Artikel
Olivia Van Keirsbulck
Printvriendelijke versie
Tags 
Wetten ontwikkeld om het zwijgen op te leggen
Dasemarcalvarez

Wetten ontwikkeld om het zwijgen op te leggen

Civiel-maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers die zich uitspreken tegen onrechtvaardige wetten, die de publieke opinie of de machthebbers in vraag stellen, en die rechtvaardigheid, gelijkheid en vrijheid eisen, worden alsmaar meer geviseerd.

Over heel de wereld worden groepen die werken ter promotie of ter verdediging van de mensenrechten zwart gemaakt, gestigmatiseerd, gesurveilleerd, lastiggevallen, bedreigd, vervolgd op basis van valse beschuldigingen, willekeurig opgesloten en fysiek aangevallen. Sommige mensenrechtenbeschermers worden zelfs vermoord of verdwijnen, simpelweg omwille van het werk dat ze doen.

Een nieuw rapport van Amnesty International toont voor het afgelopen decennium een alarmerende trend, waarbij staten wetten introduceren en gebruiken om in te gaan tegen de vrijheid van vereniging en om het werk van civiel-maatschappelijke organisaties en hun leden te belemmeren. Het gaat om regelrechte pesttechnieken en repressieve reguleringen die niet-gouvernementele organisaties (NGO's) beletten om vitaal werk te leveren. Het tempo van het onderdrukkend optreden neemt ook toe. Tijdens de laatste 2 jaar alleen al, werden mondiaal bijna 40 dergelijke wetsvoorstellen ingediend of goedgekeurd. Allerlei bepalingen in deze wetsvoorstellen werpen hindernissen op voor het oprichten, het (voort)bestaan en de werking van middenveldorganisaties, en stellen de autoriteiten in staat ze nauwlettend in de gaten te houden.

Minsten 50 landen hebben de afgelopen jaren dit soort beknottende wetgeving geïnstalleerd. Al wie in deze landen de autoriteiten bekritiseert of wie standpunten verkondigt die ingaan tegen de heersende politieke, sociale of culturele opinies, loopt risico.

Tegen diversiteit

Maar al te vaak zien civiel-maatschappelijke organisaties en mensenrechtenbeschermers zich verplicht om hun standpunten te matigen, aan zelfcensuur te doen of hun activiteiten in te perken. Ze dienen hun bescheiden middelen te besteden aan excessieve en onnodige bureaucratische verplichtingen of ze worden simpelweg uitgesloten van financieringsmogelijkheden. In de ergste gevallen worden middenveldorganisaties opgedoekt en de betrokken individuen vervolgd en opgesloten, alleen omdat ze zich organiseren om mensenrechten te verdedigen.

Restrictieve wetgeving reflecteert de bredere politieke en culturele trends waarin toxische discoursen 'de andere' demoniseren, en wantrouwen, haat en angst voeden. Deze gevoelens creëren op hun beurt een vruchtbare bodem voor de bekrachtiging van dergelijke wetten. In de praktijk leggen deze wetten vaak het zwijgen op aan kritische en alternatieve visies en opinies, en belemmeren ze de mogelijkheid van organisaties en individuen om het functioneren van de overheid onder de loep te nemen.

Het fenomeen is zichtbaar in alle regio's. In sommige landen profileren leidende politici en regeringsfunctionarissen zich in toenemende mate als nationalistisch, anti-immigratie en anti-vreemdelingen om opponenten te delegitimeren en minderheden te viseren. Politici voeden negatieve visies om civiel-maatschappelijke organisaties of mensenrechtenbeschermers in diskrediet te brengen, bijvoorbeeld groepen die opkomen voor vluchtelingen- en migrantenrechten of die diversiteit promoten. Deze visies sijpelen door in het publieke discours en creëren een vijandige omgeving voor al wie mensenrechten verdedigt en promoot.

Justificatie

De rechtvaardigingen voor draconische, restrictieve maatregelen zijn zo divers als de landen waarin ze geïmplementeerd worden. Het gaat van bezorgdheden over de nationale veiligheid, over de inmenging van buitenlandse machten in binnenlandse aangelegenheden, tot de noodzaak om nationale identiteiten, traditionele waarden en moraal, religieuze overtuigingen of de economische ontwikkeling te beschermen.

In Rusland voerde de regering in de zomer van 2012 wetgeving in waardoor NGO's die financiering ontvangen uit het buitenland gekwalificeerd worden als 'buitenlandse agenten' – een synoniem voor spion, verrader en vijand van de staat. De autoriteiten passen deze wetgeving zo breed toe dat zelfs plaatselijke milieu- , medische en vrouwenrechtenorganisaties onder vuur kwamen te liggen.

In Hongarije worden bepaalde organisaties verplicht zichzelf te uiten als “gefinancierd door buitenlanders” in een poging van de overheid om hun werk te discrediteren en het publiek tegen hen op te zetten. Organisaties die zich niet aan de regels houden, riskeren hoge boetes en de opschorting van hun werking. In de zomer van 2018 werd in Hongarije een nieuwe reeks wetten goedgekeurd die specifiek organisaties ter ondersteuning van migranten en vluchtelingenrechten viseert. Aron Demeter van Amnesty International Hongarije getuigde: “Verschillende van onze medewerkers worden onderworpen aan pesterijen en beledigingen, en worden met geweld bedreigd door online trollen. Sommige locaties weigeren om onze evenementen bij hen te laten doorgaan en er zijn scholen die geen educatieve activiteiten rond mensenrechten organiseren uit angst voor repercussies”.

In Wit-Rusland worden NGO's ook onderworpen aan een strikte staatssupervisie. Werken voor organisaties wiens registratieaanvraag verworpen werd, is een strafbaar feit. Afgelopen oktober wees het Pakistaanse ministerie van Binnenlandse Zaken 18 registratieaanvragen van internationale NGO's af zonder een reden op te geven. In Saoedi-Arabië kan de regering vergunningen aan nieuwe organisaties weigeren en reeds bestaande organisaties opdoeken omdat ze “de nationale eenheid schaden”. Met name vrouwenrechtenorganisaties worden zwaar getroffen. In Egypte moeten organisaties die fondsen ontvangen uit het buitenland zich houden aan stringente en arbitraire regels. Veel Egyptische mensenrechtenbeschermers krijgen een reisverbod opgelegd, hun activa worden bevroren of ze worden vervolgd. Sommigen riskeren 25 jaar gevangenis indien ze veroordeeld worden voor het ontvangen van buitenlandse fondsen.

Deze voorbeelden -uit een lange lijst- lijken misschien de voor de hand liggende verdachten, maar ook in de westerse, zogenaamd liberaal-democratische wereld worden de vrijheden van vereniging, samenkomst en meningsuiting beknot - vooral in naam van de nationale veiligheid.

In het Verenigd Koninkrijk werd in 2014 bijvoorbeeld de 'Lobbying Act' ingevoerd. Deze wetgeving beknot de vrijheid van NGO's (en bedrijven) om te zeggen wat ze willen -en dus campagne te voeren- in de 12 maanden voorafgaand en tijdens algemene verkiezingen. Tal van middenveldorganisaties (waaronder de vakbonden en grote NGO's als Greenpeace en Oxfam) riepen tevergeefs op om de Lobbywet te amenderen omdat ze de democratie zou verzwakken. Onderzoek wijst uit dat de wetgeving al een duidelijke impact heeft op de werking van NGO's in het land. Zij zijn terughoudender geworden wat het voeren van campagnes betreft.

Cruciale functie

De praktische obstakels die opgeworpen worden door restrictieve en willekeurige wetten, en het klimaat van angst en wantrouwen dat gecreëerd wordt rond civiel-maatschappelijke organisaties en mensenrechtengroepen, ontmoedigen anderen om mensenrechten te eisen en maken het alsmaar moeilijker om een gezonde ruimte in stand te houden voor het maatschappelijk middenveld. Verandering en vooruitgang spruiten vaak voort uit de inspanningen van groepen en van individuen die samenkomen om bepaalde mensenrechten op te eisen. Hun cruciale werk zorgt ervoor dat het functioneren van de machthebbers bewaakt wordt. Hen het zwijgen opleggen, heeft daarom gevolgen voor ieders mensenrechten. Zonder vakbonden zouden er geen arbeidersrechten zijn, zonder milieuorganisaties zouden we ons geen zorgen maken over klimaatverandering en milieudegradatie, zonder georganiseerde en voortdurende campagnes zouden foltering en de doodstraf nog steeds overheersen, en zonder feministen, LGBTI-activisten, migrantenrechtenverdedigers en inheemse rechtengroepen, zouden talloze mensen in de wereld niet gehoord en systematischer onderdrukt worden.

Wetgeving om civiel-maatschappelijke organisaties in te perken, is in strijd met de internationale mensenrechten. In veel gevallen is de invoering ervan een poging om deze organisaties volledig schatplichtig te maken aan de staat, te midden van een bredere erosie van de ruimte voor het middenveld en de rechten op vrijheid van vreedzame samenkomst, vereniging en meningsuiting.

Volgens de VN Verklaring Over het Recht en de Verantwoordelijkheid van Individuen, Groepen en Organen van de Maatschappij om de Universeel Erkende Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden te Promoten en te Beschermen (Verklaring van Mensenrechtenbeschermers) heeft “iedere Staat de verantwoordelijkheid en plicht om alle mensenrechten en fundamentele vrijheden te beschermen, promoten en implementeren” en “te verzekeren dat alle personen onder zijn jurisdictie, individueel en in vereniging met anderen, in de praktijk van al deze rechten en vrijheden kunnen genieten”. De verklaring erkent ook dat iedereen, individueel of collectief, een rol te spelen heeft bij het waarmaken van mensenrechten door campagne te voeren en te pleiten voor mensenrechten, informatie te delen, machthebbers ter verantwoording te roepen en rechtvaardigheid, gelijkheid, waardigheid en vrijheid te eisen. Mensenrechten kunnen niet gerealiseerd worden zonder een bloeiende, veilige en open ruimte voor het middenveld, vrij van buitensporige staatscontrole, inmenging en discriminatie. Het is tijd voor regeringen en de internationale gemeenschap om de huidige neerwaartse spiraal aan te pakken. Staten moeten de legitimiteit van civiel-maatschappelijke organisaties en mensenrechtenbeschermers expliciet en publiek erkennen, alsook hun werk. Wetten en reguleringen die hen een onnodige last opleggen, moeten worden ingetrokken.

Dit artikel is gebaseerd op het rapport van Amnesty International 'Laws Designed to Silence: The Global Crackdown on Civil Society Organizations'.

steun ons

© 2019 vrede vzw - website by