Artikel
Soetkin Van Muylem
Printvriendelijke versie
Israëlisch discriminatiebeleid ten opzichte van Palestijnen breidt verder uit

Foto: Ludo De Brabander

Israëlisch discriminatiebeleid ten opzichte van Palestijnen breidt verder uit

“Dit is een beslissend moment in de annalen van het zionisme en de geschiedenis van de staat Israël”, verklaarde de Israëlische premier Netanyahu nadat de Knesset de zogenaamde 'natiestaat'-basiswet goedkeurde.

“Ik kondig met schok en verdriet de dood van de democratie aan”, reageerde het Arabisch-Israëlische parlementslid Ahmad Tibi.

De ook in eigen land controversiële basiswet, die gesteund werd door de regering en premier Netenyahu's Likud-partij, geraakte op 19 juli 2018 door de Knesset (Israëlisch parlement) met 62 'ja'-stemmen, 55 'nee'-stemmen en 2 onthoudingen. Een aantal Arabisch-Israëlische parlementsleden schreeuwden hun ongenoegen uit en verscheurden symbolisch hun papieren na de bekendmaking van het stemresultaat.

Ayman Odeh, voorzitter van de Gezamenlijke Lijst (een alliantie van vier Arabisch-Israëlische partijen) stelde: “De Knesset heeft een Joodse suprematie-wet goedgekeurd en ons duidelijk gemaakt dat we altijd tweederangsburgers zullen blijven”.

Natiestaat-wet

Israël is een land zonder officieel vastgelegde grenzen en zonder grondwet. Het heeft wel een reeks basiswetten die samen als een soort van grondwet fungeren. De kersverse 14de basiswet, getiteld 'Israël als de natiestaat van het Joodse volk', legt exact vast wat deze titel uitdrukt. Ze stipuleert dat Israël het historische thuisland is van het Joodse volk, waarin dat volk zijn “natuurlijke, culturele, religieuze en historische recht op zelfbeschikking vervult”. Het land dat ten tijde van zijn zelfverklaarde onafhankelijkheid, de 'Staat Israël' genoemd werd, veranderde in de recente basiswet dus formeel in de 'Natiestaat van het Joodse volk'. De Israëlische Onafhankelijkheidsverklaring van 14 mei 1948 heeft het herhaaldelijk over het 'Joods karakter' van de staat, maar stelt ook expliciet dat het “volledige gelijkheid van sociale en politieke rechten voor alle inwoners zal verzekeren, ongeacht religie, ras of geslacht". Verder biedt het de “Arabische inwoners” van de staat Israël “volledig en gelijk burgerschap en gepaste vertegenwoordiging in al zijn voorlopige en permanente instellingen”. De nieuwe natiestaat-basiswet stipuleert echter: “Het recht op nationale zelfbeschikking in de staat Israël is enig voor het Joodse volk”. Door te bepalen dat de soevereiniteit en de democratische zelfbeschikking uitsluitend toebehoren aan het Joodse volk, maakt Israël van discriminatie een quasi-constitutionele waarde. Israël heeft zichzelf altijd gedefinieerd als een 'Joodse en democratische staat'. Los van het feit dat er heel wat theoretische discussies gevoerd kunnen worden over de precieze inhoud en het inherent contradictorische karakter van deze twee etiketten, stellen we vast dat de nieuwe basiswet het karakter van Israël reduceert tot Joods. Het definieert de rechten van zijn burgers op basis van godsdienst en etnie – kenmerken van een etnocratie in plaats van een democratie. In de praktijk ondermijnt de nieuwe basiswet de fundamentele rechten van de iets meer dan 2 miljoen niet-Joden die in Israël leven – ongeveer 1,84 miljoen daarvan zijn Arabieren.

Oppositie

De goedkeuring van de natiestaat-wet lokte heel wat ongerustheid en veroordelingen uit. De Europese Unie uitte bij monde van haar Hoge Vertegenwoordiger van Buitenlandse Zaken, Federica Mogherini haar “bezorgdheid” over het feit dat de wet een twee-staten-oplossing voor het Palestijns-Israëlisch conflict verder bemoeilijkt.

Ook vanuit Joods-zionistische hoek kwam er kritiek, zowel in de diaspora als in Israël zelf. Rabbijn Richard Jacobs, de voorzitter van de 'Union for Reform Judaism', een vereniging die de grootste Joodse geloofsgemeenschap in de VS vertegenwoordigt, verklaarde: “De schade die deze natiestaat-wet zal aanrichten aan de legitimiteit van de zionistische visie en de waarden van de staat Israël als een democratische en Joodse staat is enorm”.

In de Knesset was er naast de Arabisch-Israëlische en linkse oppositie, ook felle kritiek van de Zionistische Unie (de gezamenlijke lijst van de Israëlische Arbeidspartij en de liberale Hatnuah-partij) en zelfs binnen Likud waren er dissidente geluiden te horen. Zo stelde Likud-parlementslid en tevens een van de indieners van het oorspronkelijke wetsvoorstel in 2011, Benny Begin: “Zeven jaren zijn gepasseerd, de tijden zijn veranderd... Nationalisme dat geen acht slaat op mensenrechten, vervalt in ultranationalisme... Onder de omstandigheden die zijn ontstaan, zal ik me niet verzetten tegen de wet, maar ik kan hem echter ook niet steunen”.

De civiele maatschappij liet zich evenmin onbetuigd. Directeur van het 'Israel Democracy Institute' (een onafhankelijk onderzoekscentrum gewijd aan de versterking van de Israëlische democratie), bestempelde de nieuwe basiswet als “onnodig beschamend voor Israël”. Adalah, het juridisch centrum voor de rechten van de Arabische minderheid in Israël, noemde ze een poging om etnische superioriteit te bevorderen door racistische beleidsmaatregelen te promoten.

Op 11 augustus, marcheerden tienduizenden Arabische Israëli's door de straten van Tel Aviv om de nietigverklaring van de natiestaat-basiswet te eisen. Ze werden vergezeld door vele Joodse sympathisanten en vooraanstaande linkse politieke figuren, waaronder zelfs twee voormalige generaals. Dat de Palestijnse vlaggen naast de Israëlische wapperden in deze demonstratie prikkelde Netanyahu tot de uitspraak: “Dit is waarom de natiestaat-wet essentieel is”.

Discriminatiebeleid

Het oorspronkelijke voorstel om tot de natiestaat-basiswet te komen werd in 2011 ingediend door een groep parlementsleden van Kadima (de partij die opgericht werd door wijlen Ariel Sharon). Avi Dichter (toen parlementslid voor Kadima, maar ondertussen voor Likud) hielp het voorstel opstellen. Hij motiveerde het toen met de noodzaak om “de aspiraties neer te slaan” van iedereen die “hier een binationale natie wil vestigen”. Enkele jaren, heel wat discussies en een aantal amendementen later, zag Dichter zijn voorstel uiteindelijk tot een basiswet gestemd. Triomfantelijk verklaarde hij na de recente goedkeuring: “We verankeren dit belangrijk voorstel vandaag in een basiswet om de geringste gedachte, laat staan poging, om Israël te transformeren in een land van al zijn burgers, te voorkomen”. Zijn opmerking was een duidelijke verwijzing naar een wetsvoorstel dat een maand eerder ingediend werd door leden van de Gezamenlijke Lijst, waarin gevraagd werd Israël te herdefiniëren als “een staat van al zijn burgers”, in plaats van als “een Joodse staat”. Het voorstel werd onmiddellijk afgevoerd en werd zelfs niet besproken in de Knesset. Zich rechtstreeks tot de Arabisch-Israëlisch parlementsleden richtend, zei Dichter: “Het meeste dat jullie kunnen doen, is onder ons leven als een nationale minderheid die kan genieten van gelijke individuele rechten, maar niet van gelijkheid als een nationale minderheid”.

De wet zal het gevoel van vervreemding van de staat bij de ruim 1,8 miljoen Arabieren in Israël ongetwijfeld nog vergroten. De overgrote meerderheid van hen zijn de autochtone Palestijnen en hun nakomelingen die na de Onafhankelijkheidsoorlog van 1948 terechtkwamen binnen de door Israël aangebrachte demarcatielijn. Ze worden in Israël behandeld als tweederangsburgers.

Alle heisa over de nieuwe basiswet stelt het feit in de schaduw dat ze perfect in de lijn ligt van het reeds lang bestaande discriminatiebeleid en de meer recente politieke evoluties in het land. Er bestaat immers al een resem discriminerende wetten en attitudes die zich laten voelen op allerlei niveaus in het dagelijks leven van de Palestijnse Israëli's. De Israëlische wetgeving in het algemeen stelt de bescherming van het Joods karakter van de staat boven de gelijkheid voor niet-Joodse burgers.

De institutionele discriminatie van Israël tegen zijn Palestijnse inwoners is uitgebreid gedocumenteerd in tal van rapporten. De online Discriminerende Wetten Database, beheerd door Adalah, verzamelt zo'n 65 Israëlische wetten die rechtstreeks of onrechtstreeks discriminerend zijn ten opzichte van Palestijnen in Israël en/of in de bezette gebieden. De discriminatie in deze wetten is soms expliciet, maar vaker zijn de wetten zo geformuleerd dat ze op het eerste zicht neutraal lijken, maar in de praktijk een disproportioneel grote impact hebben op Palestijnen. De Nakba-wet stelt de Israëlische minister van Financiën bijvoorbeeld in staat om overheidsfinanciering of -steun in te trekken voor instituties die activiteiten organiseren waarbij het karakter van Israël als een 'Joodse en democratische staat' betwist wordt, of waarbij de Dag van de Onafhankelijkheid gemarkeerd wordt als een 'dag van rouw'. In de praktijk zijn het doorgaans de Palestijnen die op de Israëlische onafhankelijkheidsdag evenementen organiseren om hun massale verdrijving van hun huizen en hun gronden in de oorlog van 1948 te herdenken. Deze wet perkt dus hun recht op vrije meningsuiting in, brengt schade toe aan hun culturele en educatieve organisaties, en schaadt hun recht om hun geschiedenis en cultuur in stand te houden.

De Nakba-wet is maar één voorbeeld, maar de lijst van discriminerende wetten en praktijken is lang en beperkt de rechten van Palestijnen op vele vlakken – burgerschapsrechten en politieke participatie, land- en huisvestingsrechten, onderwijsrechten, culturele- en religieuze rechten, enz. De nieuwe basiswet draagt fundamenteel bij aan deze lijst. Niet alleen door Israël uit te roepen tot natiestaat van het Joodse volk, maar ook door het Arabisch te degraderen van een officiële taal naar “een taal met speciale status in de staat” en door uitsluitend Joodse wijken, gemeenschappen en steden te promoten. Letterlijk staat in de basiswet: “De staat ziet de Joodse inplanting als een nationale waarde en zal handelen om de oprichting en de ontwikkeling ervan aan te moedigen en te promoten”. Dit is een geamendeerde passage. In het oorspronkelijke wetsvoorstel was de segregatie van niet-Joden nog veel scherper geformuleerd. Niet-Joden worden in de praktijk al uitgesloten van honderden Israëlische gemeenschappen en buurten door residentiële toelatingscomités en zijn het slachtoffer van een doorgedreven beleid van inbeslagname van grond en eigendommen. De nieuwe basiswet zal de discriminatie op dat vlak ongetwijfeld nog intensifiëren.

Verkiezingen

Wat de timing van de natiestaat-basiswet betreft, denkt Netanyahu ongetwijfeld al aan de volgende verkiezingen. Die moeten doorgaan tegen 5 november 2019, maar kunnen vroeger georganiseerd worden indien de Knesset daartoe beslist. In de peilingen doet Likud het goed, maar Netanyahu wil er zeker van zijn dat er geen stemmen verloren gaan aan nog nationalistischere en rechtsere partijen, bijvoorbeeld aan zijn orthodoxe ultranationalistische coalitiepartner in de regering, HaBayit HaYehudi ('Het Joodse Huis'). Knessetlid voor Het Joodse Huis, Bezalel Smotrich, verwoordde dit duidelijk tijdens de hevige discussies rond de basiswet: “We gaan stemmen over een basiswet waarmee niemand in dit gebouw volledig vrede heeft, en het zal gebeuren omdat de eerste minister een prestatie moet optekenen voorafgaand aan de verkiezingen. Dit is een gênant en schandelijk moment. Wat hier domineert is de politieke machinatie”.

Netanyahu voelt zich echter gesterkt in zijn positie door de opiniepeilingen. Een studie van Israel Democracy Institute van eind juli toont aan dat 52% van de Israëlische Joden de nieuwe wet noodzakelijk vond. 60% vond wel dat de basiswet het principe van gelijkheid had moeten omvatten. 69% van de respondenten die zichzelf als rechtse kiezers omschreef, keurde de huidige verwoording van de basiswet goed. Met het electoraat achter hem, zou Netanyahu met een gerust hart een vervroegde verkiezing kunnen overwegen.

Internationale steun

Internationaal voelt de Israëlische premier zich uiteraard ook gesterkt door de openlijke en genereuze steun voor zijn bewind vanwege het Witte Huis. Eind augustus, niet lang na de controversiële verhuis van de Amerikaanse ambassade in Israël van Tel Aviv naar Jeruzalem, kondigde VS-president Donald Trump aan dat hij de jaarlijkse Amerikaanse financiële steun aan het belangrijkste VN-programma voor Palestijnse vluchtelingen (UNRWA) afschaft. In de bezette gebieden en de vluchtelingenkampen van Jordanië, Syrië en Libanon hangen zeker 5 miljoen Palestijnse vluchtelingen en hun nakomelingen af van dit programma voor onderwijs, gezondheidszorg en sociale diensten. De VS voorzag tot nog toe in een derde van het UNRWA-budget – in 2017 goed voor zo'n 364 miljoen dollar. Een persbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken stelde: “De Verenigde Staten zal niet langer geld vrijmaken voor deze onherroepelijk gefaalde operatie”. Een week eerder had de VS al 200 miljoen dollar voor andere hulpprogramma's voor Palestijnen geschrapt. Het lijkt erop dat Trump zich voorbereidt op zijn reeds lang aangekondigde “akkoord van de eeuw”-vredesplan, door over alle grote twistpunten in het conflict (statuut van Jeruzalem, vluchtelingen, grenzen,...) resoluut de kant te kiezen van de sterkste partij. Een 'vredesakkoord' onder auspiciën van Trump zou ongetwijfeld gebaseerd zijn op de realiteiten die Israël ondertussen gecreëerd heeft op het terrein. Israëlisch rechts heeft in het Witte Huis dus een solide bondgenoot gevonden.

In Europa kan Netanyahu rekenen op de steun van de Griekse en Cypriotische leiders, de Tsjechische republiek, Hongarije, Polen en Slowakije. Amper enkele uren nadat de basiswet werd goedgekeurd in de Knesset kreeg premier Benjamin Netanyahu trouwens een bezoek van zijn extreemrechtse Hongaarse collega Viktor Orbán. Professor Sociologie aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem, Eva Illouz, wijst erop dat Netanyahu een sterke ideologische affiniteit heeft met enkele ultranationalistische rechtse regimes: “Ze zijn allemaal gekant tegen de etnische, religieuze of raciale verwatering in hun landen. Israël fungeert als een model voor landen die zich verzetten tegen immigratie en de suprematie erkennen van één etnische groep, maar toch beweren democratisch te zijn”.

Besluit

De nieuwe natiestaat-basiswet bevestigt en institutionaliseert de reeds lang bestaande ongelijkheid en segregatie in Israël. In de praktijk zal ze de eis voor gelijkheid van de Arabische inwoners van Israël nog meer in de kiem smoren. Kritiek en protest vanwege de internationale gemeenschap tegen de controversiële basiswet zullen waarschijnlijk even ondoeltreffend zijn als de aanhoudende veroordelingen van de bouw van Israëlische nederzettingen op bezet Palestijns gebied. Het lijkt erop dat de tegenkanting in Israël zelf ook niet veel impact heeft. Het Israëlisch Hooggerechtshof buigt zich binnenkort wel over een aantal beroepsprocedures die ingediend werden tegen de natiestaat-wet. De rechtse regering staat niet op goede voet met het Hooggerechtshof waarvan de rechters in haar ogen te progressief zijn. De Israëlische minister van Justitie, Ayelet Shaked, lid van Het Joodse Huis waarschuwde de rechters alvast: “Als ze [de basiswet] annuleren, dan is het oorlog”.

steun ons

© 2018 vrede vzw - website by