Artikel
Shahin Cole en Juan Cole
Printvriendelijke versie
Zullen vrouwen iets te winnen hebben bij de Arabische lente?
Foto: Kodak Agfa from Egypt on wikipedia commons

Zullen vrouwen iets te winnen hebben bij de Arabische lente?

De Arabische lente heeft veel media aandacht gekregen in het Westen, maar één van haar cruciale elementen werd grotendeels over het hoofd gezien: de opvallende rol van de vrouwen in de protesten. Om te beginnen hadden vrouwen een opvallende plaats in de Tunesische betogingen die de Arabische lente in gang zetten. Ze marcheerden in Tunis door Bourguiba Avenue met hun mannen en kinderen in hun kielzog. Een bezielde jonge vrouw wakkerde de Egyptische opstand mee aan via een video-oproep voor de immense betoging tegen president Moebarak op 25 januari in de hoofdstad Caïro. In de Jemenitische steden Sanaa en Taiz kwamen rijen gesluierde vrouwen op straat in een poging de autocratische leider van het land uit zijn ambt te verdrijven. In Syrië blokkeerden vrouwen de wegen om te protesteren tegen de opsluiting van hun mannen en zonen. Ze werden er geconfronteerd met de gewapende geheime politie. Deze moedige daden gaan echter gepaard met angst. Terwijl vrouwen naar de toekomst kijken, vrezen ze dat hun rechten op de weg naar de nieuwe democratische parlementaire regimes afgeketst zullen worden ten voordele van de mannelijke kiezers -zij het patriarchale liberalen of moslimfundamentalisten. De collectieve herinnering aan de vrouwen die in de voorhoede stonden tijdens de Algerijnse revolutie tegen Frankrijk (1954-1962) en die na de onafhankelijkheid in de marges van de politiek gedwongen werden, weegt nog zwaar door. 

Vrouwen komen op straat

Historici zullen ongetwijfeld nog decennialang discussiëren over de oorzaken van de Arabische Lente. Onder meer de hoge werkloosheidsgraad onder opgeleide klassen; het neoliberale beleid van privatiseringen en het breken van vakbonden; de pijlsnel stijgende voedsel- en energieprijzen; de economisch moeilijkere tijden door de krimpende werkgelegenheid in de Golfstaten en in Europa (door de financiële crisis van 2008); en de opgekropte frustratie over de kortzichtige autoritaire manier van regeren, speelden zeker een rol. In hun hoedanigheid van werknemers, maar ook in hun rol van familieverzorgers, hebben vrouwen rechtstreeks geleden onder al deze grieven en meer. Eind januari wees freelance journaliste Megan Kearns al op de relatief kleine aandacht in de Westerse media voor de vrouwen in de revoluties en op de afwezigheid van beelden van de protesterende vrouwen in Tunesië en Egypte. Toch konden vrouwen in werkelijkheid niet zichtbaarder geweest zijn tijdens de grote demonstraties van begin tot midden januari in de straten van Tunis. Ze waren in het gezelschap van hun mannen en kinderen, of vormden eigen protestlinies. Gezien de Westerse ideeën over de massaal onderdrukte vrouwen in de Arabische wereld zou dit gegeven op zich al nieuws geweest moeten zijn. In Tunesië maakten vrouwen in de late jaren 1940 al deel uit van de protestbewegingen om onafhankelijkheid te verkrijgen van Frankrijk. Tunesische vrouwen hebben een relatief hoge geletterdheidsgraad (71%), vertegenwoordigen meer dan een vijfde van 's lands loontrekkenden en vormen 43% van de bijna half miljoen leden van 18 lokale vakbonden. De meeste van deze vrouwelijke vakbondsleden werken in het onderwijs, de textiel, de gezondheid, het toerisme en in stadsdiensten. De Tunesische Algemene Arbeidersvakbond (UGTT) kwam de laatste jaren alsmaar meer in conflict met de leider van het land, president Ben Ali. De leden, waaronder de vrouwen, vervoegden dus enthousiast de straatprotesten. Vandaag blijft de UGTT, de regering die gevormd werd na het vertrek van Ben Ali onder druk zetten om veranderingen door te voeren. In dit alles speelden vrouwelijke leiders en rolmodellen een belangrijke rol. Zoals de meeste prominente Tunesiërs werd de filmster Hend Sabry bijvoorbeeld gedwongen om Ben Ali en zijn maffia-achtige schoonfamilie te steunen, maar toen de anti-regeringsdemonstraties begonnen, brak ze onmiddellijk met de autocraat. Ze waarschuwde hem via Facebook om zijn veiligheidstroepen niet te laten schieten op de betogers. Later gaf ze toe dat ze zeer bang was dat haar familieleden in Tunis iets aangedaan zou worden of dat ze permanent verbannen zou worden uit het land toen ze deze publieke daad gesteld had.

Vrouwelijke activisten in de Arabische lente waren afkomstig uit alle sociale klassen.

In Egypte droeg de blog van Asmaa Mahfouz, waarop de Egyptenaren uitgenodigd werden om massaal aanwezig te zijn op het Tahrirplein op 25 januari, aanzienlijk bij tot het succes van het evenement. Mahfouz vroeg de Egyptenaren om vier jonge mannen te eren die zichzelf in brand gestoken hadden bij wijze van protest tegen het regime, in navolging van Mohammed Bouazizi (zijn zelfverbranding was de aanleiding voor de Tunesische opstanden). Hoewel de geheime politie al verklaard had dat het om vier psychopaten ging, benadrukte Mahfouz op haar blog dat dit niet zo was. Ze eiste een land waar mensen in waardigheid kunnen leven, niet “zoals beesten”. Volgens schattingen maakten vrouwen ten minste 20% van de menigte uit in de eerste week van de protesten op het Tahrirplein. Ook in de Mediterrane havenstad Alexandrië kwamen de vrouwen massaal op straat. Leil-Zahra Mortada's gevierde collectie foto's op Facebook over de vrouwelijke participatie aan de revolutie geeft een idee van hoe gevarieerd en krachtig hun opkomst was. Net zoals in Tunesië maken de vrouwen in Egypte iets meer dan een vijfde van de loontrekkenden uit. Arbeid is al lang een krachtige motor voor het afdwingen van veranderingen in het land. Sinds 2004, lang voor de mobilisaties rond het Tahrirplein, organiseerden Egyptische werkkrachten al 3000 stakingen. Daarbij namen vrouwen soms het voortouw.

Op 15 april vermaande de Jemenitische president voor het leven, Ali Abdullah Saleh, de vrouwen van zijn land voor het zich “ongepast vermengen met mannen in het openbaar” tijdens de gigantische demonstraties die op dat moment aan de gang waren in de hoofdstad Saana en in de steden Taiz en Aden. Op die manier werd de kwestie van 'de plaats van de vrouw' in de strijd tegen de decennialange autocratie, voor het eerst expliciet door een hooggeplaatst politiek figuur aangesneden. De reactie van de vrouwen was duidelijk. Ze kwamen doorheen het hele land in nooit eerder geziene getale op straat. Zelfs op het platteland betoogden ze dag na dag omdat de president “hun eer besmeurde” door te insinueren dat ze zich schaamteloos gedroegen. (De eer van een kuise vrouw in twijfel trekken, is in de Arabische wereld een schending van de traditionele waarden). Met andere woorden, Saleh's poging om de Arabische zeden i.v.m. de uitsluiting van de vrouw uit de publieke sfeer te gebruiken, keerde zich tegen hem in de vorm van een extra oproep tot protest. Vrouwen van een zekere leeftijd die in het zuidelijk deel van het land wonen, vonden de uitspraken van de president des te pijnlijker, aangezien zij opgroeiden in de Volksrepubliek Jemen die geregeerd werd door een communistisch regime dat de vrouwenrechten promootte. Tot Saleh de Volksrepubliek verenigde met het Noordelijke Jemen in 1990, werden zij niet onderworpen aan de meer conservatieve normen die nu doorgaans opgelegd worden aan vrouwen. Anders dan in Tunesië en Egypte kan slechts een kwart van de Jemenitische vrouwen lezen en schrijven en beëindigde amper 17% het middelbaar onderwijs. Slechts 5% van de vrouwen is loontrekkend, hoewel de meesten hun hele leven lang hard werken, de meesten op boerderijen. In de stedelijke gebieden, zoals Aden, Taiz of Sanaa, nemen vrouwen uit gewone en hogere middenklassen toch een belangrijke plaats in in de zakenwereld of in de vrije beroepen. Meer dan een kwart van de studenten is er vrouwelijk. Geconfronteerd met de macht van de woedende vrouwen krabbelde Saleh vlug terug en verklaarde  dat hij als seculier Arabisch nationalist gelooft dat vrouwen volwaardig moeten participeren aan de politieke zaken in het land. Hij beweerde dat hij gewoon luidop aan het reflecteren was over hoe het komt dat de leden van de oppositionele Islah Partij -een fundamentalistische moslimorganisatie- zo bereid leken om vrouwen toe te staan in de straten te gaan betogen tegen hem, terwijl ze op alle andere vlakken voor de uitsluiting van de vrouw zijn.

In Syrië toonden de vrouwen eveneens hun kracht en moed door op straat te komen. Vlakbij de stad Bayda bijvoorbeeld riepen duizenden vrouwen tegelijk: “Wij zullen ons niet laten beledigen”. Ze blokkeerden een kustweg om te protesteren tegen een strenge beleidsmaatregel van de regering die de geheime politie van president Bashar al-Assad de toelating gaf om hun betogende mannelijke familieleden op te pakken. Syrische vrouwen organiseerden ook marsen waarin alleen vrouwen meeliepen om meer democratie en veranderingen in het regime op te eisen. 

Het beschermen van de verworvenheden van de vrouwen

Ondanks de belangrijke rol van vrouwelijke activisten in de Arabische lente worden ze zelden erkend als betekenisvol door de meeste mannelijke politici, die ongetwijfeld wel zullen profiteren van wat de vrouwen mee hebben bereikt. Het is bijvoorbeeld opvallend dat er geen vrouwelijke representatie was in de commissie die aangesteld werd om de Egyptische grondwet te herzien ter voorbereiding van de verkiezingen in september. Er werd ook maar één vrouw aangesteld -dan nog een Moebarak getrouwe- in het 29 koppen tellende interim kabinet. Daarenboven doen patriarchale krachten zoals de fundamentalistische groepen en geestelijken hun uiterste best om er voor te zorgen dat de vrouwenrechten niet uitgebreid zullen worden in de nasleep van de opstanden. Toen  ongeveer 200 vrouwen naar het Tahrirplein trokken op 8 maart ter gelegenheid van de internationale vrouwendag, werden ze aangevallen door militante religieuze mannen die hen toe schreeuwden dat ze naar huis moesten om de was te gaan doen. Dit is tekenend. Vrouwengroepen en progressieve bewegingen in Tunesië en Egypte zijn momenteel begrijpelijkerwijze enorm op hun hoede voor de mogelijkheid dat de fundamentalistische bewegingen alsmaar invloedrijker zullen worden in het parlement en wetten zullen stemmen die nadelig zijn voor zowel vrouwen als seculieren. Toch hebben zulke consideraties hun allerminst belet om met volle overtuiging te ijveren voor meer democratie. De seculiere dictators Ben Ali en Moebarak buitten deze vrees voor de groeiende macht van het islamisme in het verleden volop uit door er voortdurend voor te waarschuwen. De kans dat moslimfundamentalisten in de nabije toekomst werkelijk de macht overnemen, blijft zowel in Tunesië als in Egypte minimaal. In Egypte heeft de militaire regering het verbod op de Moslimbroederschap om verkiezingskandidaten naar voor te schuiven onder eigen vlag (daterend uit het Moebarak-tijdperk) tot nu toe gehandhaafd. Hun kandidaten zullen dus opkomen als de vertegenwoordigers van verschillende andere kleine partijen of onder de vlag van hun nieuw opgerichte partij, die wel zal meedingen. De Broederschap heeft al laten weten dat ze slechts posten zal contesteren in een beperkt aantal kiesdistricten. Zo probeert ze de angst van de middenklasse voor een fundamentalistische overname van het land à la Iran, weg te nemen. Het is weliswaar zo dat het moslimconservatisme als politieke stroming in het algemeen, waarschijnlijk wel zal groeien in Egypte, ongeacht de vorm van het volgende parlement. Dit zal sowieso een uitdaging met zich meebrengen voor de voorvechters van de vrouwenrechten. Sommige Moslimbroeders hebben bijvoorbeeld al laten weten dat ze wel degelijk zullen ijveren voor de implementatie van een middeleeuwse vorm van de islamitische wetgeving, waaronder de segregatie van mannen en vrouwen op de werkvloer. De moefti, de belangrijkste adviseur over de islamitische wetgeving voor de regering, heeft ook al opgeroepen tot “een herziening” van de seculiere wetten in verband met personen- en familierecht, die voordelig waren voor vrouwen en die ondersteund werden door Suzanne Moebarak, de modebewuste vrouw van de afgezette dictator. In Tunesië zorgden de lange jaren van repressie onder Ben Ali ervoor dat de belangrijkste fundamentalistische groep, al-Nahda of de Renaissancepartij, zeer verzwakt is. De leider ervan, Rashid Ghannouchi, heeft het momenteel over de institutionalisering van een 'Turks model'. Hij wil een voorbeeld nemen aan de Turkse voormalige fundamentalisten, zoals premier Recep Tayyip Erdogan en president Abdullah Gul, die het beu waren om belemmerd te worden en in de clinch te gaan met het seculiere Turkse establishment en een op islam geïnspireerde centrumpartij oprichtten, de Partij voor Rechtvaardigheid en Ontwikkeling (AKP). Sinds de AKP aan de macht kwam in 2002 heeft ze gevochten voor een pluralistisch systeem dat plaats zou maken voor de meer traditionele moslims in de maatschappij en in de politiek, zonder daarom te pleiten voor de implementatie van een middeleeuwse regelgeving. Rashid Ghannouchi zegt dat hij -anders dan de Egyptische Broederschap- het recht verdedigt van de vrouw om president van Tunesië te worden. 

Vrouwen vrezen dat hun rechten op weg naar de nieuwe democratische parlementaire regimes afgeketst zullen worden ten voordele van de mannelijke kiezers.

Sinds de aanval op het protest op de internationale vrouwendag, vragen activisten voor vrouwenrechten en progressieven zich toch af hoe ze kunnen verzekeren dat hun verworvenheden tot nu toe, niet teruggeschroefd zullen worden. In Egypte heeft Bothaina Kamel, een prominent televisiepresentator en criticus van het Moebarak-regime, haar eigen idee over hoe vrouwenrechten verwezenlijkt moeten worden in een nieuwe, meer democratische omgeving. Ze heeft zich alvast kandidaat gesteld voor de komende presidentsverkiezingen, iets wat ondenkbaar was in het tijdperk van Moebarak. Zelfs als haar kandidatuur niet veel trekkracht heeft, is ze enorm symbolisch en historisch -een zoveelste moedige daad van een vrouw in dit nieuwe tijdperk in de Arabische wereld. (de Moslimbroederschap is uiteraard tegen haar beslissing om te participeren aan de verkiezingen). Andere Egyptische vrouwen hopen dat de grondwet herschreven kan worden op een manier die de vrouwenrechten versterkt. Verder rekenen ze erop dat de 64 zetels die gereserveerd waren voor vrouwen in het vorige parlement, behouden zullen blijven. Politici in de overgangsregering van Tunesië -decennialang het meest progressieve Arabische land wat vrouwenrechten betreft- zijn vastbesloten om de publieke rol van de vrouwen te beschermen door te verzekeren dat ze goed vertegenwoordigd zijn in de nieuwe legislatuur. De verkiezingen zijn gepland voor 24 juli en er werd een Hoge Commissie aangesteld om de electorale regels vast te leggen. Deze instantie heeft al aangekondigd dat de partijlijsten de pariteit tussen mannelijke en vrouwelijke kandidaten zullen moeten respecteren. In het Tunesisch electoraal systeem stem je niet voor een individuele kandidaat maar voor een hele partij, die een geordende lijst van haar kandidaten aanbiedt. Pariteit voor vrouwen in deze geordende lijst, betekent dat om de andere kandidaat een vrouw moet zijn, waardoor er een hoge vertegenwoordiging van vrouwen gegarandeerd wordt in de legislatuur. Naar deze procedure wordt ook wel verwezen met de term 'zipper gender quota'. Quota's voor vrouwelijke wetgevers komen veel voor in Scandinavië en het Zuiden van de wereld. Hoewel de Tunesische verplichting voor pariteit van de geslachten controversieel blijft in bepaalde milieus, heeft Gannouchi onlangs zijn steun uitgesproken voor het systeem. Abdelwaheb El Hani, de leider van de nieuwe rechtse partij al-Majd verklaarde echter dat de regel een “schending van de vrijheid van de electorale keuze is” en hij benadrukte dat hij er aan twijfelde of het doeltreffend is in het bevorderen van de vertegenwoordiging van vrouwen. In contrast hiermee eerde de linkse al-Tajdid partij het systeem als historisch en beloofde het de gelijkheid van de vrouwen een “onomkeerbare verwezenlijking en een effectieve realiteit te maken in het Tunesische politieke leven”. Al-Tajdid wil nu een expliciete 'gelijke rechten'-vermelding in de grondwet.

Vrouwen een kans geven

De Arabische lente is een baanbrekende periode van activisme en veranderingen voor vrouwen gebleken, die herinneringen oproept aan de rol van de vroege feministen in de Egyptische beweging voor onafhankelijkheid van Groot-Brittannië in 1919, of aan de belangrijke plaats van vrouwen in de Algerijnse revolutie. Louter het aantal politiek actieve vrouwen in deze serie van opstanden, doet hun voorgangers echter al verbleken. Dat deze vrouwelijke component in de Arabische lente zo weinig aandacht getrokken heeft in het Westen toont aan dat onze eigen discours en bezorgdheden over de Arabische wereld -religie, fundamentalisme, olie en Israël- ons blind gemaakt hebben voor de grote sociale krachten die de levens van 300 miljoen mensen beïnvloeden. Vrouwen van deze generatie hebben zichzelf verbeterd door educatie, door de aanwezigheid van mondige vrouwelijke presentatrices op de netwerken van de satelliettelevisie zoals Al-Jazeera, en door de opkomst van het internet en de sociale media. Vrouwen kunnen in cyberspace gemakkelijker de leiderschapsrollen op zich nemen die op de stadspleinen belemmerd zouden worden door de dominantie van jonge mannen in de publieke sfeer. Hun prominente aanwezigheid in de arbeidersbewegingen en de publieke protesten in Tunesië en Egypte onderlijnt bovendien dat hun publieke rol vandaag groter is dan doorgaans erkend wordt. Zelfs de trend in Egypte om meer en meer de hoofddoek te dragen de laatste twee decennia, wordt door sommige sociale wetenschappers gezien als een stap vooruit. Het is immers een manier voor vrouwen om de publieke sfeer te betreden en buitenshuis te werken in veel grotere getale dan ooit tevoren, terwijl ze tegelijkertijd beslag kunnen blijven leggen op de conservatieve idealen van kuisheid en vroomheid.

Vrouwelijke activisten in de Arabische lente waren afkomstig uit alle sociale klassen omdat het een massabeweging was. De vrouwen van de gewone en hogere middenklassen focussen hun politieke energie vaak op kwesties zoals politieke representatie en op wetten die de gelijkheid van de vrouwen aantasten. Ze zoeken naar grondwettelijke garanties voor electorale pariteit als een manier om te reageren op gelijk welke politieke terugslag. De vrouwen in de arbeidersklasse zijn in het bijzonder begaan met de lonen en arbeidersrechten. Sterkere vakbonden zouden de vooruitzichten van de vrouwen op meer rechten kunnen vergroten. De gezondheid van de vrouwen, hun geletterdheid en hun materieel welzijn, zijn bezorgdheden van alle vrouwen. Gedurende de heerschappij van de dictators werd de rijkdom van de natie vaak in beslag genomen door een kleine elite van families met politieke connecties. Een democratisering van de  politiek zou potentieel kunnen leiden tot meer staatsinkomsten die dan weer meer besteed zouden kunnen worden aan vrouwen en de armen.

Men moet in gedachten houden dat vrouwen zoals Bothaina Kamel zich bewust waren van de risico's toen ze Moebarak opriepen om af te treden. Ongeacht het feit dat ze vaak op neerbuigende wijze  beroep deden op feministische thema's, hebben de autoritaire regimes van Moebarak en Ben Ali van de hele maatschappij gestolen en onderdrukten ze iedereen, inclusief de vrouwen. Ze bleken ook alsmaar minder in staat om de sociale diensten en de werkgelegenheid te voorzien waar de vrouwen en hun families afhankelijk van zijn om een beter leven te kunnen creëren voor henzelf. Voordien  werden vrouwen simpelweg gemarginaliseerd door de dictators als ze eisen formuleerden ten opzichte van de regimes. Nu hebben ze tenminste een kans om hun situatie te verbeteren. 


Shahin Cole is bachelor in de Rechten en heeft zowel in Egypte als Jemen gewoond. Juan Cole is professor Geschiedenis en directeur van het Centrum voor Zuid-Aziatische Studies aan de Universiteit van Michigan.      


Dit artikel verscheen eerder in nr 410 van Vrede - Tijdschrift voor internationale politiek. Voor meer informatie over het tijdschrift neem contact op via abo@vrede.be of 09 233 46 88

 

steun ons

© 2021 vrede vzw - website by