Knesset, het Israëlische parlement, de uitspraak van Dayan in een 'basiswet' (de 'Jeruzalem-wet') gieten en de stad het statuut geven van “volledige en verenigde hoofdstad van Israël”. De VN-Veiligheidsraad reageerde onmiddellijk met Resolutie 478 (20 augustus 1980) die deze annexatie van “nul en generlei” waarde bestempelde. Zoals zovele VN-resoluties in dit aanslepende conflict, bleef ze zonder concreet gevolg. Israëls demografische en geografische politiek in Jeruzalem in de volgende decennia was er op gericht om elke Palestijnse aanspraak op het bezette stadsdeel onmogelijk te maken. Oost-Jeruzalem werd fysiek afgescheiden van de rest van de bezette Westelijke Jordaanoever door een gordel van nederzettingen en de bouw van een apartheidsmuur. Palestijnen die in Oost-Jeruzalem wonen, krijgen systematisch te maken met discriminaties op vlak van bouwvergunningen, stadsvoorzieningen en stadsplanning of worden geconfronteerd met huizenvernietigingen, onteigeningen of de intrekking van verblijfsrechten. Slechts een klein percentage van het stedelijk budget komt de Palestijnse bevolking ten goede. Er werd van in het begin ook een actief beleid nagestreefd om zoveel mogelijk joodse gezinnen te huisvesten in het ingepalmde Oostelijke deel van de stad. Op dit ogenblik leeft bijna de helft van de joods Israëlische bevolking in Oost-Jeruzalem.

Het Allon-plan

Vanaf het begin van de bezetting broedde de Israëlische regering van premier Eshkol op een plan dat de annexatie en kolonisatie van een deel van de bezette gebieden moest concretiseren. In juli 1967 kwam ze met het Allon-plan op de proppen. Dat plan was gebaseerd op de doctrine dat de Israëlische soevereiniteit over een belangrijke deel van de bezette gebieden noodzakelijk is voor de verdediging van Israël. Volgens de opsteller van het plan, de toenmalige minister van Arbeid Yigal Allon, was het maximum waar de Palestijnen op termijn konden op rekenen een “onafhankelijke Arabische staat overeengekomen tussen ons en hen” weliswaar “in een enclave omgeven door Israëlisch grondgebied”. Premier Levi Eshkol bevestigde dat Israël geen andere optie had dan de hele regio ten Westen van de Jordaanrivier onder Israëlische militaire controle te plaatsen en dus botweg te annexeren. Daar bestond in 1967 al een consensus over. Onderhandelingen die later plaatsvonden met als inzet de volledige teruggave van de Palestijnse gebieden waren gezien die historische zionistische consensus, dus gedoemd om te mislukken. Dat aan de andere kant niet het hele gebied kon ingepalmd worden was de logica die volgde uit het zionistisch concept van een 'joodse staat'. Daarin moet de overgrote meerderheid van de burgers immers joods zijn. Een binationale staat, een staat voor twee volken, moest dus vermeden worden.

Alle latere plannen met betrekking tot de bezette gebieden volgden de grote lijnen van het Allon-plan: de bouw van joodse nederzettingen in de dunbevolkte bezette gebieden, in de eerste plaats op de brede strook in de strategisch belangrijke oevergebieden vlak naast de rivier de Jordaan. De Israëlische strategie is vandaag nog altijd dezelfde: het verwerven van zoveel mogelijk land (en water) met zo weinig mogelijk Palestijnen erop, en het vastleggen van de nieuwe grenzen van de staat Israël via een politiek van voldongen feiten.

Opeenvolgende Israëlische regeringen spreken daarom ook systematisch van 'betwiste' i.p.v. 'bezette' gebieden, de terminologie gebruikt door de VN. Een bezetting gaat de facto over een gebied dat uiteindelijk ontruimd moet worden. Bij een betwisting kan Israël een veronderstelde soevereiniteit laten gelden over minstens een deel van het gebied. Israël heeft de uitslag van dit debat niet afgewacht en zijn stelling ten uitvoer gebracht door het grootste deel van de bezette gebieden te koloniseren of in te palmen voor economische of militaire doeleinden. Maar het internationaal recht is heel duidelijk. Het gaat wel degelijk om bezet gebied en elke annexatie en kolonisatie is wederrechtelijk. Israël was zich daar van in het begin wel degelijk van bewust. Een geheime memo van het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken van 18 september 1967 waarschuwde dat de oprichting van nederzettingen in bezet Palestijns gebied illegaal is volgens de Vierde Conventie van Genève. De toenmalige regering van Levi Eshkol liet er desondanks geen gras over groeien en haar beleid zou als na te volgen voorbeeld dienen voor alle daaropvolgende regeringen. Nog in hetzelfde jaar van de Zesdaagse Oorlog, startte Israël met de bouw van de nederzetting Kfar Etzion in Hebron, de stad op de Westelijke Jordaanoever waar het bezettingsbeleid in zijn lelijkste vorm tot uiting komt.

Nederzettingen

Tijdens de eerste tien jaar van de bezetting waren de opeenvolgende regeringen van de Arbeiderspartij verantwoordelijk voor de bouw van de eerste 21 nederzettingen in de Jordaanvallei en op de flanken van 'Samaria', zoals zionisten het heuvelachtige gebied in het noordelijke deel van de bezette Westelijke Jordaanoever noemen. In 1972 woonden er al 10.608 Israëlische burgers in de bezette gebieden, de meesten onder hen in Oost-Jeruzalem. Maar dat zou klein bier blijken in vergelijking met de decennia daarop, toen de kolonisatie exponentieel groeide. Een actieve Israëlische kolonisatiepolitiek via een voordelig fiscaal regime, lage rentes, gratis diensten, enzovoort zorgde er voor dat de bevolkingsaanwas in de kolonies veel hoger begon te worden dan in Israël zelf. Twintig jaar later, aan de vooravond van de Oslo-akkoorden die tegemoet moesten komen aan het 'recht op Palestijnse zelfbeschikking', was de kolonistenpopulatie aangegroeid tot 280.000 (met inbegrip van de Syrische Golan-hoogte).

Tweestatenoplossing

De frustratie onder de Palestijnse bevolking groeide. In de bezette Palestijnse gebieden ging de Israëlische kolonisatie gepaard met repressie, grondroof en deportaties. Terwijl de leiding van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) in ballingschap leefde in Tunis, brak in 1987 een spontane opstand uit onder de Palestijnen in de bezette gebieden. De Intifada werd vooral door jongeren en studenten gedragen. Palestijnse stenengooiers tegen gewapend geweld veranderden het beeld van de Palestijnse bevrijdingsstrijd die in de Westerse media tot dan gemakkelijk geassocieerd werd met 'terrorisme'. De PLO die nog weinig politieke impact had op de gebeurtenissen in Palestina maakte van het momentum gebruik via een opmerkelijk politiek offensief. In 1988 stemde de Palestijnse Nationale Raad (het 'parlement') een onafhankelijkheidsverklaring die gepaard ging met een oproep voor multilaterale onderhandelingen op basis van Resolutie 242. Het ging om een 'historisch compromis': de aanvaarding van een twee-staten-oplossing die het bestaansrecht van Israël impliceerde. Dat opende de deur voor onderhandelingen. Voor Israël kwam dit Palestijns initiatief bovendien gelegen omdat het een uitweg bood na de politieke schade die het had opgelopen omwille van zijn brutale optreden tegen de Intifada.

Oslo-akkoorden

Op 13 september 1993 gingen historische beelden de wereld rond. PLO-leider Yasser Arafat en de toenmalige Israëlische premier Yitzhak Rabin schudden elkaar de hand om het Oslo-akkoord te bezegelen in het bijzijn van de Amerikaanse president Bill Clinton. Het ging om een interim-akkoord dat op termijn tot een definitieve oplossing moest leiden en omvatte een 'principeverklaring' voor Palestijns zelfbestuur. Daarin erkenden beide partijen formeel dat een permanente oplossing voor het conflict gebaseerd diende te zijn op Resoluties 242 (1967) en 338 (1973) van de VN-Veiligheidsraad. Israël zou zich terugtrekken uit de gebieden die het sinds 1967 bezet volgens het principe 'land in ruil voor vrede'. Alle betrokken partijen accepteerden de territoriale integriteit, politieke onafhankelijkheid en de soevereiniteit van elke staat in de regio. Er volgden afspraken voor een onmiddellijke terugtrekking van het Israëlisch leger uit een deel van de Palestijnse gebieden, de Gazastrook en Jericho. Ook zou er verder onderhandeld worden om na een vijfjarige overgangsperiode tot een permanente oplossing, een vredesverdrag, te komen, waarin alle belangrijke knelpunten van het Israëlisch-Palestijns conflict zouden worden opgenomen. De euforie was groot. Er was sprake van een echt 'vredesproces'. Een jaar later zou de ondertekening van Oslo I zelfs beloond worden met de Nobelprijs voor de Vrede. In het zog van Oslo I kwam er ook een wederzijdse erkenning: de PLO aanvaardde de staat Israël en zweerde het gebruik van geweld af. De Israëlische regering erkende de PLO als de legitieme vertegenwoordiger van het Palestijnse volk.

Maar het zogenaamde vredesproces zou in werkelijkheid een aanslepend onderhandelingsproces worden dat Israël bewust gebruikte om tijd te winnen en zo het kolonisatieproces intenser dan ooit te voren door te voeren. De bedoeling was om de territoriale kaart van een eventueel finaal akkoord te beïnvloeden met voldongen feiten op het terrein. Volgens de logica van de Israëlische autoriteiten kunnen joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever immers absoluut niet onder de autoriteit van een eventuele Palestijnse staat vallen. Net zoals Oost-Jeruzalem en omstreken nooit aan Palestijns gezag kan toegekend worden vermits de meerderheid van de bevolking daar ondertussen joods is.

Een tweede interim-akkoord (Oslo II) in september 1995 baarde een gedrocht. Er kwamen verkiezingen voor Palestijnse politieke instellingen zonder dat ze evenwel echt soeverein waren over een eigen grondgebied. Daarnaast kwam er een ingewikkelde kaart uit de bus waarop de bezette Jordaanoever versnipperd werd in stukjes A, B en C-gebied. Het ging zogenaamd om een tijdelijke overgangsmaatregel die nog altijd bestendigd wordt. In de dichter bevolkte A en B-gebieden werd een vorm van autonoom bestuur (geen soevereiniteit) onder de Palestijnse Autoriteit ingevoerd. De C-gebieden, het grootste deel van de Westelijke Jordaanoever (60%), bleven onder Israëlische militaire controle. De Israëlische strategie zoals al vastgelegd in het Allon-plan was duidelijk. Israël liet haar oog vallen op het land van de C-gebieden met zo weinig mogelijk Palestijnen erop. Palestijnse constructie- en ontwikkelingsplannen werden in deze gebieden zoveel mogelijk afgeblokt. 94% van de Palestijnse bouwvergunningen in de C-zone worden geweigerd. Tussen 1988 en 2016 vaardigden de Israëlische autoriteiten daarentegen wel 16.000 orders uit ter vernietiging van Palestijnse structuren. Daarnaast nam Israël zijn toevlucht tot gedwongen verhuizingen, inbeslagnames van waterbronnen en werden de Palestijnen in het bezette gebied blootgesteld aan het geweld van kolonisten. Oslo werd dus gebruikt om de bezetting in het grootste deel van de Palestijnse gebieden te consolideren.

Het Oslo-bedrog

De Palestijnse bevolking had al gauw door dat ze bedrogen werd en kwam eind 2000 voor een tweede keer in opstand. Met deze tweede Intifada reageerde ze tegen het uitblijven van een definitieve regeling over de belangrijkste knelpunten, zoals de oprichting van een Palestijnse staat met Oost-Jeruzalem als hoofdstad, het recht op terugkeer voor de vluchtelingen, de toegang en controle over het schaarse water, enzovoort en tegen de Israëlische politiek van voldongen feiten.

Het aantal Israëlische kolonisten op de bezette Westelijke Jordaanoever wordt vandaag geraamd op meer dan 650.000.

Zeven jaar na Oslo I was het aantal kolonisten op de Westelijke Jordaanoever nagenoeg verdubbeld. Met andere woorden, terwijl er zogezegd onderhandeld werd over het grondgebied, voerde Israël het tempo van de kolonisatie op. Tegen 2004 was de kolonistenpopulatie in de bezette Palestijnse gebieden aangegroeid naar 426.000. Tegenwoordig wordt het aantal kolonisten geraamd op meer dan 650.000. Een bezettingsinfrastructuur met een afscheidingsmuur (en -hekken), militaire basissen, honderden controleposten en apartheidswegen die de nederzettingen met elkaar en met Israël verbinden, moeten zorgen voor de veiligheid en mobiliteit van de bewoners van de nederzettingen, maar doet net het omgekeerde voor de Palestijnen.

Via de kolonisatie werkt Israël zelf aan het einde van de mogelijkheid van een tweestatenoplossing. In de huidige situatie is het quasi onuitvoerbaar om nog een geografisch aanhangende Palestijnse staat op te richten door de vele van elkaar gescheiden eilandjes 'Palestijns grondgebied' (Palestijnse 'Bantoestans'). Paradoxaal genoeg heeft deze situatie op het terrein het debat weer doen opleven over wat het oorspronkelijke Allon-plan net moest helpen vermijden: de oprichting van een binationale staat. In democratische zin gaat het dan over een staat waarin beide volkeren gelijke rechten hebben en waarin afstand wordt genomen van het zionistische concept van een joodse staat. In Israël zelf is 20 procent van de bevolking nu al Palestijns. Het gaat om de oorspronkelijke bevolking die niet (ver genoeg) gevlucht of weggezuiverd is tijdens de oorlogen van 1948 en 1967. Deze Palestijnen hebben een Israëlisch staatsburgerschap. Als niet-jood beschikken ze echter niet over alle burgerrechten wat hen de facto tot tweederangsburgers maakt die tal van discriminaties moeten ondergaan. Een democratische binationale staat zou ook voor hen een oplossing kunnen bieden. De politieke situatie vandaag, waarbij extreemrechts en het zionisme (een over quasi alle partijgrenzen heen aanvaard principe) het Israëlische politieke toneel beheersen, maakt dat dit nog lang een ijdele droom zal blijven.

Internationale verantwoordelijkheid

Dat zou kunnen veranderen als de zogenaamde 'internationale gemeenschap' haar verantwoordelijkheid opneemt en de uitvoering afdwingt van wat ze zelf heeft gedecreteerd. De tolerantie voor de Israëlische inbreuken op het internationaal recht hebben de situatie volledig doen verrotten. Tientallen VN-resoluties wachten tevergeefs op hun uitvoering. Meer nog, de Verenigde Staten en de Europese Unie (die laatste leverde trouwens al veel lippendienst aan de Palestijnse zaak), blijven kiezen voor goede relaties met Israël. De VS geeft al decennialang militaire en diplomatieke steun aan de zionistische staat. Aan het eind van zijn ambtstermijn tekende VS-president Obama nog een nieuw akkoord dat Israël vanaf het fiscale jaar 2019, voor het daaropvolgende decennium elk jaar 3,8 miljard dollar aan militaire steun garandeert. (In het akkoord dat aan dat van Obama voorafging bedroeg die steun al 3 miljard dollar per jaar.) In een begeleidend persbericht stelde het Witte Huis dat het jaarlijks steunpakket toegekend door de VS van een “niveau zonder precedent” is en dat het gaat om de “meest recente uitdrukking van de onwankelbare inzet van president Obama voor de veiligheid van Israël.” De Amerikaanse militaire steun stelt Israël in staat om zijn bezettings-, kolonisatie- en repressiepolitiek in de Palestijnse gebieden te handhaven. Dat is nochtans iets wat formeel indruist tegen de officiële lijn van Washington.

De Europese spreidstand

De EU verkeert evenzeer in een politieke spreidstand. Brussel stuurt geregeld verklaringen de wereld in die het belang van een Palestijnse staat onderstrepen. Er wordt ook met de regelmaat van de klok op gehamerd dat de Israëlische nederzettingen illegaal zijn. Maar deze lippendienst aan de Palestijnse zaak wordt niet tot uiting gebracht in daden. Wel integendeel. De relaties tussen de EU en Israël verlopen via een Europese Associatie-akkoord. Hoewel artikel 2 van dat akkoord stelt dat het respecteren van de mensenrechten er een essentieel onderdeel van uitmaakt, voert Brussel een politiek die de banden met Israël hechter maakt. De EU is de belangrijkste handelspartner voor Israël met een handelsvolume ter waarde van 32 miljard euro. Het Associatie-akkoord zorgt voor voordelige markttoegang voor Israëlische producten, ook producten uit de kolonies. Zo voeren de landen van de Unie vijftien keer meer producten in uit de joodse nederzettingen dan Palestijnse producten. De waarde van de rechtstreekse import uit de kolonies bedraagt 230 miljoen euro. Als daar de goederen worden bijgeteld die gedeeltelijk geproduceerd worden in de kolonies, dan gaat het zelfs over 5,4 miljard euro per jaar. Via het Europese onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma 'Horizon 2020', rijven Israëlische bedrijven, overheden en universiteiten bovendien jaarlijks miljoenen subsidies binnen. Ook Israëlische wapenbedrijven kunnen hiervan profiteren. Toen de Krim zich na een referendum afscheidde van Oekraïne en aangehecht werd bij Rusland reageerde de Europese Unie heel vlug met economische sancties: een importverbod voor goederen, verbod op investeringen, enzovoort. Jarenlange internationale campagnes van Palestijnse en internationale organisaties die oproepen om op gelijkaardige wijze de economische banden door te knippen met de Israëlische kolonies vallen daarentegen in dovemansoren. Nochtans definieert de EU de Israëlische nederzettingen expliciet als illegaal. Zo leidt de Israëlische bezettings- en kolonisatiepolitiek tot het ultieme voorbeeld van de Europese twee-maten-en-twee-gewichten-politiek, van ronkende verklaringen die tegengesteld zijn aan het beleid. Israël dat talloze VN-resoluties weigert uit te voeren en inbreuken pleegt op het oorlogsrecht en andere VN-verdragen blijft genieten van een uitzonderingsstatus. Niet alleen de Palestijnen dragen daarvan de gevolgen. De situatie draagt ook bij aan de instabiliteit in de regio en daarbuiten.

steun ons

© 2017 vrede vzw - website by